Wetboek van Strafrecht Suriname (overtredingen betreffende de algemene veiligheid van personen en goederen)

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Wetboek van Strafrecht

Auteur Surinaamse staat
Genre(s) Wetboek
Brontaal Nederlands
Datering 14 oktober 1910
Vertaler Niet vertaald
Bron De Nationale Assemblée
Auteursrecht Publiek domein
Logo Wikipedia
Meer over Wetboek van Strafrecht op Wikipedia

Wetboek van Strafrecht Suriname

Boek III Titel I

Overtredingen betreffende de algemene veiligheid van personen en goederen

Art. 490. Baldadigheid tegen personen of goederen, waardoor gevaar, nadeel of ongerief kan worden teweeggebracht, wordt gestraft met geldboete van ten hoogste vijftien gulden.

Indien tijdens het plegen van de overtreding nog geen jaar is verlopen, sedert een vroegere veroordeling van de schuldige wegens gelijke overtreding onherroepelijk is geworden, wordt hij gestraft met hechtenis van ten hoogste drie dagen of geldboete van ten hoogste dertig gulden.


Art. 491.Met hechtenis van ten hoogste zes dagen of geldboete van ten hoogste vijf en twintig gulden wordt gestraft:

hij die een dier aanhitst op een mens, op een dier dat bereden wordt of op een dier dat voor een rij- of voertuig gespannen is; hij die een onder zijn hoede staand dier, wanneer het een mens, een dier dat bereden wordt of een dier dat voor een rij- of voertuig gespannen is, aanvalt, niet terughoudt hij die geen voldoende zorg draagt voor het onschadelijk houden van een onder zijn hoede staand gevaarlijk dier.


Art. 492. Hij die, belast met het toezicht over een krankzinnige, gevaarlijk voor zichzelve of voor anderen, deze zonder opzicht laat rondwaren, wordt gestraft met geldboete van ten hoogste honderd gulden.


Art. 493. Hij die, terwijl hij in staat van dronkenschap verkeert, hetzij in het openbaar het verkeer belemmert of de orde verstoort, hetzij eens anders veiligheid bedreigt, hetzij enige handeling verricht waarbij, tot voorkoming van gevaar voor leven of gezondheid van derden, bijzondere omzichtigheid of voorzorgen worden vereist, wordt gestraft met hechtenis van ten hoogste zes dagen of geldboete van ten hoogste vijf en twintig gulden.

Indien tijdens het plegen van de overtreding nog geen jaar is verlopen, sedert een vroegere veroordeling van de schuldige wegens gelijke of de in artikel 535 omschreven overtreding onherroepelijk is geworden, wordt hij gestraft met hechtenis van ten hoogste twee weken.


Art. 494. Hij die wederrechtelijk op de openbare weg een ander in zijn vrijheid van beweging belemmert of met een of meer anderen zich aan een ander tegen diens uitdrukkelijk verklaarde wil blijft opdringen of hem op hinderlijke wijze blijft volgen, wordt gestraft met hechtenis van ten hoogste een maand of geldboete van ten hoogste honderd gulden.


Art. 495. Met geldboete van ten hoogste vijf en twintig gulden wordt gestraft: 1o.hij die niet zorgt dat een door hem of op zijn last op een openbare uitgraving of een door hem of op zijn last op de openbare weg geplaatst voorwerp behoorlijk verlicht en van de gebruikelijke tekenen voorzien is;

2o.hij die bij een verrichting op of aan de openbare weg niet de nodige maatregelen neemt om voorbijgangers tegen mogelijk gevaar te waarschuwen;

3o.hij die iets plaatst op of aan, of werpt of uitgiet uit een gebouw op zodanige wijze dat door of ten gevolge daarvan iemand die van de openbare weg gebruik maakt, nadeel kan ondervinden;

4o.hij die op de openbare weg een rij-, trek- of lastdier laat staan, zonder de nodige voorzorgsmaatregelen tegen het aanrichten van schade te hebben genomen.


Art. 496. Hij die zonder verlof van het bevoegd gezag enige openbare land- of waterweg verspert of het verkeer daarop belemmert, wordt gestraft met hechtenis van ten hoogste twee maanden of geldboete van ten hoogste drie honderd gulden


Art. 497. Hij die zonder verlof van de Districts-Commissaris of van de door deze aangewezen ambtenaar, eigen onroerend goed of een eigen vaartuig in brand steekt, wordt gestraft met geldboete van ten hoogste vijftig gulden.

Deze bepaling is niet van toepassing op het buiten Paramaribo in brand steken van bomen of gewassen.


Art. 498. Met hechtenis van ten hoogste zes weken of geldboete van ten hoogste vijftig gulden wordt gestraft: 1o.hij die zonder genoegzame voorzorg vuur op de zeestranden aanbrengt of achterlaat;

2o.hij die zonder genoegzame voorzorg vuur op terreinen van anderen, niet vallende onder die sub 1o. bedoeld, aanbrengt of achterlaat;

3o.hij die zonder genoegzame voorzorg vuur op eigen onbebouwd terrein aanbrengt of achterlaat.

Onder eigen terrein wordt hier begrepen terrein waarvan hij door wie of op wiens last het vuur is aangebracht of achtergelaten, recht van gebruik of genot heeft.

4o.hij die zonder noodzaak vuur in of nabij beplantingen van anderen aanbrengt.


Art. 499. Met geldboete van ten hoogste vijftig gulden wordt gestraft: 1o. hij die een vuurwapen afschiet, een vuurwerk ontsteekt of een vuur aanlegt op zo korte afstand van gebouwen of goederen dat daardoor brandgevaar kan ontstaan;

2o. hij die een luchtbol oplaat, waaraan brandende stoffen gehecht zijn.

Indien tijdens het plegen van de overtreding nog geen jaar is verlopen, sedert een vroegere veroordeling van de schuldige wegens gelijke overtreding onherroepelijk is geworden kan, in plaats van geldboete, hechtenis van ten hoogste tien dagen worden opgelegd.


Bron: Surinaamse Wetten en Aanverwante Wettelijke Regelingen [1]

De website van De Nationale Assemblée stelt de wetgeving beschikbaar in haar redactie tot 2005. Wetsartikelen die later werden gewijzigd worden hier op deze Wikisource [tussen haakjes] opgenomen, met vermelding van het Staatsblad waarin de wijzigende bepaling werd bekendgemaakt.