Verdrag voor de vreedzame beslechting van internationale geschillen 1899

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Eerste Conventie van Den Haag 1899

Type Multilateraal
Ondertekening 29 juli 1899 in 's-Gravenhage
Inwerkingtreding 4 september 1900
Brontaal Frans
Vertaling Officiële Nederlandse
Vervangen door Verdrag voor de vreedzame beslechting van internationale geschillen 1907
Bron Wetten.nl
Auteursrecht Publiek domein
Logo Wikipedia
Meer over Eerste Conventie van Den Haag 1899 op Wikipedia

Verdrag voor de vreedzame beslechting van internationale geschillen[bewerken]

Bezield met de vaste wil samen te werken aan de handhaving van de algemene vrede;

Vastbesloten alles in het werk te stellen om de minnelijke beslechting van internationale geschillen te bevorderen;

Erkennend de solidariteit die de leden van de gemeenschap van beschaafde naties verenigt;

Geleid door de wens de rechtsstaat uit te breiden en het bewustzijn van de internationale gerechtigheid te versterken;

Overtuigd dat de permanente instelling van een voor allen toegankelijke arbitrale rechtspraak te midden van onafhankelijke mogendheden een krachtige bijdrage aan dat doel kan leveren;

In aanmerking nemend de voordelen die voortvloeien uit een algemene en regelmatige arbitrale procedure;

Met de doorluchtige initiatiefnemer van de Internationale Vredesconferentie van oordeel zijnd dat de beginselen van billijkheid en recht waarop de veiligheid van de staten en het welzijn van de volkeren berusten, behoren te worden bezegeld in een internationale overeenkomst.

De wens uitsprekend daartoe een Verdrag te sluiten, hebben benoemd tot hun gevolmachtigden:

Zijne Majesteit de Keizer van Duitsland, Koning van Pruisen:

Zijne Excellentie Graaf van MÜNSTER, Prins van DERNEBURG, zijn ambassadeur te Parijs.

Zijne Majesteit de Keizer van Oostenrijk, Koning van Bohemen enz. en Apostolisch Koning van Hongarije:

Zijne Excellentie Graaf R. DE WELSERSHEIMB, zijn buitengewoon en gevolmachtigd ambassadeur.

De heer ALEXANDRE OKOLICSANYI D’OKOLICSNA, zijn buitengewoon gezant en gevolmachtigd minister te ‘s-Gravenhage.

Zijne Majesteit de Koning der Belgen:

Zijne Excellentie de heer AUGUSTE BEERNAERT, zijn minister van Staat, Voorzitter van de Kamer van Volksvertegenwoordigers.

Graaf DEGRELLE ROGIER, zijn buitengewoon gezant en gevolmachtigd minister te ‘s-Gravenhage.

Ridder DESCAMPS, senator.

Zijne Majesteit de Keizer van China:

De heer YANG YÜ, zijn buitengewoon gezant en gevolmachtigd minister te St. Petersburg.

Zijne Majesteit de Koning van Denemarken:

Zijn kamerheer FR. E. DE BILLE, zijn buitengewoon gezant en gevolmachtigd minister te Londen.

Zijne Majesteit de Koning van Spanje en in Hoogstdeszelfs naam de Koningin-Regentes van het Koninkrijk:

Zijne Excellentie Hertog van TETUAN, oud-minister van Buitenlandse Zaken.

De heer W. RAMEREZ DE VILLA URRUTIA, zijn buitengewoon gezant en gevolmachtigd minister te Brussel.

De heer ARTHUR DE BAGUER, zijn buitengewoon gezant en gevolmachtigd minister te ‘s-Gravenhage.

De President van de Verenigde Staten van Amerika:

Zijne Excellentie de heer ANDREW D. WHITE, ambassadeur van de Verenigde Staten te Berlijn.

De heer SETH LOW, voorzitter van de Columbia University te New York.

De heer STANFORD NEWEL, buitengewoon gezant en gevolmachtigd minister te ‘s-Gravenhage.

De heer ALFRED T. MAHAN, kapitein-ter-zee.

De heer WILLIAM CROZIER, kapitein der artillerie.

De President van de Verenigde Mexicaanse Staten:

De heer DE MIER, buitengewoon gezant en gevolmachtigd minister te Parijs.

De heer ZENIL, minister-resident te Brussel.

De President van de Franse Republiek:

De heer LEON BOURGEOIS, oud-voorzitter van de Raad, oud-minister van Buitenlandse Zaken, lid van de Kamer van Afgevaardigden.

De heer GEORGES BIHOURD, buitengewoon gezant en gevolmachtigd minister te ‘s-Gravenhage.

Baron D’ESTOURNELLES DE CONSTANT, gevolmachtigd minister, lid van de Kamer van Afgevaardigden.

Hare Majesteit de Koningin van het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Ierland, Keizerin van Indië:

Zijne Excellentie de Zeer Eerwaarde Baron PAUNCEFOTE DE PRESTON, lid van de Privy Council van Hare Majesteit, haar buitengewoon en gevolmachtigd ambassadeur te Washington.

De heer HENRY HOWARD, haar buitengewoon gezant en gevolmachtigd minister te ‘s-Gravenhage.

Zijne Majesteit de Koning der Hellenen:

De heer N. DELYANNI, oud-voorzitter van de Raad, oud-minister van Buitenlandse Zaken, zijn buitengewoon gezant en gevolmachtigd minister te Parijs.

Zijne Majesteit de Koning van Italië:

Zijne Excellentie Graaf NIGRA, zijn ambassadeur te Wenen, senator van het Koninkrijk.

Graaf A. ZANNINI, zijn buitengewoon gezant en gevolmachtigd minister te ‘s-Gravenhage.

Commandeur GUIDO POMPILJ, gedeputeerde in het Italiaanse Parlement.

Zijne Majesteit de Keizer van Japan:

De heer I. MOTONO, zijn buitengewoon gezant en gevolmachtigd minister te Brussel.

Zijne Koninklijke Hoogheid de Groothertog van Luxemburg, Hertog van Nassau:

Zijne Excellentie de heer EYSCHEN, zijn minister van Staat, voorzitter van de Regering van het Groothertogdom.

Zijne Hoogheid de Prins van Montenegro:

Zijne Hoogheid, de huidige persoonlijke raadsheer DE STAAL, ambassadeur van Rusland te Londen.

Hare Majesteit de Koningin der Nederlanden:

Jonkheer A. P. C. VAN KARNEBEEK, oud-minister van Buitenlandse Zaken, lid van de Tweede Kamer der Staten-Generaal.

Generaal J. C. C. DEN BEER POORTUGAEL, oud-minister van Oorlog, lid van de Raad van State.

De heer T. M. C. ASSER, lid van de Raad van State.

De heer E. N. RAHUSEN, lid van de Eerste Kamer der Staten-Generaal.

Zijne Majesteit de Sjah van Perzië:

Zijn aide de camp Generaal MIRZA RIZA KHAN, Arfa-ud-Dovleh, zijn buitengewoon gezant en gevolmachtigd minister te St. Petersburg en te Stockholm.

Zijne Majesteit de Koning van Portugal en de Algarven, enz.:

Graaf DE MACEDO, Pair van het Koninkrijk, oud-minister van Marine en Koloniën, zijn buitengewoon gezant en gevolmachtigd minister te Madrid.

De heer D’ORNELLAS ET VASCONCELLOS, Pair van het Koninkrijk, zijn buitengewoon gezant en gevolmachtigd minister te St. Petersburg.

Graaf DE SELIR, zijn buitengewoon gezant en gevolmachtigd minister te ’s-Gravenhage.

Zijne Majesteit de Koning van Roemenië:

De heer ALEXANDRE BELDIMAN, zijn buitengewoon gezant en gevolmachtigd minister te Berlijn.

De heer JEAN N. PAPINIU, zijn buitengewoon gezant en gevolmachtigd minister te ’s-Gravenhage.

Zijne Majesteit de Keizer aller Russen:

Zijne Excellentie, de huidige persoonlijke raadsheer DE STAAL, zijn ambassadeur te Londen.

De heer DE MARTENS, permanent lid van de Raad van het Keizerlijk Ministerie van Buitenlandse Zaken, zijn persoonlijke raadsheer.

Zijn huidige staatsraad DE BASILY, kamerheer, directeur van het eerste departement van het Keizerlijk Ministerie van Buitenlandse Zaken.

Zijne Majesteit de Koning van Servië:

De heer MIYATOVITCH, zijn buitengewoon gezant en gevolmachtigd minister te Londen en te ’s-Gravenhage.

Zijne Majesteit de Koning van Siam:

De heer PHYA SURIYA NUVATR, zijn buitengewoon gezant en gevolmachtigd minister te St. Petersburg en te Parijs.

De heer PHYA VISUDDHA SURIYASAKTI, zijn buitengewoon gezant en gevolmachtigd minister te ’s-Gravenhage en te Londen.

Zijne Majesteit de Koning van Zweden en van Noorwegen:

Baron DE BILDT, zijn buitengewoon gezant en gevolmachtigd minister te Rome.

De Zwitserse Bondsraad:

Doctor ARNOLD ROTH, buitengewoon gezant en gevolmachtigd minister te Berlijn.

Zijne Majesteit de Keizer van Turkije:

Zijne Excellentie TURKHAN PACHA, oud-minister van Buitenlandse Zaken, lid van zijn Raad van State.

NOURY BEY, secretaris-generaal van het ministerie van Buitenlandse Zaken.

Zijne Hoogheid de Prins van Bulgarije:

Doctor DIMITRI STANCIOFF, diplomaat te St. Petersburg.

Majoor CHRISTO HESSAPTCHIEFF, militair attaché te Belgrado.

Die, na elkaar hun volmachten te hebben meegedeeld, die in goede en behoorlijke vorm zijn bevonden, de volgende bepalingen zijn overeengekomen:

TITEL I. HANDHAVING VAN DE ALGEMENE VREDE[bewerken]

Artikel 1

Teneinde zoveel mogelijk te voorkomen dat in de betrekkingen tussen de staten onderling tot geweld wordt overgegaan, komen de ondertekenende mogendheden overeen alles in het werk te stellen om de vreedzame beslechting van internationale geschillen te waarborgen.

TITEL II. GOEDE DIENSTEN EN BEMIDDELING[bewerken]

Artikel 2

Bij ernstige onenigheid of een geschil komen de ondertekenende mogendheden overeen, alvorens hun toevlucht tot de wapens te nemen, een beroep te doen op de goede diensten of de bemiddeling van een of meer bevriende mogendheden, voor zover de omstandigheden dit toelaten.

Artikel 3

Afgezien van dit beroep, achten de ondertekenende mogendheden het nuttig dat een of meer buiten het geschil staande mogendheden uit eigen beweging, voor zover de omstandigheden zich daartoe lenen, hun goede diensten of bemiddeling aanbieden aan de staten in geschil.

Buiten het geschil staande mogendheden hebben het recht goede diensten of bemiddeling aan te bieden, zelfs wanneer de vijandelijkheden reeds zijn aangevangen.

De uitoefening van dit recht kan door beide partijen in geschil nooit als een minder vriendschappelijke daad worden beschouwd.

Artikel 4

De taak van de bemiddelaar bestaat uit het verzoenen van de staten in geschil en het wegnemen van hun onderlinge gevoeligheden.

Artikel 5

De werkzaamheden van de bemiddelaar eindigen op het moment waarop wordt vastgesteld, hetzij door een van de partijen in geschil, hetzij door de bemiddelaar zelf, dat de door hem voorgestelde middelen van verzoening niet zijn aanvaard.

Artikel 6

De goede diensten en de bemiddeling, hetzij ingeroepen door de partijen in geschil, hetzij op initiatief van de buiten het geschil staande mogendheden, hebben uitsluitend een adviserend karakter en zijn nimmer bindend.

Artikel 7

Het aanvaarden van de bemiddeling brengt, tenzij anders wordt overeengekomen, niet met zich mee dat de mobilisatie en andere maatregelen tot voorbereiding van de oorlog worden gestaakt, vertraagd of belemmerd.

Indien de bemiddeling plaatsvindt na het uitbreken van de vijandelijkheden, worden, tenzij anders wordt overeengekomen, reeds in gang gezette militaire operaties er niet door onderbroken.

Artikel 8

De ondertekenende mogendheden komen overeen, in de gevallen waarin dit mogelijk is, de toepassing van bijzondere bemiddeling aan te bevelen, in de volgende vorm:

In geval van een ernstig, de vrede bedreigend geschil kiest elk van de staten in geschil een mogendheid aan welke hij de opdracht toevertrouwt zich rechtstreeks in verbinding te stellen met de door de andere staat gekozen mogendheid, teneinde het verbreken van de vreedzame betrekkingen te voorkomen.

Tijdens deze opdracht, waarvan de duur dertig dagen niet te boven kan gaan, tenzij anders is overeengekomen, staken de staten in geschil alle rechtstreekse betrekkingen ter zake van het geschil, die geacht worden uitsluitend aan de bemiddelende mogendheden te zijn overgelaten. Deze dienen alles in het werk te stellen om het geschil te beslechten.

In geval van feitelijke verbreking van de vreedzame betrekkingen, blijven deze mogendheden belast met de gemeenschappelijke opdracht elke gelegenheid te baat te nemen om de vrede te herstellen.

TITEL III. INTERNATIONALE ONDERZOEKSCOMMISSIES[bewerken]

Artikel 9

In internationale geschillen waarbij noch de eer, noch wezenlijke belangen betrokken zijn en die voortvloeien uit een verschil van mening omtrent feitelijke punten, achten de ondertekenende mogendheden het nuttig dat partijen die niet langs diplomatieke weg tot overeenstemming konden komen, voor zover de omstandigheden het toelaten, een internationale onderzoekscommissie instellen die de opdracht krijgt de oplossing van deze geschillen te vergemakkelijken door de feitelijke kwesties op te helderen met een onpartijdig en nauwgezet onderzoek.

Artikel 10

Bij een bijzondere overeenkomst tussen de partijen in geschil wordt een internationale onderzoekscommissie ingesteld.

In de onderzoeksovereenkomst worden de te onderzoeken feiten en de bevoegdheden van de commissarissen vastgesteld.

De wijze van behandeling wordt erin geregeld. Het onderzoek geschiedt op tegenspraak.

De vorm en de in acht te nemen termijnen worden, voor zover zij niet in de onderzoeksovereenkomst zijn vastgesteld, door de commissie zelf bepaald.

Artikel 11

Een internationale onderzoekscommissie wordt, tenzij anders wordt overeengekomen, samengesteld op de wijze zoals bepaald in artikel 32 van dit Verdrag.

Artikel 12

De mogendheden in geschil verbinden zich ertoe de internationale onderzoekscommissie, in de ruimste mate die zij mogelijk achten, alle middelen en medewerking te verschaffen die nodig zijn voor de volledige vaststelling en nauwkeurige beoordeling van de feiten in kwestie.

Artikel 13

De internationale onderzoekscommissie biedt de mogendheden in geschil haar door alle leden van de commissie ondertekende verslag aan.

Artikel 14

Het verslag van de internationale onderzoekscommissie beperkt zich tot het vaststellen van de feiten en heeft geenszins het karakter van een arbitrale uitspraak. Het laat de mogendheden in geschil de volledige vrijheid ten aanzien van het aan de vastgestelde feiten te geven gevolg.

TITEL IV. INTERNATIONALE ARBITRAGE[bewerken]

HOOFDSTUK I. DE ARBITRALE RECHTSPRAAK[bewerken]

Artikel 15

Internationale arbitrage heeft tot doel het beslechten van geschillen tussen staten door door hen gekozen arbiters en op basis van de eerbiediging van het recht.

Artikel 16

Bij geschillen van rechtskundige aard, en in eerste instantie bij kwesties inzake de uitlegging of toepassing van internationale overeenkomsten, wordt arbitrage door de ondertekenende mogendheden erkend als het effectiefste en tevens billijkste middel voor de beslechting van geschillen die niet langs diplomatieke weg zijn opgelost.

Artikel 17

De arbitrageovereenkomst wordt aangegaan voor reeds bestaande geschillen of geschillen die zich in de toekomst kunnen voordoen.

Zij kan alle geschillen betreffen of uitsluitend geschillen van een bepaalde categorie.

Artikel 18

De arbitrageovereenkomst brengt de verbintenis met zich mee zich te goeder trouw aan de arbitrale uitspraak te onderwerpen.

Artikel 19

Afgezien van algemene of bijzondere verdragen waarin thans voor de ondertekenende mogendheden de verplichting is opgenomen arbitrage in te roepen, behouden deze mogendheden zich het recht voor hetzij vóór de bekrachtiging van dit Verdrag, hetzij op een later tijdstip, nieuwe algemene of bijzondere overeenkomsten aan te gaan teneinde de verplichte arbitrage uit te breiden tot alle gevallen die naar hun oordeel daarvoor in aanmerking komen.

HOOFDSTUK II. HET PERMANENTE HOF VAN ARBITRAGE[bewerken]

Artikel 20

Ter bevordering van de onmiddellijke inzet van arbitrage bij internationale geschillen die niet langs diplomatieke weg konden worden beslecht, verbinden de ondertekenende mogendheden zich ertoe een Permanent Hof van Arbitrage in te stellen, dat te allen tijde toegankelijk is en, tenzij anderszins wordt overeengekomen tussen de partijen, optreedt overeenkomstig de procedureregels vervat in dit Verdrag.

Artikel 21

Het Permanente Hof is bevoegd voor alle arbitragezaken, tenzij de partijen overeenkomen een bijzonder gerecht in te stellen.

Artikel 22

Een Internationaal Bureau, gevestigd te ‘s-Gravenhage, fungeert als griffie voor het Hof.

Mededelingen betreffende de vergaderingen van het Hof geschieden door tussenkomst van dit Bureau.

Het Bureau bewaart het archief en beheert alle administratieve zaken.

De ondertekenende mogendheden verbinden zich ertoe het Internationaal Bureau te ‘s-Gravenhage een gewaarmerkt afschrift te doen toekomen van elke tussen hen tot stand gekomen overeenkomst inzake arbitrage en van elke arbitrale uitspraak die hen betreft en door een bijzonder gerecht is gedaan.

Zij verbinden zich ertoe het Bureau wetten, reglementen en documenten te doen toekomen waarbij in voorkomend geval mededeling wordt gedaan omtrent de uitvoering van de uitspraken die door het Hof zijn gedaan.

Artikel 23

Elke ondertekenende mogendheid wijst binnen drie maanden na haar bekrachtiging van dit Verdrag ten hoogste vier personen aan die beschikken over bewezen bekwaamheid op het gebied van internationaal recht, in hoog aanzien staan en bereid zijn de functie van arbiter te aanvaarden.

De aldus aangewezen personen worden als leden van het Hof ingeschreven op een lijst die door het Bureau aan alle ondertekenende mogendheden wordt medegedeeld.

Elke wijziging in de lijst van arbiters wordt door het Bureau ter kennis van de ondertekenende mogendheden gebracht.

Twee of meer mogendheden kunnen overeenstemming bereiken over de gezamenlijke aanwijzing van een of meer leden.

Dezelfde persoon kan door verschillende mogendheden worden aangewezen.

De leden van het Hof worden benoemd voor een termijn van zes jaar. Hun ambtstermijn kan worden verlengd.

In geval van overlijden of aftreden van een lid van het Hof wordt in zijn vervanging voorzien op de wijze vastgesteld voor zijn benoeming.

Artikel 24

Wanneer de ondertekenende mogendheden zich tot het Permanente Hof wensen te wenden voor de beslechting van een tussen hen gerezen geschil, dienen de arbiters die verzocht worden het scheidsgerecht te vormen dat bevoegd is tot een uitspraak over het geschil, te worden gekozen uit de algemene lijst van leden van het Hof.

Indien de partijen niet onmiddellijk overeenstemming bereiken omtrent de samenstelling van het scheidsgerecht, wordt op de volgende wijze gehandeld:

Elke partij benoemt twee arbiters en deze kiezen tezamen een opperarbiter.

Bij staking van de stemmen wordt de keuze van de opperarbiter toevertrouwd aan een derde mogendheid, die in gemeenschappelijk overleg door de partijen wordt aangewezen.

Indien hieromtrent geen overeenstemming kan worden bereikt, wijst elke partij een andere mogendheid aan en de keuze van de opperarbiter geschiedt in gemeenschappelijk overleg door de aldus aangewezen mogendheden.

Nadat het scheidsgerecht aldus is samengesteld stellen de partijen het Bureau in kennis van hun besluit zich tot het Hof te wenden alsmede van de namen van de arbiters.

Het scheidsgerecht komt bijeen op de door de partijen vastgestelde datum.

De leden van het Hof genieten, bij de uitoefening van hun functie en buiten hun vaderland, diplomatieke voorrechten en immuniteiten.

Artikel 25

Het scheidsgerecht zetelt gewoonlijk in ‘s-Gravenhage.

De zetel kan, behoudens in geval van overmacht, slechts met toestemming van de partijen door het scheidsgerecht worden verplaatst.

Artikel 26

Het Internationaal Bureau te ‘s-Gravenhage is bevoegd zijn kantoren en organisatie ter beschikking van de ondertekenende mogendheden te stellen ten behoeve van de uitoefening van iedere bijzondere arbitragebevoegdheid.

De rechtsmacht van het Permanente Hof kan, onder de in het Reglement voorgeschreven voorwaarden, uitgebreid worden tot geschillen tussen niet-ondertekenende mogendheden onderling of tussen ondertekenende mogendheden en niet-ondertekenende mogendheden, indien de partijen zijn overeengekomen zich tot dit Hof te wenden.

Artikel 27

De ondertekenende mogendheden beschouwen het als een plicht, indien een ernstig conflict tussen twee of meer van hen dreigt uit te breken, deze mogendheden eraan te herinneren dat het Permanente Hof voor hen openstaat.

Zij verklaren bijgevolg dat het herinneren van de partijen in geschil aan de bepalingen van dit Verdrag en het in het hogere belang van de vrede verstrekken van het advies zich tot het Permanente Hof te wenden, uitsluitend beschouwd kunnen worden als handelingen die vallen onder het begrip van goede diensten.

Artikel 28

Een Permanente Raad van Beheer, bestaande uit de te ’s-Gravenhage geaccrediteerde diplomatieke vertegenwoordigers van de ondertekenende mogendheden en de minister van Buitenlandse Zaken van Nederland, die het voorzitterschap zal bekleden, wordt zo spoedig mogelijk nadat dit Verdrag door ten minste negen mogendheden is bekrachtigd in deze stad ingesteld.

Deze Raad wordt belast met het oprichten en opzetten van het Internationaal Bureau, dat onder zijn bestuur en toezicht blijft.

De Raad stelt de mogendheden in kennis van de oprichting van het Hof en voorziet in de installatie daarvan.

De Raad stelt zijn reglement van orde alsmede alle andere nodige reglementen vast.

De Raad beslist over alle administratieve kwesties die zouden kunnen ontstaan betreffende het functioneren van het Hof.

De Raad heeft de exclusieve bevoegdheid omtrent de benoeming, de schorsing of het ontslag van ambtenaren en medewerkers van het Bureau. De Raad stelt de traktementen en salarissen vast en houdt toezicht op de algemene uitgaven.

De aanwezigheid van vijf leden bij naar behoren bijeengeroepen vergaderingen is voldoende voor de Raad om geldige besluiten te kunnen nemen. Besluiten worden genomen bij meerderheid van stemmen.

De Raad doet de door hem vastgestelde reglementen onverwijld toekomen aan de ondertekenende mogendheden. De Raad doet hun ieder jaar een verslag toekomen van de werkzaamheden van het Hof, het functioneren van de administratieve dienst en de uitgaven.

Artikel 29

De kosten van het Bureau worden gedragen door de ondertekenende mogendheden in de verhouding vastgesteld voor het Internationale Bureau van de Wereldpostunie.

HOOFDSTUK III. DE ARBITRAGEPROCEDURE[bewerken]

Artikel 30

Teneinde de ontwikkeling van de arbitrage te bevorderen hebben de ondertekenende mogendheden de volgende regels vastgesteld die van toepassing zijn op de arbitrageprocedure, voor zover de partijen geen andere regels zijn overeengekomen.

Artikel 31

De mogendheden die gebruikmaken van arbitrage ondertekenen een bijzondere akte (compromis) waarin het voorwerp van het geschil alsmede de reikwijdte van de bevoegdheden van de arbiters duidelijk staan omschreven. Deze akte houdt de verplichting voor de partijen in zich te goeder trouw aan de arbitrale uitspraak te onderwerpen.

Artikel 32

De arbitrale taken kunnen worden opgedragen aan een enkele arbiter of aan meerdere arbiters die door de partijen naar eigen goeddunken worden aangewezen of door hen worden gekozen uit de leden van het bij dit Verdrag ingestelde Permanente Hof van Arbitrage.

Ingeval de partijen niet onmiddellijk overeenstemming bereiken omtrent de samenstelling van het scheidsgerecht wordt op de volgende wijze gehandeld:

Iedere partij benoemt twee arbiters en deze kiezen tezamen een opperarbiter.

Bij staking van de stemmen wordt de keuze van de opperarbiter toevertrouwd aan een derde mogendheid, die in onderling overleg door de partijen wordt aangewezen.

Indien hieromtrent geen overeenstemming kan worden bereikt, wijst iedere partij een andere mogendheid aan en de keuze van de opperarbiter geschiedt in gemeenschappelijk overleg door de aldus aangewezen mogendheden.

Artikel 33

Wanneer een soeverein of een staatshoofd tot arbiter wordt gekozen, wordt de arbitrageprocedure door hem geregeld.

Artikel 34

De opperarbiter is van rechtswege voorzitter van het scheidsgerecht.

Wanneer in het scheidsgerecht geen opperarbiter zitting heeft, benoemt het zelf zijn voorzitter.

Artikel 35

In geval van overlijden, ontslag of verhindering, om welke reden dan ook, van een van de arbiters, wordt in zijn vervanging voorzien op de wijze vastgesteld voor zijn benoeming.

Artikel 36

De zetel van het scheidsgerecht wordt door de partijen aangewezen. Bij gebreke van een dergelijke aanwijzing zetelt het scheidsgerecht in ‘s-Gravenhage.

De aldus vastgestelde zetel kan, behalve in geval van overmacht, uitsluitend met instemming van de partijen door het scheidsgerecht veranderd worden.

Artikel 37

De partijen hebben het recht bij het scheidsgerecht gemachtigden of bijzondere agenten te benoemen met de opdracht als tussenpersoon op te treden tussen de partijen en het scheidsgerecht.

Zij zijn bovendien bevoegd daartoe door hen benoemde raadslieden of advocaten te belasten met de verdediging van hun rechten en belangen voor het scheidsgerecht.

Artikel 38

Het scheidsgerecht beslist over de keuze van de talen waarvan gebruik zal worden gemaakt en die tijdens de zittingen toegestaan zijn.

Artikel 39

De arbitrageprocedure bestaat in de regel uit twee afzonderlijke delen: de instructie en de debatten.

De instructie omvat de overhandiging door de onderscheiden agenten aan de leden van het scheidsgerecht en de wederpartij, van alle gedrukte of geschreven stukken en van alle documenten die de in het geding aangevoerde middelen bevatten. Deze overhandiging geschiedt in de vorm en binnen de termijnen die door het scheidsgerecht krachtens artikel 49 zijn vastgesteld.

De debatten bestaan uit de mondelinge uiteenzetting van de middelen van de partijen voor het scheidsgerecht.

Artikel 40

Ieder stuk dat door een van de partijen wordt ingebracht, dient aan de andere partij te worden overhandigd.

Artikel 41

De debatten worden geleid door de voorzitter.

Zij zijn uitsluitend openbaar krachtens een beslissing van het scheidsgerecht, genomen met instemming van de partijen.

De debatten worden opgenomen in processen-verbaal die worden opgesteld door secretarissen die door de voorzitter zijn benoemd. Uitsluitend deze processen-verbaal zijn authentiek.

Artikel 42

Na sluiting van de instructie is het scheidsgerecht bevoegd alle nieuwe stukken of documenten die een van de partijen zonder toestemming van de wederpartij aan hem wil voorleggen, van het debat uit te sluiten.

Artikel 43

Het scheidsgerecht behoudt de vrijheid nieuwe stukken of documenten in overweging te nemen die de agenten of raadslieden van de partijen onder zijn aandacht brengen.

In dat geval is het scheidsgerecht bevoegd de overlegging van deze stukken of documenten te gelasten, en de wederpartij daarvan kennis te geven.

Artikel 44

Het scheidsgerecht kan daarnaast van de agenten van de partijen de overlegging van alle stukken gelasten en alle nodige toelichtingen verlangen. Bij weigering neemt het scheidsgerecht daarvan akte.

Artikel 45

De agenten en raadslieden van de partijen zijn bevoegd mondeling alle middelen aan het scheidsgerecht te presenteren die zij nuttig achten voor de verdediging van hun zaak.

Artikel 46

Zij hebben het recht uitzonderingen en incidenten aan de orde te stellen. De beslissingen van het scheidsgerecht op die punten zijn onherroepelijk en staan niet open voor verdere discussie.

Artikel 47

De leden van het scheidsgerecht zijn bevoegd vragen te stellen aan de agenten en raadslieden van de partijen en hun te verzoeken om opheldering van punten waarover twijfel bestaat.

De door de leden van het scheidsgerecht tijdens de debatten gestelde vragen of gemaakte opmerkingen kunnen niet beschouwd worden als de uitdrukking van de meningen van het scheidsgerecht in het algemeen of van zijn leden in het bijzonder.

Artikel 48

Het scheidsgerecht is gemachtigd zijn bevoegdheid te bepalen door uitlegging van het compromis, alsmede van andere verdragen die in de zaak kunnen worden ingeroepen en door toepassing van de beginselen van het internationale recht.

Artikel 49

Het scheidsgerecht is bevoegd procedureregels vast te stellen voor de leiding van het geding, de vorm en termijnen te bepalen waarbinnen iedere partij haar conclusies moet indienen en alle formaliteiten die de bewijsvoering met zich meebrengt in acht te doen nemen.

Artikel 50

Wanneer de agenten en raadslieden van de partijen hun toelichtingen hebben gegeven en bewijzen ter ondersteuning van hun zaak hebben overgelegd, sluit de voorzitter de debatten.

Artikel 51

De beraadslagingen van het scheidsgerecht vinden plaats achter gesloten deuren.

Iedere beslissing wordt genomen bij meerderheid van de stemmen van de leden van het scheidsgerecht.

De weigering van een lid deel te nemen aan de stemming, dient in het proces-verbaal te worden aangetekend.

Artikel 52

De arbitrale uitspraak, bij meerderheid van stemmen vastgesteld, wordt met redenen omkleed. De uitspraak wordt schriftelijk vastgesteld en door elk van de leden van het scheidsgerecht ondertekend.

De leden die in de minderheid zijn gebleven, kunnen bij de ondertekening blijk geven van hun afwijkende mening.

Artikel 53

De arbitrale uitspraak wordt in openbare zitting van het scheidsgerecht voorgelezen, in aanwezigheid of na behoorlijke oproeping van de agenten en raadslieden van de partijen.

Artikel 54

De arbitrale uitspraak, naar behoren uitgesproken en medegedeeld aan de agenten van de partijen in geschil, vormt de onherroepelijke beslechting van het geschil, waartegen geen beroep openstaat.

Artikel 55

De partijen kunnen zich in het compromis het recht voorbehouden om herziening van de arbitrale uitspraak te verzoeken.

In dat geval wordt het verzoek, tenzij anders overeengekomen, gericht aan het scheidsgerecht dat de uitspraak heeft gedaan. Het verzoek mag uitsluitend gegrond zijn op de ontdekking van een nieuw feit dat een beslissende invloed op de uitspraak zou kunnen hebben gehad en dat bij de sluiting van de debatten onbekend was bij het scheidsgerecht zelf en bij de partij die om de herziening heeft verzocht.

De herzieningsprocedure mag uitsluitend door een beslissing van het scheidsgerecht worden geopend, waarbij uitdrukkelijk het bestaan wordt uitgesproken van het nieuwe feit, daarbij erkennend dat het feit aan de vereisten zoals in het vorige lid vermeld voldoet en het verzoek op die grond ontvankelijk wordt verklaard.

In het compromis wordt de termijn bepaald waarbinnen het verzoek tot herziening moet worden gedaan.

Artikel 56

De arbitrale uitspraak is slechts bindend voor de partijen die het compromis gesloten hebben.

Wanneer het de uitlegging van een verdrag betreft waaraan andere mogendheden dan de partijen in geschil hebben deelgenomen, stellen zij deze mogendheden in kennis van het compromis dat zij hebben gesloten. Elk van deze mogendheden heeft het recht zich te voegen in het geding. Indien een of meer van hen van deze bevoegdheid gebruik hebben gemaakt is de in de uitspraak vervatte uitlegging ook voor deze mogendheden bindend.

Artikel 57

Elke partij draagt haar eigen kosten en een gelijk aandeel in de kosten van het scheidsgerecht.

ALGEMENE BEPALINGEN[bewerken]

Artikel 58

Dit Verdrag wordt zo spoedig mogelijk bekrachtigd.

De akten van bekrachtiging worden nedergelegd in ‘s-Gravenhage.

Van de nederlegging van elke akte van bekrachtiging wordt een proces-verbaal opgemaakt, waarvan een voor eensluidend gewaarmerkt afschrift langs diplomatieke weg wordt overhandigd aan alle mogendheden die vertegenwoordigd waren tijdens de Internationale Vredesconferentie te ‘s-Gravenhage.

Artikel 59

De niet-ondertekenende mogendheden die tijdens de Internationale Vredesconferentie vertegenwoordigd waren, kunnen tot dit Verdrag toetreden. Zij dienen de verdragsluitende mogendheden van hun toetreding in kennis te stellen door middel van een schriftelijke kennisgeving gericht aan de Regering van Nederland, die alle andere verdragsluitende mogendheden hiervan in kennis stelt.

Artikel 60

De voorwaarden waaronder de mogendheden die niet tijdens de Internationale Vredesconferentie vertegenwoordigd waren tot dit Verdrag kunnen toetreden, vormen het onderwerp van een nadere overeenkomst tussen de verdragsluitende mogendheden.

Artikel 61

Indien een van de hoge verdragsluitende partijen dit Verdrag opzegt, wordt deze opzegging van kracht een jaar na de schriftelijke kennisgeving aan de Regering van Nederland en door deze onmiddellijk aan alle andere verdragsluitende mogendheden medegedeeld.

Deze opzegging heeft uitsluitend gevolgen voor de mogendheid die daarvan kennis heeft gegeven.

TEN BLIJKE WAARVAN de gevolmachtigden dit Verdrag hebben ondertekend en van hun zegels hebben voorzien.

GEDAAN te ‘s-Gravenhage op 29 juli 1899, in een enkel exemplaar dat nedergelegd zal blijven in het archief van de Regering van Nederland en waarvan voor eensluidend gewaarmerkte afschriften langs diplomatieke weg aan de verdragsluitende mogendheden worden overhandigd.