Wesendonck-Lieder (Wagner)

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Wesendonck-Lieder

Auteur Richard Wagner/Mathilde Wesendonck
Genre(s) lied
Brontaal Duits
Datering 1857
Vertaler August Agasi
Bron
Auteursrecht Publiek domein
Logo Wikipedia
Meer over Wesendonck-Lieder op Wikipedia
DER ENGEL DE ENGEL
In der Kindheit frühen Tagen

Hört ich oft von Engeln sagen,
Die des Himmels hehre Wonne
Tauschen mit der Erdensonne,

Daß, wo bang ein Herz in Sorgen
Schmachtet vor der Welt verborgen,
Daß, wo still es will verbluten,
Und vergehn in Tränenfluten,

Daß, wo brünstig sein Gebet
Einzig um Erlösung fleht,
Da der Engel niederschwebt,
Und es sanft gen Himmel hebt.

Ja, es stieg auch mir ein Engel nieder,
Und auf leuchtendem Gefieder
Führt er, ferne jedem Schmerz,
Meinen Geist nun himmelwärts!

In mijn vroege kinderjaren

Zei men dat er engelen waren,
Die de hemelse zaligheden
Ruilden voor de zon beneden,

Als een hart verkwijnt in zorgen
Smacht voor iedereen verborgen,
Als het heimelijk gaat tanen,
Storten zijn vloed van tranen,

Als hoe vurig zijn gebed
Smeekt hoe worde ik gered,
Dan daalt er een engel neer,
Heft de bede naar hemelse sfeer.

Ja, ook mij verscheen een engel,
Vleugels die ik vrij omstrengel,
Die verlost mij van mijn smart,
Draagt ten hemel nu mijn hart.

STEHE STILL! STA STIL !
Sausendes, brausendes Rad der Zeit,

Messer du der Ewigkeit;
Leuchtende Sphären im weiten All,
Die ihr umringt den Weltenball;
Urewige Schöpfung, halte doch ein,
Genug des Werdens, laß mich sein!

Halte an dich, zeugende Kraft,
Urgedanke, der ewig schafft!
Hemmet den Atem, stillet den Drang,
Schweiget nur eine Sekunde lang!
Schwellende Pulse, fesselt den Schlag;
Ende, des Wollens ew'ger Tag!
Daß in selig süßem Vergessen
Ich mög alle Wonnen ermessen!

Wenn Aug' in Auge wonnig trinken,
Seele ganz in Seele versinken;
Wesen in Wesen sich wiederfindet,
Und alles Hoffens Ende sich kündet,
Die Lippe verstummt in staunendem Schweigen,
Keinen Wunsch mehr will das Innre zeugen:
Erkennt der Mensch des Ew'gen Spur,
Und löst dein Rätsel, heil'ge Natur!

Suizend, ruizend rad der tijd,

Jij meetlint van de eeuwigheid;
Stralende sferen in het verre al,
Jullie omringen de wereldbol;
Oeroude schepping, kom tot staan,
Genoeg geschapen, laat mij bestaan!

Houd je in, scheppende kracht,
Oergedachte, eeuwige macht!
Adem rustig, beheers je drang,
Zwijg een enkele seconde lang!
Kloppende pols, verzwak je slag;
Stop die wil naar een eeuwige dag!
Dat in heerlijk zoete vergetelheid
Al mijn gelukzaligheid gedijt!

Als oog in oog het geluk blinkt,
De ene ziel in de ander verzinkt;
Twee wezens elkaar hebben hervonden,
Al wat is verhoopt heeft plaats gevonden,
De lippen stom verwonderd zwijgen,
Geen wens de ziel meer wil ontstijgen:
Dan erkent de mens eeuwige duur
En vat uw raadsel, heilige natuur!

IM TREIBHAUS IN DE KAS
Hochgewölbte Blätterkronen,

Baldachine von Smaragd,
Kinder ihr aus fernen Zonen,
Saget mir, warum ihr klagt?

Schweigend neiget ihr die Zweige,
Malet Zeichen in die Luft,
Und der Leiden stummer Zeuge
Steiget aufwärts, süßer Duft.

Weit in sehnendem Verlangen
Breitet ihr die Arme aus,
Und umschlinget wahnbefangen
Öder Leere nicht'gen Graus.

Wohl, ich weiß es, arme Pflanze;
Ein Geschicke teilen wir,
Ob umstrahlt von Licht und Glanze,
Unsre Heimat ist nicht hier!

Und wie froh die Sonne scheidet
Von des Tages leerem Schein,
Hüllet der, der wahrhaft leidet,
Sich in Schweigens Dunkel ein.

Stille wird's, ein säuselnd Weben
Füllet bang den dunklen Raum:
Schwere Tropfen seh ich schweben
An der Blätter grünem Saum.

Hoog gewelfde bladerkronen,

Baldakijnen van smaragd,
Kinderen uit verre regionen,
Zeg mij, wat is jullie klacht?

Zwijgend buigen jullie je twijgen,
Schrijven tekens in de lucht,
Leed waarover jullie zwijgen
Stijgt omhoog, een zoete zucht.

Smachtend van verlangen,
Spreiden jullie je armen wijd,
En omhelzen door waan bevangen
Niets dan leegte en verlatenheid.

Weten doe ik het, arme planten;
Eender lot vormt onze band,
Licht omstraalt ons van alle kanten,
Maar geen glans van het vaderland!

Vrolijk als de zon zal scheiden
Van een ijdel beschenen dag,
Legt hij die waarlijk weet van lijden,
Op zwijgend duister zijn beslag.

Stil wordt het, suizelend weven
Vult de duisternis met schroom
Zware druppels zie ik zweven
Aan de bladeren rond hun zoom.

SCHMERZEN SMART
Sonne, weinest jeden Abend

Dir die schönen Augen rot,
Wenn im Meeresspiegel badend
Dich erreicht der frühe Tod;

Doch erstehst in alter Pracht,
Glorie der düstren Welt,
Du am Morgen neu erwacht,
Wie ein stolzer Siegesheld!

Ach, wie sollte ich da klagen,
Wie, mein Herz, so schwer dich sehn,
Muß die Sonne selbst verzagen,
Muß die Sonne untergehn?

Und gebietet Tod nur Leben,
Geben Schmerzen Wonne nur:
O wie dank ich, daß gegeben
Solche Schmerzen mir Natur!

Zon, je weent iedere avond

Smartelijk je mooie ogen rood,
Als in de zeespiegel al badend
Jou bereid wordt een vroege dood;

Maar je verrijst in al je pracht,
Zegevierend over het duister,
’s Morgens ontwaakt met hernieuwde kracht,
Als een trotse held in al zijn luister!

Ach, wat zou ik durven klagen,
Mijn hart, jou zo te zien ontdaan,
Moet de zon soms zelf versagen,
Moet de zon dan ondergaan?

Gebiedt de dood alleen het leven,
Brengt pijn slechts gelukzaligheid:
O hoe dank ik dat mij is gegeven
Voor zulke pijnen een gevoeligheid.

TRÄUME DROMEN
Sag, welch wunderbare Träume

Halten meinen Sinn umfangen,
Daß sie nicht wie leere Schäume
Sind in ödes Nichts vergangen?

Träume, die in jeder Stunde,
Jedem Tage schöner blühn,
Und mit ihrer Himmelskunde
Selig durchs Gemüte ziehn!

Träume, die wie hehre Strahlen
In die Seele sich versenken,
Dort ein ewig Bild zu malen:
Allvergessen, Eingedenken!

Träume, wie wenn Frühlingssonne
Aus dem Schnee die Blüten küßt,
Daß zu nie geahnter Wonne
Sie der neue Tag begrüßt,

Daß sie wachsen, daß sie blühen,
Träumend spenden ihren Duft,
Sanft an deiner Brust verglühen,
Und dann sinken in die Gruft.


Welke wonderlijke dromen

Houden mijn ziel in hun macht,
Dat zij vluchtig als fantomen
Niet als nietig worden ontkracht?

Dromen, die op ieder uur,
Alle dagen mooier bloeien,
En met hun goddelijk vuur
Zalig mijn gemoed doorgloeien!

Dromen, jullie verheven stralen
Dalen diep in de ziel neer,
Geven met eeuwig zegepralen
Onvergetelijk een beeld weer.

Dromen, die als de voorjaarszon
Sneeuw ontstegen bloempjes kust,
Welke dank zij deze zalige bron
Op de nieuwe dag zijn toegerust.

Dat zij groeien, dat zij bloeien,
Dromend geven hun geuren af,
Zachtjes aan jouw borst vergloeien,
En dan verzinken in het graf.