Voorwaarts/Jaargang 3/Nummer 757/De triomf van da-da

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
De triomf van da-da
Auteur(s) Anoniem
Datum Donderdag 11 januari 1923
Titel Gemengde berichten. De triomf van da-da. Een gezellige pan
Krant Voorwaarts
Jg, nr 3, 757
Editie, pg [Dag], tweede blad, [2]
Brontaal Nederlands
Bron delpher.nl
Auteursrecht Publiek domein

Gemengde Berichten

De triomf van da-da

Een gezellige pan.

      We lezen in de „Tel.”:
      Da-Da is groot en Kurt Schwietters is zijn profeet!
      De residentie had gisteravond de eer een der beroemdste Dadaïsten van onzen aarabol in haar midden te zien. In den Haagschen Kunstkring hield nl. Kurt Schwietters uit Hannover voor leden en introducé’s een voordracht over het Dadaisme en een bloemlezing uit zijn Dadaistische werken. Reeds bij het binnentreden van de goed gevulde zaal was het merkbaar, dat iets bijzonders te gebeuren stond. Alle bezoekers zaten met klein-formaat van plakbiljetten in de hand – een Dadaistisch program – waarop in een bonte warreling roode en zwarte letters, in groot en klein formaat schots en scheef door elkaar stonden, versierd met Dadaistische motieven, Da-Da-gedichten en allerlei onbegrijpelijke beelden.
      De schilder Theo van Doesburg opende de bijeenkomst met een korte inleiding waarbij hij trachtte een denkbeeld van het Dadaisme te geven. Sinds 1880, vertelt hij, is ons land voor iedere levensuiting hermetisch gesloten. Daarin zal Da-Da verandering brengen. Het is de uitgesproken vijand van de club-fauteuil-bourgeoisie, van den Hottentot, van den Konijnenfokker. Theoretisch is niet te beantwoorden wat Da-Da is. Het laat zich slechts in spontane handelingen verklaren.
      De spr. pauzeert even en achter in de zaal staat plotseling een heer op – die Kurt Sohwietters blijkt te zijn – die de verhandeling spontaan verduidelijkt door het uitbrullen van de gekste geluiden, als oeoeoeoe, rrrr, hiii, fetsfets, tantantan, éééé (daverend applaus en onbedaarlijke vroolijkheid).
      De heer van Doesburg vervolgt hierna zijn inleiding en betoogt, dat het Dadaisme de sterkste negatie is van alle cultureele waardebepalingen.
      Da-da is geen kunstbeweging, integendeel, het gaat in tegen den verschimmelden schijncultuur, het berust op reclame en suggestie. In een dogma ziet het een spijker om de vermolmde schuit onzer Westersche cultuur bijeen te houden. Voor vijftig procent heeft Da-Da geaccordeerd met deze maatschappij. Wat in haar latent leeft komt door het Dadaisme tot uiting.
      De Dadaist neemt geen enkele verantwoording voor onze cultuur op zich (vroolijkheid). Hij weet precies hoe men geest fabriceert. Da-Da is het phenomeen der phenomenen, het heeft geen vaderland en nationaliteit en is te gelijkertijd overal geboren. Het is ontstaan als verzet tegen den geheelen denkaard en den pharmaceutischen levensaard.
      Dadaist kan men niet worden, doch slechts zijn.
      Da-Da is een vogel op vier pooten, een ladder zonder sporten en een quardraat zonder hoeken.
      Da-Da voert den strijd tegen het vuil, tegen den franjedrek dezer maatschappij en daarbij onderscheidt het zich van het impressionisme, dat zich bij dat vuil aanpast. Het is niets – niet–niets! Weet u nu wat Da-Da is? (Langdurig applaus).
      De heer Kurt Schwietters staat opnieuw achter in de zaal op en laat zijn rrr’s en oe-geluiden de zaal indaveren (Vreugde).
      In de pauze bleek het auditorium de Dadaistische geluiden reeds zoo goed te hebben aangeleerd dat men niet anders hoorde dan deze kattenmuziek.
      Na de pauze ving Kurt Schwietter zijn voordracht aan over zijn Dadaistisch werk „Anne Blume”, en zijn satyre „Ursachen und Begin der grossen gloreichen Revolution in Revon”.
      Het was een aaneenschakeling van – voor onze begrippen – den meest denkbaren onzin nog wel door poppetjes op een doek toegelicht, waarbij hij honderdmaal achtereen herhaalde „da steht ein Mann”, gesproken, gezongen en gegild! Zoo tusschendoor floot hij, maakte muziek, en alles met het meest ernstige gezicht van de wereld. Het succes was groot De toehoorders brulden en deden de zaal daveren van allerlei krankzinnige geluiden.
      Toen kwam het muzikale gedeelte, Mevr. Van Doesburg gaf op een vleugel dadaistische muziek, een krokodillen-symphonie, een vogeltreurmarsch en een militaire marsch van een mier! Het geluid-effect deed denken aan een kat, die als een dolle over de pianotoetsen heen en weer holt. Jammer, dat de indruk eenigszins verloren ging door kikvorsch gekwaak dat achter uit de zaal kwam en hardnekkig aanhield. (Donderend applaus, na afloop der muzikale voordracht en geroep: Da-Da!)
      Tot slot droeg de heer Kurt Schwietters eigen gedichten voor in den trant van: wende, wende, wende, want, want want, 54, 58, 56 (geroep van: 57, 58 en „mijn”!) Als de dichter het alfabet van voren naar achteren en omgekeerd gaat opzeggen, zingend en schreeuwend, is het publiek niet meer te houden. Iedereen schatert van het lachen en een luid hoera-geroep weerklinkt. De voorzitter van de tooneelafdeeling van den Haagschen Kunstkring, de heer Heijting, tracht te vergeefs zioh verstaanbaar te maken.
      Ten slotte gelukt het hem stilte te verkrijgen en brengt hij den Duitschen Dadaist dank in het Dadaneesch en roept:
      Dom, dom dom, heel dom, heel dom, dom, dommer, domst! (Groote vroolijkheid en daverend applaus).
      Met een kattenballade werd de soiree besloten.

Overige vindplaatsen[bewerken]

  • Anoniem (12 januari 1923) ‘Dadaisme’, Provinciale Drentsche en Asser Courant, [p. 1] (gedeeltelijk).
  • Anoniem (13 januari 1923) ‘Het verdwaasde menschdom’, Nieuwe Hoornsche Courant, derde blad, [p. 1].