Vragen van den dag/Jaargang 14/Het dal der Semoys in de Belgische Ardennen

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Kijkjes in Noord- en Zuid-Nederland en in den vreemde. Het dal der Semoys in de Belgische Ardennen
Auteur(s) Aug. Gittée
Datum Januari 1899
Titel Kijkjes in Noord- en Zuid-Nederland en in den vreemde. - Het dal der Semoys in de Belgische Ardennen
Tijdschrift Vragen van den dag
Brontaal Nederlands
Bron Koninklijke Bibliotheek - Tijdschriften 1850 - 1940
Auteursrecht Publiek domein
KIJKJES IN NOORD- EN ZUID-NEDERLAND EN IN DEN VREEMDE.


HET DAL DER SEMOYS IN DE BELGISCHE ARDENNEN

_________

door

Aug. Gittée.

Het behoort voor menigeen zeker tot de niet minst aangename bezigheden waarmede men 's winters de lange avonden verkort, wat te bladeren in de nota's van de laatste reis, ze te ordenen, en wellicht ook al een plannetje te maken voor een volgende vacantie.

Het is mij in de laatste jaren meer dan eens opgevallen, hoe de toeloop der Nederlanders in België steeds grooter wordt. Sedert de bekende boekjes van den heer Perk bij het reizend publiek in zoo 'n hooge gunst zijn komen te staan, zijn de Belgische Ardennen ook in Nederland geen terra ignota meer. En dat om verschillende redenen. Allereerst wel om hun innerlijke waarde: de streek is zoo rijk aan natuurschoon, de lucht zoo heerlijk, zoo gezond! Heuvels, welke vaak den naam verdienen van bergen, liefelijke dalen waarin grillige riviertjes kronkelen, omzoomd nu eens met bosschen of beemden, dan eens met rotspartijen, dit alles vindt men in de Ardennen in een bevallige afwisseling. Menig Nederlander met wien ik sprak over het Belgische hoogland, verklaarde dit laatste te verkiezen boven de Rijnstreken, juist wegens de rijke verscheidenheid welke het aanbiedt. Maar... de hotels zijn er slecht.

Algemeen is deze klacht, doch ze wordt uitgesproken "onder ons," of eerst na het vertrek: immers, het leven is ongehoord goedkoop in de Ardennen! Stel u eens voor: twee gulden of een rijksdaalder kost de pension, en daarin is alles begrepen, zelfs de koffie na den eten. Aan 't berekenen van service en bougie denkt men veelal niet eens. Het blijft een raadsel, hoe zoo iets mogelijk is, en bij zulke matige prijzen stelt ook de Nederlander op reis geen al te hooge eischen.

Intusschen — het is verwonderlijk, dat de Hollander die athome erg kieskeurig is voor al wat zindelijkheid aangaat, op dit punt zooveel gewilligheid toont op zekere zeer bezochte plaatsen in de Belgische Ardennen. Ik heb hierbij meer in 't bijzonder het oog op Laroche. Al wie het stadje kent, weet hoe ellendig er de drie of vier hotels worden gehouden: van comfort geen sprake, van onzindelijkheid integendeel sporen overal!

Ik wil er maar niet op aandringen. Ik zou zekere realistische bevindingen moeten mededeelen, welke den een of anderen bezoeker er een volgend jaar wellicht den eetlust zouden benemen.

Wat een reisgids toch invloed kan oefenen! De groote vogue van Laroche komt — iedereen weet dat — door het boekje van den heer Perk, die voor de natuur in en om Laroche niet weinig lof over heeft. Zeer terecht, dàt wil ik niet tegenspreken; en juist daarom gaan de Hollanders, die met het Belgische bergland willen kennis maken, graag naar Laroche en niet naar elders.

*
  *   *  

Maar, omdat vermeld boekje deze voorkeur dreigt traditioneel te maken, wensch ik hier eenige woorden te zeggen omtrent een ander gedeelte der Ardennen, dat bij de jaarlijksche uitstapjes der Nederlanders hoogst zelden in aanmerking komt, en toch zulke on-populariteit allerminst verdient. Ik bedoel de Semoys, een riviertje heel in 't zuiden van Belgisch-Luxemburg.

Waarom ze ook daar niet komen, de reizende Nederlanders? — Heel eenvoudig, omdat de heer Perk er tamelijk koel over schrijft: omdat, ik zal 't maar ronduit bekennen — hij in genoemd boekje, dat overigens kwaliteiten bezit, dit gedeelte der Ardennen zeer onvolledig beschrijft; omdat hij het slecht gezien heeft, en de Semoys niet kent. Volgens Perk zou deze streek geen enkele plaats aanbieden die geschikt was tot een langer verblijf. Neen; de heer Perk, die de Ardennen lief heeft, weet niet wat al schoons er te zien is aan de Semoys; hij vermoedt dan ook niet, dat zij, in veel hoogere mate dan de Ourthe, zijn landgenooten zou bevallen, indien er maar eens iemand hun de waarheid zei.

Het zal den Nederlander — die zooveel reist — zeker niet afschrikken, dat de Semoys een stapje verder is dan de Ourthe. De spoorlijn Brussel-Namen-Arlon brengt u in een paar uurtjes meer tot de plaats uwer bestemming. Van Jemelle af zult ge goed doen u zoo mogelijk een plaats aan het raampje van uw wagen te verzekeren, want de lijn loopt door een valleitje, dat bekoorlijke gezichtspunten in menigte aanbiedt. Weldra verandert het landschap en gij krijgt een kijkje op de Luxemburgsche hoogvlakte, naakt en dor, wier eentonigheid slechts hier en daar door een denneboschje onderbroken wordt. Zijt gij eens het hoogste punt voorbij, zoo zakt gij in langzame glooiing, over het station Libramont, af naar de vallei, waar de Semoys doorheen kronkelt.

Gij kunt uw uitstapjes beginnen van Arlon uit, en deze schikking heeft het voordeel te leiden van schoon tot schooner. Velen, op gezag van de Belgische reisgidsen — tusschen haakjes wil ik u Jean d'Ardenne [1] heel goed, en Van Bommel,[2] minder goed doch zijn geld immer waard, aanbevelen — maken het reisje in de andere richting over Namen, het zeer schoone Maasdal tot Dinant — best te doen per boot — en van daar, na een bezoek aan Dinant natuurlijk, over de alles behalve zindelijke Fransche stadjes Givet en Monthermé.

Neem mijn raad, en doe het andersom.

Gij knoopt aan uw reisje op de Semoys des verkiezende een uitstapje naar Luxemburg en Trier; doch, in geval ge daar minder trek in hebt of beide plaatsen reeds kent, hoeft ge niet te sporen tot Arlon. Dan verlaat ge de spoorlijn te Libramont, en stijgt om naar Florenville.

Florenville op zich zelf heeft weinig te beteekenen. Wanneer ik zeg "weinig," zult gij wellicht vinden dat ik spreek als een verwend bergbewoner. Nu ja, den man uit de vlakte zal het gezicht van op het oude kerkhof bij de kerk te Florenville zeer waarschijnlijk in verrukking brengen. Voor velen is Florenville intusschen slechts een voorwendsel tot een bezoek aan de beroemde abdij van Orval. Tot het bezichtigen van ruïnen bestaat er in België ruime gelegenheid. Bouwvallen van middeleeuwsche burchten — ik wil hier slechts vermelden Montaigle bij Dinant en Laroche, beide prachtig, doch niet zoo merkwaardig als Vianden — komen in België nog veelvuldig voor. Niet minder loonend zult gij zeker een bezoek vinden aan de ruïnen van abdijen, waarvan België twee zeer belangrijke specimens bezit: Villers-la-Ville in Brabant en Orval in Luxemburg.

De abdij van Orval werd verbrand in 1793 tijdens de Fransche Revolutie. Zij was tot dan een echte monnikenstaat geweest, en de abt van Orval was heer en meester over niet minder dan 300 dorpen, gehuchten en hoeven, met een inkomen van meer dan 1.2000.00 franks. Geen wonder indien de abdij uitgestrekt was: alle beroepen, alle takken van nijverheid werden er uitgeoefend. Zoo 'n abt van Orval was een koning in 't klein: hij bezat het recht van lage en hooge justicie. De oude gerechtszaal is nog in tamelijk goeden toestand overgebleven, en de gids toont u nog de grondverhevenheid waarop gejusticieerd werd. Er was, zooals men ziet, heel wat afstand tusschen den abt van Orval op het einde der 18e eeuw en de eerste monniken. Als cenobieten of kluizenaars kwamen ze zich hier vestigen in de 6e eeuw, om er het heidensche geloof te bestrijden; hun woningen in dien tijd waren holen, welke zij zich in den wand van zekeren berg hadden gegraven. Deze berg draagt nog heden in 't volksgeloof den naam van feeënberg.

Er is een andere legende, waarmede ge wellicht, dank de spraakzaamheid van den gids, zult kennis maken. Orval moet namelijk val d'or of "vallei van het goud" beteekenen. Luister maar. Zekere prinses, Mathilde, de weduwe van Godfried met den Bult, liet eens haren trouwring vallen in een fontein, welke nog heden naar haar genoemd wordt. Natuurlijk hielp het aanroepen van de H. Maagd bij haar zoeken naar het verloren kleinood: want eensklaps zag zij aan de oppervlakte van 't water een visch met den vermisten ring in den bek.

Gelukkige tijden! Waarom zijn ook die altijd-twijfelende geschiedschrijvers gaan uitpluizen? Zij hebben dan ook ontdekt, dat gemelde Mathilde wel met Godfried was gehuwd geweest, doch nooit Italië had verlaten, en dus geen ringen was komen verliezen in deze wildernis. Om het even, ik houd het met het volksverhaal: zij wekken wellicht nog eenige illuziën, die zonderlinge vertellingen welke gewagen van "den tijd toen de dieren spraken."

Gij zult te Orval nog menige andere merkwaardigheid te beschouwen krijgen. De kelders nl. zijn een wonder in hun soort. Door zuilen gedragen, hebben de voorraadkamers — waarin de opbrengst der talrijke hoeven geborgen werd — niet minder dan 80 meter lengte. Als architectonisch overblijfsel is Orval zeer gewichtig, reeds om zijn hoogen ouderdom; de abdij dagteekent weliswaar uit de 10e eeuw, doch wegens de gestadige uitbreiding door de eeuwen heen vertoont zij voorbeelden van allerlei bouwstijlen.

Van Florenville uit is Orval zeer gemakkelijk te bereiken langs een breede lommerrijke baan. Het zuidelijk gedeelte van Luxemburg heeft wellicht de beste wegen van België.

Een dag of wat kan men dus best te Florenville vertoeven. Het dorp zelf zal u mogelijk tegenvallen: met zijn onaanzienlijke woningen en de hooge houtstapels daarvoor, heeft het alles behalve een welvarend uitzicht. Toegestaan; doch kijk eens goed uit uw oogen, en zeg mij of ge het pittoreske niet ziet van die huisjes — vaak nog in leem opgetrokken — met hun strooien daken, gebruind en verweerd, en hun talrijke kleurentinten, welke zich afteekenen op den beboschten gezichteinder, terwijl u overal die geurige harslucht treft, onafscheidbaar van streken waar slechts hout gestookt wordt.

Wij verlaten Florenville niet, zonder Chiny — een stad asjeblief, met 1600 inwoners — te hebben bezocht, en van hier uit een tochtje te hebben ondernomen op een gedeelte der rivier, waar zij in een enge rotskloof vloeit, zoodat gij van den hemel nog slechts een smalle strook te zien krijgt. Wij mogen verder niet verzuimen kennis te gaan maken met de Forges Roussel, een indrukwekkend landschap, en met de Epioux, een watergezichtje melancholisch omlijst door zwarte dennebosschen. Hebben wij dit alles gezien, dan gespen wij weer den reiszak en trekken over Bertrix naar een ander plaatsje, Herbeumont, van waar uit wij zeer gemakkelijk tal van punten zullen kunnen bereiken.

Herbeumont is het ware centrum voor een reisje op de Semoys. Oost en west, noord en zuid, zijn er kortere en langere uitstapjes te doen, langs uitstekend onderhouden wegen. Gij hebt — om er slechts een paar te noemen: het bergriviertje de Antrogne, de ruïne van Conques, een oud klooster, de prachtige weiden van de Mauleux, de lieve vallei van de Muno, een ander stroompje; houdt ge van vergezichten, dan de Route de Neufchâteau op, ongeveer een half uurtje ver, en uw blik overziet een wijd stuk hemel en aarde, met bosschen en rotsen, en aardkloven, waarin grillige beken zich klaterend verder spoeden. Verkiest gij het bosch, begeef u dan naar het Bois de Burzai — heel in de buurt — en geniet er vrij van de weldoende frischheid; of, ietwat verder, loop tot aan het kappelletje van St. Barbara den weg naar Neufchâteau op, en zak dan westwaarts af het groote bosch in, tusschen de baan en de Route des Ardoisières, langsheen een paar verlaten schaliegroeven. Uren lang zou men toeven in de lommerrijke dreven van statige beuken en eiken, met hun wonderbare mengeling van licht en donker. Of anders, houdt gij van slenteren, zoek dan de grillige rivier op, welke zich slingert als een slang om den heuvel waarop zich het kerktorentje van Herbeumont verheft, en vlij u neer in 't mollige gras langsheen den oever; alles noodigt u tot niets-doen, het warme zonnetje, het kalmvlietende water, het donzen tapijt, de geheimzinnige geluiden in het bosch op de helling nevens u. Nu eens komt een raaf door schril gekras de stilte verstoren, dan herinnert u een dartel opspringend vischje, dat het onder die schijnbaar beweginglooze oppervlakte nog van leven wemelt. Heerlijk is het, in zulk een rijke omgeving het alledaagsche midden te vergeten en — althans voor eenige weken — geen ander levensdoel te hebben dan zich aan de gezonde lucht te goed te doen en den vermoeiden geest weer tot rust te brengen.

Dan, heeft luieren zijn aantrekkelijkheid, een beetje inspanning heeft dat niet minder. Ik wil hopen dat gij niet opziet tegen wat te loopen? Niemand gaat immers van huis om zooveel vrijen tijd in pure vadsigheid te slijten. Wel, neem dan moedig den gaanstok ter hand en bereid u tot langere voetreisjes: zij ontbreken niet. Gij vindt ze alle aangeduid, geheel gecombineerd op het kaartje, waarover gij beschikt in het Hotel Vasseur te Herbeumont.

O! het Hotel Vasseur! Ik had bijna vergeten het hier te vermelden. Ik zei hooger een woord over de logementen in de Ardennen: gij hebt zeker al zelf moeten ondervinden hoe onvoldoende ze zijn. Wel, ik moet hier, om der waarheid wille, een paar uitzonderingen maken. Niets dan goed heeft men ooit te spreken gehad van het Hotel des Postes te Houffalize, van den Aigle Noir te Huy, van de Têle d'Or te Dinant, alsook, van Vasseur te Herbeumont. Laat ik, met betrekking tot het Hotel Vasseur, roemen èn zijn tafel, overvloedig, keurig, en verscheiden, èn de luchtige, vroolijke eetzaal, èn de gezellige confortabele tuinkamer, èn den smaakvol aangelegden tuin met zijn lommerrijke prieeltjes. Onbeperkten lof verdient verder de zindelijkheid welke er overal heerscht. Nederlander, voelt ge bij dit woord niet een nationale snaar trillen? En begrijpt ge, waarom de talrijke schaar der toeristen te Laroche steeds voortgaat met de bekende onzindelijkheid te dulden, zelfs zonder een woord van afkeuring of tegenspraak? Laat ik hier nog ten slotte — en deze woorden zou zeker beamen al wie ooit in Herbeumont verblijf hield — een woord van dank uiten tegenover de vriendelijke dames Vasseur, welke, zelve een voortreffelijke opvoeding genoten hebbende, weten welke eischen beschaafde lui aan het hotel mogen stellen. Al de kleine zorgen, welke den reiziger eenigszins doen vergeten dat hij van huis is, en welke hij minder gaarne mist dan den gerokten kelner, wel, die vindt ge alle in de voorkomendheid der dames Vasseur.

Nu zou ik ook wel benieuwd zijn te weten, hoe de heer Perk eraan komt, dat er in dit zoo uitstekend ingericht logement geen rijtuigen zouden te krijgen zijn. Gij vindt er integendeel van verscheidene soorten te uwer beschikking, als ge soms tegen wat loopen opziet, om kortere en langere rijtoeren te ondernemen. Deze laten zich combineeren in alle richtingen: op één dag kunt ge best van hier uit Florenville en omstreken bezoeken; op één dag mede rijdt ge naar Bouillon, over het gansch moderne, doch bezienswaarde Château des Amerois, het eigendom van den graaf van Vlaanderen.

Wij zullen echter de rijtoertjes laten voor de minder geharden in het loopen, welke dan ook juist daarom minder toegang hebben tot de schoonheden door de natuur vaak met zekere hinderpalen omringd. Volg mij dus liever op langere voetreisjes, liefst van in de vroegte — 't is zoo geurig op het land in de eerste morgenuren — want verder op den dag zou het zonnetje licht eens al te vriendelijk mogen schijnen.

Een heerlijke toer is het van Herbeumont naar de Epioux, reeds genoemd, steeds door prachtige bosschen, met afwisselende gezichten op de Semoys. Wapen u intusschen met een goede kaart, want gij zoudt licht verdwalen in de groene wildernis. Wilt gij u echter zonder veel moeite terugvinden door het bosch, doe dan als Klein-Duimpje, dat de twijgen afbrak overal waar het voorbij was gegaan.

Na kennis te hebben gemaakt met de onmiddellijke omstreken van Herbeumont, zult gij ongetwijfeld den benedenloop van de rivier willen zien, vooral daar dit gedeelte doorgaat voor het schoonste wat het Belgische hoogland aanbiedt. Op een morgen nemen wij dus afscheid voor drie vier dagen van ons hoofdkwartier, om nog dienzelfden avond in Bouillon te overnachten.

Over Mortehan met zijn sombere indrukwekkende rotspartijen en het daarachter verscholen Cugnon, willen wij de steile hoogte van Auby beklimmen. Gij kunt, als ge 't niet reeds vroeger eens gedaan hebt, hier een bezoek brengen aan de grot van S. Remacle; ik vrees evenwel, dat gij, trots het oordeel van den heer Perk, dit een teleurstelling zult vinden: niet het uitzicht intusschen op de rivier, welke heel daar onder in de diepte vloeit, en waarop gij met bewondering neerkijkt. De heilige Remacle, die hier in de 7e eeuw het Christendom kwam prediken, bewoonde dit hol met geen ander gezelschap dan zijn ezeltje. Toen dit laatste zich echter eens te buiten was gegaan aan de distels bezijden den weg, viel het in de strikken van Satan, die, onder de gedaante van een wolf, het beestje met huid en haar verslond. Doch de Booze ontsnapte niet aan zijn rechtmatige straf; want terwijl de slokker nog aan 't laatste hapje was, verscheen op eens Langoors meester op het tooneel, en wierp den helschen misdadiger een rozekrans om den nek. Die rozekrans nu was gemaakt met stukjes van 't ware kruis: geen middel dus om vrij te komen. Satan moest dan ook in 't gareel loopen, en het werk van den ezel verrichten jaren aaneen, tot de miraculeuze rozekrans op zekeren dag brak. Satan was verlost, en liet niets achter dan zijn wolfshuid, welke natuurlijk door den vromen kluizenaar ten vure gedoemd werd.

Na zoo 'n klim hebben wij wel een oogenblikje rust verdiend, want er wacht ons nog heel wat weg, over Les Rayons, met een heerlijk uitzicht op een romantisch bijstroompje van de Semoys, de Alanes, en door de Roche trouée, een machtig rotsmassief waar de weg doorheen loopt. Bij het dichtende volk golden deze rotsen, waarvan de top in het patois der streek Li Hultai heet, voor een verblijfplaats der feeën. Eigenaardig is het, dat slechts op de Semoys, onder al de rivieren der Ardennen, van feeën gesproken wordt. Goedaardig waren deze geesten uit het voorchristelijke heidendom ook hier; zij wilden slechts niet gestoord worden, en toen dit evenwel toch plaats had — zeker ten gevolge van de steeds aangroeiende nieuwsgierigheid van den modernen mensch — verlieten die behulpzame geesten hun aloude verblijfplaatsen de eene na e andere. Hun aandenken leeft nog heden — doch zeer zwakjes — in het geheugen van het oudere geslacht.

De weg is bekoorlijk, een bosch rechts, de rivier links, schilderachtig doorzaaid met groene eilandjes. Met breede zwenking kromt zich de weg weldra naar rechts en dadelijk ziet men midden in 't loover en op een heuveltje, het wit gekalkte en met schaliën gedekte torentje van Dohan. Hier vindt ge een bescheiden herberg, waar gij u, bij matige eischen, kunt restaureeren, en voor den namiddag houden wij dan de kleinere helft der wandeling. Van Dohan tot Bouillon loopt de weg een heelen tijd op een aanzienlijke hoogte, met verrukkelijke vergezichten op de slingeringen der rivier, tot ge eindelijk, na een paar uur, op eens het stadje Bouillon onder u in de diepte ziet opdoemen. Ge zijt wellicht blij het einde der dagtaak te bereiken, wegens al dat klimmen en dalen? Nu ja; doch loonend was het tochtje zeker, want de vallei neemt steeds toe in wilde schoonheid.

Hoe de vermoeidheid ook moge nijpen, toch willen wij nog het kasteel van Bouillon bezoeken, dat op de rots hoog boven het stadje prijkt. Een curiositeit, dat kasteel, beter: die vesting!

Zij is oud; zij bestond reeds in de 10e eeuw. Is het uitwendige weinig beteekenend, het inwendige zal u des te merkwaardiger toeschijnen, indien gij u wel te verstaan niet te zeer ergert aan den pedanten gids, die op statigen toon en met een neusstem zijn van buiten geleerd lesje opdreunt. De eene zaal volgt op de andere: de eene gang op de andere; casematten en oublietten, gevangenhokken en souterrains, alles vindt gij er nog; tot den "zetel" van Godfried van Bouillon toe, een in de rots gehouwen trede ergens in een verloren hoekje. Daar trok zich de held der eerste kruistocht terug, wanneer hij zijn gedachten wilde bijeenhouden. Zoo zegt de legende; ook de gids, en gij doet maar best het niet te betwijfelen. Gij zult, na een half uur in die muffe sterkte te hebben doorgebracht, trap op trap af sukkelend, het zeker een aangename verrassing vinden, wanneer ge, eindelijk op het hoogste terras gekomen, weer in de open lucht de stoute ligging van het kasteel kunt bewonderen, met het kleine stadje gegroepeerd in de diepte als onder den beschermenden vleugel der vesting. Gij ziet de wegen in de vier richtingen er zich uit verwijderen. Gij volgt van hier den slangenloop der Semoys, welke het plaatsje in tweeën snijdt: hier, het oudere gedeelte; daar aan gene zijde der brug — waarop vroeger gehangen en gehalsrecht werd — het nieuwere Faubourg de France ... Faubourg de France! Wat een pompeuze naam voor dat dozijn huizen die zich uitstrekken langsheen de Route de France! We zijn hier namelijk bij de grens, en de bewoners van Bouillon zijn niet weinig trotsch op deze nabijheid. Zij verklaren dan ook dat zij "bijna" Franschen zijn; en inderdaad, nauwelijks weten zij dat zij tot België behooren, en hebben reeds menigen karaktertrek gemeen met hun buren. Geen wonder ook: al hun relatiën hebben zij in het naburige Frankrijk; geen plaats van belang ligt er in de omstreken op uren afstand. Zij zijn derhalve slechts in gemeenschap met Sedan, en zoo viel Bouillon in 1870 het voorrecht te beurt talrijke vluchtelingen en gevangenen te herbergen.

Een van de gevangenen was niemand minder dan Napoleon III: hij bracht den nacht door te Bouillon, in het Hôtel des Postes, een zeer ordinair logement, waar men u nog heden als een curiositeit de kamer aanwijst. Dit hotel, waar ge u wellicht wat minder slecht zult bevinden dan in het andere, wordt gehouden door een gewezen dokter. De kwade tongen beweren dat hij nu de gezonden verzorgt, om boete te doen voor zijn carrière als practiseerend arts. Wij laten de zaak liever in 't midden, en zeggen Bouillon reeds den volgenden morgen vaarwel.

Er wacht ons een lastige dag. Wij klimmen langzaam weer op noordwaarts, en slaan weldra af naar 't westen, om zooveel als doenlijk langsheen de rivier te blijven. Een kort poosje is dit mogelijk; spoedig echter moeten wij ze links laten liggen, om een bestijging te beginnen, welke ons brengt, na anderhalf uur evenwel, te Botassart, heel op de hoogte.

Een vermoeiende tocht, zeker; doch, wat een panorama! Niets dan bergen en dalen! De eene vallei achter de andere, en den loop der Semoys zult ge te vergeefs met het oog pogen te volgen. Niet eene rivier in de Belgische Ardennen beschrijft zooveel bochten als deze. In de vogelvlucht bedraagt haar lengte slechts 90 kilometer, in de werkelijkheid echter klimt dit getal tot het dubbel. Gij zoudt u wanen midden in een streek vol spleten en kloven, met tal van valleien alle van elkaar onafhankelijk; en toch is het altijd dezelfde, met de grillige rivier welke, evenals de processie te Echternach, drie stappen vooruit doet en twee achteruit; welke, na een kromming van een paar uur, weer tot dicht bij haar uitgangspunt terugkeert om plotseling als een slang vooruit te schieten. Zij neemt er als het ware genoegen in om den weg der scholieren te volgen.

Het gezicht van de hoogte van Botassart is eenig in België. Geen heuvels zijn het meer, bergen zijn het in den vollen zin des woords, met vaak een hoogte van een paar honderd meter boven den spiegel der Semoys. Geen gedeelte der Belgische Ardennen is zoo geaccidenteerd, zoo verwrongen; geen zoo rijk aan gevarieërde landschappen, aan uitgestrekte horizonnen; en nog lang behoudt de vallei, die ge echter op een afstand en van uit de hoogte volgt, dit imposant karakter. Gij vindt de Semoys niet terug voor Rochehaut, van waar gij de rivier weer heel in de diepte aan uwe voeten ziet, tusschen hellingen bijna als muren zoo steil. Hier beschrijft zij nogmaals een enorme kronkeling; gij ziet ze komen en weer gaan, altijd door geprangd tusschen met bosch bekroonde bergen, den voet omstroomen van een vooruitgeschoven landtong, welke in zachte glooiing afdaalt tot aan den oeverrand en een echt schiereiland vormt; een dorpje, Frahan, een tiental woningen, prijkt er midden in veld en weiland, met een achtergrond van somber dennengroen. Zoo hoog staat ge erboven, dat de menschen dwergjes schijnen.

Een plekje om er te toeven, dat Rochehaut! Gij vindt er daarenboven misschien genoegen om er den kastelein zijn herinneringen te hooren ophalen van den Fransch-Duitschen oorlog, toen de bewoners hier op slechts twee drie uur afstand, het kanon hoorden bulderen, en na het onheil van Sedan overal soldaten zagen verschijnen. Vluchtelingen en gewonden in menigte; losloopende paarden allerwegen, geweren en allerlei wapens bij hoopen weggeworpen in haag en heg! Chassepots heeft men toen geruild voor een pijp tabak. Hoogst kurieuze herinneringen hebben de grensbewoners te verhalen uit dien bewogen tijd, en het laat zich goed begrijpen dat zij toenmaals gedurende een paar weken niet te best op hun gemak waren. In geval de wandeling in de milde zomerzon u niet te zeer heeft afgemat, is het raadzaam nog een klein uurtje verder te loopen, langs een gemakkelijk pad dezen keer: te Alle, in het bekende Hotel Hoffman, zult gij een voldoende onderkomen vinden. Gij kunt er best even uitrusten en er den tijd korten met tal van kleine uitstapjes. De vallei bezit echter reeds hier minder karakter; het schoonste gedeelte der Semoys hebben wij achter den rug. Toch is het loonend, de rivier nog verder te volgen, gedurende een dag of twee, welke mede tamelijk vermoeiend kunnen worden. Schilderachtige hoekjes zullen nog in menigte uw oogtreffen, en Vresse en Membre, trots hun bescheidener grondaccidenten, zullen u ongetwijfeld bevallen.

Onder de bekoring van zooveel schoons komt bij u wellicht de lust op het reisje nog wat te rekken, tot aan de monding der rivier te Monthermé over de Fransche grens. Wij verkiezen echter van Vresse uit weer naar ons hoofdkwartier te Herbeumont terug te keeren, en aan een der tusschenstations op de spoorlijn Bertrix-Gedinne den trein te gaan halen. Het valleitje dat wij met dit doel thans volgen, mag, in geen geval ongezien blijven. Het stroompje dat er door heen vloeit, heet le Ruisseau de Petit Fays, naar een dorpje dat er langs ligt, en heeft verrukkelijk schoone plekjes, wier woeste wanorde aan den Reichenbach — in miniatuur — herinnert. In zachte stijging volgt de baan het liefelijke dal, tot zij het bergstroompje voor goed vaarwel zegt en de hoogvlakte bereikt. Naarmate deze te voorschijn treedt, ziet men de vallei der Semoys zich in de blauwende verte verliezen. Weldra blijft er niets meer van over dan een vage gebroken lijn, welke, afgeteekend door het sombergroen der bosschen, meer en meer door den nevel wordt uitgewischt, terwijl zich voor ons de vlakte uitstrekt, soms nog in haar eenvormigheid onderbroken door een onbeduidende inzakking van den grond. Wij verademen, wanneer wij, aan 't einde van den stofferigen kalk weg, het stationsgebouw van Bièvre ontwaren, en met wezenlijk genot zitten wij 's avonds weer aan den geurigen disch te Herbeumont, waar het smakelijk toebereid souper de uitgestane vermoeienissen weldra weer doet vergeten.

Geen wonder dat wij, na die weelde van heilzame lichaamsbeweging in de wilde bergnatuur, in de eerstvolgende dagen dubbel zoet vinden het ons wat gemakkelijk te maken.

In zulke oogenblikken kijkt men eens om zich in de onmiddellijke omgeving. Die kleine wereld daar rondom ons, welke haar eenvoudig leven leeft met een eentonigheid die ons — menschen uit de steden een intense geesteswerkzaamheid — schrik inboezemt, biedt ons een en ander aan, dat wel onze aandacht waardig is.

Gij hebt zeker al gelet op het eigenaardige hoofddeksel der boerinnen alhier, algemeen nog gedragen in de zuidelijke Ardennen, wellicht, met den vrouwenhoed uit de Antwerpsche Kempen, de eenige overblijfselen in België van de oude kleurrijke kleederdrachten, thans overal verdrongen door de Parijzer mode. — Vindt gij niet dat groepje dorpskinderen, die daar midden onder zwijnen en ganzen op het dorpsplein tuimelen of in het slijk ploeteren, in de hoogste mate pittoresk? En als gij vroeg genoeg uit de veeren zijt, kunt gij wellicht eens getuige zijn van het vertrek der dorpskudde, hoofdzakelijk bestaande uit geiten en zwijnen, waggelend gevolgd door een troepje logge ganzen; en soms, later op den dag, wanneer er een hond komt aangestoven, of een bengel de rust der dieren door een of ander plagerij stoort, zetten de ganzen een keel op als een bakoven, en dit brengt dan heel wat leven in de brouwerij. Krijg den dorpsherder eens aan 't praten, doch zorg vooreerst zijn tong te lossen door middel van een sigaar; hij zal u pikante bijzonderheden mededeelen over zijn betrekking. Hij is namelijk gemeenteambtenaar, met een salaris van 50 cents per dag; doch zijne kost erlangt hij van de boeren, wier dieren hij hoedt en elken dag heeft hij daarom het voorrecht in een andere woning te gast te zijn.

Hij is een der dorpstypen, en deze leert gij langzamerhand ook kennen. Ten gevolge van het geestelijk isolement, waarin gij u thans bevindt en dat een zoo weldadigen invloed oefent op het overprikkeld organisme, begint gij allicht eenig belang te stellen in de locale bevolking en begrijpt gij de landlieden des te beter. Gij gaat, bij een eenigszins langer verblijf, van lieverlede op in het dorpsleven. Al de kleine evenementjes, welke in het bestaan der dorpsbewoners een oogenblik de aandacht trekken, worden alzoo ook eenigszins tot de uwe, en menigeen heeft aldus een innig genoegen gesmaakt om nu en dan met die eenvoudige menschen een praatje te houden, hun ervaringen te vernemen, hun zorgen te deelen, naar hun indrukken te luisteren. Neen, ledig zijn die hoofden niet: zij zijn even werkzaam als de onze, doch hun denkvermogen heeft een ander doel dan het onze en is gericht op andere voorwerpen dan die welke ons in beslag nemen. Zulke wisseling van gedachten werkt verfrisschend op de stadsmenschen: zij komen weer nader tot de natuur en worden meer ontvankelijk voor hare indrukken.

De afdwaling waaraan ik mij op dit oogenblik schuldig maak, is wellicht juist een gevolg van de zeer aangename herinneringen, welke mij van mijn herhaalde reisjes op de Semoys en in 't bijzonder van Herbeumont zijn bijgebleven. Meer wilde ik den lezer dan ook niet vertellen; ik wenschte hem een plekje te doen kennen, bevoorrecht door de natuur, dat als zomerverblijf talrijke voordeelen aanbiedt, waar het daarenboven nog landelijk toegaat; waar men het goed kan hebben; en ik vertrouw, dat hij, die op mijn raad zou ingaan, allen grond zou hebben om zich over het experiment te verheugen.

Noten[bewerken]

  1. L'Ardenne — Guide du touriste et du Cycliste. Bruxelles, Rozez (3 deeltjes à 3 fr.; het 1e behandelt de Semoys).
  2. Guide de l'Excursionniste. Bruxelles, Lebègue, 3 fr.