Wetboek op de regterlijke instellingen en regtspleging in het koningrijk Holland/Eerste boek/Tweede titel/Derde hoofdstuk

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
tweede hoofdstuk Wetboek op de regterlijke instellingen en regtspleging in het koningrijk Holland


(eerste boek, tweede titel, derde hoofdstuk)

vierde hoofdstuk
DERDE HOOFDSTUK.

VAN DE MAGT EN BEVOEGDHEID VAN HET HOF, IN CIVIELE EN CRIMINELE ZAKEN.

Artikel 119[bewerken]

Het hoog geregtshof zal het toevoorzight hebben en houden op de nakoming van de wetten betreffende de adminiſtratie van justitie, en den vorm van regtspleging, bij alle geregtshoven, regters en regtbanken; en zal derzelver handelingen, dispoſitiën en vonnisſen, daarmede openlijk ſtrijdig, het zij door het verleenen van appointementen van casſatie aan partijen, in zaken daartoe gedisponeerd zijnde, of anderzins op ingekomen klagten, voordragt van den procureur des Konings, of ex officio, kunnen vernietigen en buiten effect ſtellen, zonder zich nogtans in de beoordeling der zaken intelaten, of zich aantetrekken de magt, aan de geregtshoven en andere regters, ten aanzien van de mindere regtbanken verleend.

Artikel 120[bewerken]

Wanneer, door het buiten effect ſtellen van een vonnis of andere dispoſitie, de zaak in die geſteldheid komt, dat dezelve op nieuw zoude moeten onderzocht, aangelegd en geïnftrueerd worden, zal, ingevalle dit ten opzigte van een vonnis of dispoſitie van eene regtbank gebeurt, de zaak gebragt worden aan het geregtshof, waaronder die regtbank behoort; en zoo dit plaats heeft ten opzigte van een vonnis of dispoſitie van een geregtshof van appèl, ter beſlisſing van het naast daaraan gelegen hof van appèl moeten worden overgegeven.

Artikel 121[bewerken]

Wanneer op de gepreſenteerde requesten of gedane klagten niet dadelijk bij het hof of deszelfs commisſarisſen wordt gedisponeerd, zal in de zaken, daarbij vervat, mogen worden verleend ſurcheance, ten einde dezelve niet worden gebragt buiten haar geheel, of ook zoodanige andere proviſionele orde geſteld, als bevonden zal worden te behooren; en zullen alle geregtshoven, regters en officieren gehouden zijn, zich daarnaar ſtiptelijk te gedragen.

Artikel 122[bewerken]

Het hof zal op dezelve requesten of klagten, of ook bij andere voorkomende gelegenheden, ex officio, mogen requireren het berigt van de genen, welken eenige zaken aangaan, het zij met of zonder opeiſching der ſtukken, mitsgaders de noodige onderrigting en conſideratiën van al zulke collegiën of ambtenaren, als bij hetzelve zal worden dienſtig bevonden.

Artikel 123[bewerken]

Het hof zal beſlisſen alle jurisdictie questiën, ontſtaan tusſchen officieren en collegiën van justitie, niet behoorende onder hetzelfde geregtshof van appèl; de verſchillen tusſchen zoodanig hof en eene regtbank oner hetzelve resſorterende daaronder begrepen.

Artikel 124[bewerken]

Het geregtshof zal ter eerſter inſtantie oordeelen over alle actiën, zoo in het petitoir als posſesſoir, waarin het rijk, of de gemeene-lands collegiën, ontvangers, rentmeesters of andere agendarisſen, in derzelver qualiteit worden aangeſproken als verweerders.

Artikel 125[bewerken]

De ministers van ſtaat en leden van alle adminiſtratieve raden, aan den Koning verantwoordelijk, zullen, in gevalle zij wegens deze verantwoording in regten mogten betrokken worden, voor het hoog geregtshof worden aangeſproken.

Artikel 126[bewerken]

Hetzelve hof zal mede ter eerſter inſtantie kennis nemen van alle misdrijven door de ministers, de groot-officieren van het rijk van de kroon; — de ſtaatsraden, welke in gewonen dienst zijn, — de ambasſadeurs en andere gezanten bij buitenlandſche mogendheden; — de leden van het wetgevend ligchaam, den preſident en leden van het hof van rekeningen; de laaddrosten, den preſident, leden en procureur des Konings bij de hooge militaire vierſchaar; de preſident, leden en fiscaal des Konings bij den raad ter judicature over de middelen te water, de in dienst zijnde civiele en hooge ambtenaren van ſtaat, omtrent welke zulks door den Koning zal worden bepaald, mitsgaders bij de geregtshoven, regters en regtbanken begaan, in de waarneming hunner bedieningen, zelfs na het eindigen van dezelve.

Artikel 127[bewerken]

Het zal voorts ter eerſter inſtantie oordeelen over alle andere misdaden, door bovengemelde perſonen, met uitzondering nogtans van de regters, begaan, doch alleen gedurende den tijd, dat zij deze posten bekleeden: zullende zij, tot het gewone leven terug gekeerd, wegens deze misdaden voor hunnen gewonen regter worden te regt geſteld.

Artikel 128[bewerken]

Het hof zal insgelijks ter eerſter inſtantie oordeelen over alle delicten in officio gepleegd door de navolgende ambtenaren, tot de administratie der middelen te lande behoorende, namelijk: den fiscaal des Konings over de middelen te water en te lande, den commisſaris-inſpecteur-generaal, den fiscaal des Konings en de inſpecteurs in de departementen, mitsgaders de generale ontvangers, ter zake van eenig exces, nalatigheid, misdrijf of conniventie door dezelven gepleegd.

Artikel 129[bewerken]

Het hof zal ook ter eerſter inſtantie, zoo in het civiele als criminele, uitoefenen de judicature over deszelfs leden, den procureur des Konings, griffier, ſubſtituut-griffier, bedienden en ſuppoosten, mitsgaders over zoodanige practizijns, als alleen voor hetzelve hof en voor geen ander collegie postuleren, allen met derzelver huisgezinnen, voor zoo verre zich daaronder geene perſonen bevinden, die eene burgernering doen, en ter zake daarvan in regten aangeſproken worden.

Artikel 130[bewerken]

Het zal al verder ter eerſter inſtantie oordeelen over alle beleedigingen, aan deszelfs officieren en bedienden in officio aangedaan.

Artikel 131[bewerken]

Eindelijk zal hetzelve hof ter eerſter inſtantie oordeelen over alle civiele zaken, waarin partijen zich bij aangegane contracten, of anderzins aan deszelfs regtsgebied hebben onderworpen; gelijk mede over alle civiele actiën, welke aangelegd moeten worden tegen twee of meer perſonen, wonende in onderſcheidene departementen, niet onder hetzelfde geregtshof van appèl behoorende; en voorts over alle zaken, welke volgens de manier van procederen voor hetzelve moeten worden gebragt.

Artikel 132[bewerken]

Het hoog geregtshof zal oordeelen, bij wege van hooger beroep, over alle gewijsden in civiele en criminele zaken, alsmede in die van de middelen te lande, welke ter eerſter inſtantie gediend hebben voor de geregtshoven van appèl; onder zoodanige utizonderingen en bepalingen, als dien aangaande bij de manier van procederen of anderzins gemaakt zijn.

Artikel 133[bewerken]

Het geregtshof zal insgelijks blijven oordeelen, bij wege van hooger beroep, over alle zoodanige gewijsden van den raad van judicature, als waarvan hetzelve tot hiertoe heeft kennis genomen, uit krachte der publicatie van Hun Hoog Mogenden, gearresteerd den 12den van hooimaand 1805, en onder de bepalingen daarbij gemaakt; zoo nogtans, dat ook daarin de nieuwe wijze van procederen zal gebruikt worden.

Artikel 134[bewerken]

Laatſtelijk zal hetzelve blijven oordeelen, bij wege van hooger beroep, van alle ſententiën of dispoſitiën, gewezen of verleend in de reſpective koloniën of bezittingen van het rijk, van welke te voren bij de Staten-Generaal reviſie werd toegeſtaan; gelijk ook van alle zoodanige vonnisſen en dispoſitiën, gewezen of genomen door den raad van juſtitie aan de Kaap de goede hoop, van welke te voren aan den raad van juſtitie de Batavia werd geprovoceerd, achtervolgens de publicatie van het Staatsbewind, gearresteerd den 17den van ſprokkelmaand en 12den van bloeimaand 1803, en van Hun Hoog Mogenden, in dato den 17den van ſprokkelmaand 1806.

Artikel 135[bewerken]

Het hof is geregtigd, curatelen of confinementen te ordonneren, buiten vorm van proces, op verzoek van nabeſtaanden; of ambtshalve, omtrent de perſonen van deszelfs onderhoorigen, wegens zinneloosheid, verregaande verkwisting, dronkenſchap, of andere buitenſporigheden.

Artikel 136[bewerken]

Het hof is ook bevoegd tot het aanſtellen van ſequesters en curators voer inſolvente, afgeſtane, verlatene of onberheerde boedels van deszelfs voorſchrevene onderhoorigen.

Artikel 137[bewerken]

Het hof moet zich reguleren naar de voorſchriften van het crimineel wetboek, van het wetboek Napoleon voor Holland ingerigt, van de beſluiten, waarbij worden vastgeſteld de punten, om bij de dadelijke invoering dier wetboeken te worden nagekomen, en naar de manier van procederen.

Artikel 138[bewerken]

Ten aanzien van het hooger beroep van de sententiën of dispoſitiën, gewezen of verleend in de reſpective koloniën of bezittingen van het rijk, en van de manier van procederen daarin zullende plaats hebben, gedraagt het hof zich naar de bepalingen, vervat in de publicatie van het Staatsbewind, gearresteerden den 12den van bloeimaand 1803, welke allen bij proviſie zullen blijven in volle kracht.

Artikel 139[bewerken]

Ten opzigte van de judicature over middelen te lande, volgt het hof de ordonnantiën daarop gemaakt of nog te maken, en oefent daarbij uit alle die regtsmagt en judiciële werkzaamheden, welke tot dus verre aan den raad ter judicature, voor zoo verre de middelen te lande betreft, zijn opgedragen geweest.

De actiën betrekkelijk de voorſchrevene middelen, zullen op eene afzonderlijke rolle gebragt worden.

Artikel 140[bewerken]

Ten aanzien van de wijze van regtspleging omtrent de voorfchrevene middelen, gedraagt het zich naar het reglement op de manier van procederen, van den 17den van louwmaand 1806; wordende het geſtatueerde bij artikel 86 van dat reglement, voor zoo veel des noods, gehouden voor gealtereerd.

Artikel 141[bewerken]

Het hof heeft het toezigt over de tucht en goede behandeling van allen, die, uit kracht van deszelfs dispoſitiën en vonnisſen, in gevangen-gijzel- en tuchthuizen zijn opgeſloten, of volgens deszelfs dispoſitiën, om ſlecht gedrag, verkwisting, krankzinnigheid en dergelijke redenen, in verbeterhuizen geplaatst zijn.

Artikel 142[bewerken]

Het hof is verpligt, te dien einde door commisſarisſen, geadſisteerd met den procureur des Konings en griffier, te doen viſiteren, ten minſten eens of tweemalen in het jaar, de gevangen- en tuchthuizen, en zonder den procureur des Konings, de verbeterhuizen, voor zoo verre in die huizen gevangenen of geconfineerden, op order van den hove, zich bevinden, om onderzoek te doen, zoo naar het gedrag en de omſtandigheden der aldaar bewaarde perſonen, als omtrent de tucht over, en verzorging van dezelve.

Artikel 143[bewerken]

Commisſarisſen zullen van dit onderzoek een naauwkeurig verbaal door den griffier doen ſtellen, en aan den hove rapport doen.