Wetboek op de regterlijke instellingen en regtspleging in het koningrijk Holland/Eerste boek/Tweede titel/Achtste hoofdstuk

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
zevende hoofdstuk Wetboek op de regterlijke instellingen en regtspleging in het koningrijk Holland


(eerste boek, tweede titel, achtste hoofdstuk)

negende hoofdstuk
ACHTSTE HOOFDSTUK.

VAN DE VACANTIEN.

Artikel 202[bewerken]

De vacantiën zullen zijn vier in 't jaar; eene winter-vacantie, beginnende den laatſten zaturdag vóór kersmis, eene vacantie, beginnende eene week vóór paasſchen, en eene vacantie, beginnende eene week vóór pinkſter, ieder durende twee weken; en eene zomer-vacantie, beginnende op den zaturdag vóór of op den twintigſten van hooimaand, en durende zes weken.

Artikel 203[bewerken]

De gewone vergaderingen van den raad zullen gedurende de voorzeide vacantiën ſtilſtaan; doch zal het beleggen van informatiën, het doen van inſpectiën, of het nemen van zoodanige dispoſitiën in criminele zaken, welke uit haren aard ſpoed vereiſchen, als mede het verhooren van gevangenen, uit hoofde van de vacantiën niet mogen worden verſchoven, nocht achtergelaten; ook zal men disponeren op alle requesten, welke zonder nadeel van partijen geene vertraging kunnen lijden; ten welken einde altijd een genoegzaam aantal leden zich in de reſidentie zal moeten bevinden.

Artikel 204[bewerken]

De preſident zal ook in de vacantiën buitengewone vergaderingen mogen beleggen, en, des noods, de afwezende leden doen beſchrijven, zoo dikwijls de dienst der juſtitie dit een of ander zal vereiſchen; en zullen alle de leden, die meer dan twee dagen willen van huis gaan, moeten zorgen, dat men kan weten, waar zij zich waarſchijnlijk zullen ophouden.