Wetboek van Strafrecht Suriname (misdrijven tegen de waardigheid van het staatshoofd)

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Wetboek van Strafrecht

Auteur Surinaamse staat
Genre(s) Wetboek
Brontaal Nederlands
Datering 14 oktober 1910
Vertaler Niet vertaald
Bron De Nationale Assemblée
Auteursrecht Publiek domein
Logo Wikipedia
Meer over Wetboek van Strafrecht op Wikipedia

Wetboek van Strafrecht Suriname

Boek II Titel II

Misdrijven tegen de waardigheid van het Staatshoofd

TITEL II. MISDRIJVEN TEGEN DE WAARDIGHEID VAN HET STAATSHOOFD

Art. 146. Vervallen.

Art. 147. Vervallen.

Art. 148. Vervallen.

Art. 149. Elke feitelijke aanranding van de persoon van het Staatshoofd of het waarnemend Staatshoofd, die niet valt in een zwaardere strafbepaling wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste zeven jaren en zes maanden.

Art. 150. Vervallen.

Art. 151. Vervallen.

Art. 152. BELEDIGING STAATSHOOFD/WAARNEMEND STAATSHOOFD. Opzettelijke belediging het Staatshoofd of het waarnemend Staatshoofd aangedaan, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste vijf jaren of een geldboete van ten hoogste duizend gulden.

Art. 153. Hij die een geschrift of afbeelding, waarin een belediging voorkomt voor het Staatshoofd of het waarnemend Staatshoofd, verspreidt, openlijk ten toon stelt of aanslaat of, om verspreid, openlijk tentoongesteld of aangeslagen te worden, in voorraad heeft, wordt, indien hij weet of ernstige reden heeft om te vermoeden, dat in het geschrift of de afbeelding zodanige belediging voorkomt, gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste een jaar of geldboete van ten hoogste drie honderd gulden.

Met dezelfde straf wordt gestraft hij die, met gelijke wetenschap of een gelijke reden tot vermoeden, de inhoud van een zodanig geschrift openlijk ten gehore brengt.

Indien de schuldige een van de misdrijven omschreven in dit artikel, in zijn beroep begaat en er, tijdens het plegen van het misdrijf, nog geen twee jaren zijn verlopen, sedert een vroegere veroordeling van de schuldige wegens een van deze misdrijven onherroepelijk is geworden, kan hij van de uitoefening van dat beroep worden ontzet.

Art. 154. Bij veroordeling wegens het in artikel 149 omschreven misdrijf, kan ontzetting van de in artikel 46 No. 1-4 vermelde rechten worden uitgesproken.

Bij veroordeling wegens het in artikel 152 omschreven misdrijf, kan ontzetting van de in artikel 46 No. 1-3 vermelde rechten worden uitgesproken.


Bron: Surinaamse Wetten en Aanverwante Wettelijke Regelingen [1]

De website van De Nationale Assemblée stelt de wetgeving beschikbaar in haar redactie tot 2005. Wetsartikelen die later werden gewijzigd worden in deze Wikisource [tussen haakjes] opgenomen, met vermelding van het Staatsblad waarin de wijzigende bepaling werd bekendgemaakt.