Wetboek op de regterlijke instellingen en regtspleging in het koningrijk Holland/Eerste boek/Tweede titel/Zevende hoofdstuk

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
zesde hoofdstuk Wetboek op de regterlijke instellingen en regtspleging in het koningrijk Holland


(eerste boek, tweede titel, zevende hoofdstuk)

achtste hoofdstuk
ZEVENDE HOOFDSTUK.

VAN DEN GRIFFIER EN SUBSTITUUT-GRIFFIER.

Artikel 188[bewerken]

De griffier zal beſtemd zijn tot het bijwonen van den raad, en de commisſiën en comparitiën daaruit voortvloeijende, en niet behoorende tot de rolle, noch ſtrekkende tot het doen van inſpectiën, of verhooren van getuigen of beſchuldigden; welk een en ander zal behooren tot de functiën van den ſubſtituut-griffier.

Artikel 189[bewerken]

De griffier zal altijd tegenwoordig moeten zijn bij de vergaderingen, zoo gewone als buitengewone, ten zij hij door ziekte of andere volſtrekte beletſelen verhinderd, of daarvan om gewigtige redenen door den preſident verſchoond wordt.

Artikel 190[bewerken]

Hij heeft onder zijne zorg en bewaring alle effecten en gelden, die ter griffie van den hove opgebragt worden, en ſtelt daarvoor zoodanige zekerheid, als door den Koning zal worden bepaald.

Artikel 191[bewerken]

De ſubſtitut-griffier zal, wanneer het hof vergaderd is, en op zoodanige andere tijden ten hove moeten zijn, als hem zal worden aangezegd en voorgeſchreven, ten zij hij door ziekte of andere volſtrekte beletſelen verhinderd, of om gewigtige redenen door den preſident deswegens verſchoond wordt.

Artikel 192[bewerken]

Indien op tijden, wanneer het hof niet vergaderd is, een request inkomt, tot de kennisneming van commisſarisſen van de rolle behoorende, is hij verpligt, mits daarvan door den verzoeker gewaarſchuwd, zich bij commisſarisſen te vervoegen, ten einde de dispoſitie daarop te vernemen, en het noodige te verrigten.

Artikel 193[bewerken]

Onverminderd deze afzondering van werkzaamheden, ook in de manier van procederen voorkomende, zullen de griffier en ſubſtituut-griffier, bij ziekte, wettige verhindering, menigvuldige ambtsbezigheden of toegeſtane afwezendheid van één hunner, de een des anderen post waarnemen, ter bepaling van het hof; hetwelk deswegens, en omtrent de regeling van de werkzaamheden van griffier en ſubſtituut-griffier, zoodanig reglement zal maken, als het zal verſtaan te behooren.

Artikel 194[bewerken]

Indien de griffier en ſubſtituut-griffier, of één hunner, in de vacantiën begeeren van huis te gaan, zullen zij alvorens, ten genoege van den preſident, ſchikkingen moeten maken, omtrent het waarnemen van de zaken, gedurende hunne afwezendheid. Indien deze zal zijn voor meer dan twee dagen, zullen zij moeten zorgen dan men kan weten waar zij zich waarſchijnlijk zullen ophouden, om daar te kunnen worden beſchreven.

Artikel 195[bewerken]

De griffier en ſubſtituut-griffier zullen getrouwelijk aanteekenen en te boek ſtellen, al wat hun bij den raad of commisſarisſen zal belast worden, mitsgaders opmaken, onderteekenen en expediëren alle brieven, depêches, acten, reſolutiën, fenrentiën en alle andere ſtukken, waartoe bij den raad of commisſarisſen gereſolveerd zal zijn; voorts doen aanleggen en bijhouden al zulke registers, als bij het hof zal worden goedgevonden, en ſtiptelijk geheim houden, al het geen behoort geheim te blijven.

Artikel 196[bewerken]

Zij zullen zich wijders, in en omtrent de uitoefening hunner functiën, gedragen naar het geen bij het hof of commisſarisſen zal worden goedgevonden.

Artikel 197[bewerken]

Zij mogen hunnen post niet uitoefenen in, noch de raadplegingen bijwonen over zaken, waarin een of meer van de partijen hun beſtaan in den vierden of naderen graad van bloedverwantſchap, tegenwoordige of voormalige zwagerſchap.

Artikel 198[bewerken]

Zij zullen aan partijen, hun verder dan voorſchreven graad beſtaande, en die zij weten of vermoeden, dat eenig proces of andere zaken bij het hof hebben of zullen krijgen, of in welker zaken door het hof zal moeten worden geadviſeerd, deswegens geen advis mogen geven.

Artikel 199[bewerken]

Zij mogen, direct noch indirect, eenige giften, gaven of geſchenken aannemen, genieten of zich doen toezeggen, van zoodanigen, die hun verder dan in den voorſchreven vierden graad beſtaan, en die zij weten of vermoeden, eenig proces of andere zaak voor het hof te hebben, of te zullen krijgen, of in welker zaken door het hof zal moeten worden geadviſeerd, of waarin zij als griffier of ſubſtituut-griffier werkzaam zijn geweest; al waren het ook de geringſte geſchenken van ſpijs of drank, zoo verre, ten aanzien der laatstgemelde, de minſte vermoedens daarbij konden plaats hebben, dat die ter contemplatie van bovengenoemde zaken gedaan wierden.

Artikel 200[bewerken]

Indien zij ontdekken eenige geſchenken door anderen ten hunnen behoeve ontvangen, of aan dezelven ten hunnen reſpecte gegeven te zijn, of ook dat zij zelve die, onwetende of onbedacht, hebben aangenomen; zullen zij daarvan dadelijk aan het hof kennis geven, en het zij de ontvangene geſchenken weder terug zenden, indien dit kan geſchieden, het zij de waarde van dezelve uitkeeren, op zoodanige wijze als het hof zal goedvinden.

Artikel 201[bewerken]

Zij zullen alle jaren, bij de eerſte gewone zitting na de winter-vacantie, of wel anders bij de eerſte gelegenheid, in den raad uitdrukkelijk moeten verklaren, dat zij, zoo veel zij weten, zich hebben gedragen naar den inhoud der twee voorgaande artikelen, en verder moeten verrigten het geen omtrent de leden bij artikel 81 is bepaald.