Zondagsblad van Het Nieuws van den Dag/Jaargang 3/Nummer 31/Eene bladzijde uit Peschels Volkenkunde

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
‘Eene bladzijde uit Peschels Volkenkunde’ door A.W. Stellwagen
Afkomstig uit Het Nieuws van den Dag, zondag 30 juli 1876, [p. 2-3]. Publiek domein.


[ 2 ]

Eene bladzijde uit Peschels Volkenkunde,

door

A. W. Stellwagen.

Wat wordt, in de volkenkunde, met het Sjamanisme bedoeld? Gelijk men weet, is het woord zelf eene verbastering van Cramana, waarmee in Indië de Boedhistische priesters en boetelingen werden aangeduid. Toch noemde men tot heden slechts de wonderkunstenaars der Noord-Aziatische stammen met den naam van Sjamanen. De handelingen dezer luî bestaan hoofdzakelijk in tooverkuren, gelijk trouwens bij alle onbeschaafde volken van vroegeren en lateren tijd ziekte en dood aan betoovering werden toegeschreven, waartegen dan de Sjamaan zijne geheimzinnige middelen heeft aan te wenden. Intusschen trekt de huidige volkenkunde den kring van ’t begrip Sjamanisme rondom allerlei soort van tooverkunsten en bovennatuurlijke geheimzinnigheden van gelijk gehalte.

In Siberië, als in de beide Amerikaansche vastelanden, is het van oudsher gewoonte, dat de geneesmeesters, die aan ’t ziekbed worden geroepen, zich haasten om aan het kranke deel van den zieke te zuigen, teneinde daaruit langs dien weg een doorn, een kever, een steen of een diergelijk onverwacht voorwerp te voorschijn te brengen. Dat voorwerp is dan de op de daad betrapte onheilstichter, die nu overwonnen is en in al zijne [ 3 ] nietigheid aan de angstig wachtende omstanders wordt vertoond. Dezelfde zaak ontmoeten we bij de Sjamanen onder de Dajaks van Borneo dezelfde zaak bij de Indianen in Zuid-Afrika aan den Orinoko. Zoo werd eene priesteres onder de Fingokafirn — want ook aan vrouwelijke kunstenaressen op dit gebied ontbreekt het niet! — door de vrouw van een zendeling ontmaskerd, juist toen ze bezig was een aantal maïskorrels uit het lichaam van haar patient te zuigen. De slimme priesteres had zich namelijk eene neiging tot braken verschaft, door vóór het Sjamanenspel wat tabaksbladeren door te slikken.

Een ander bestaanmiddel der Sjamanen vindt zijn oorsprong in de gave dezer luî, om in gemeenschap te treden met onzichtbare machten, somtijds zelfs met de geesten der afgestorvenen, die hun gunstelingen dan op de hoogte brengen der toekomstige dingen. De bovennatuurlijke kunstenaar weet zich onder dit bedrijf in een toestand van zenuwachtige opgewektheid te brengen, welke bij wijlen zoo hoog gaat, dat den bevoorrechte het schuim op den mond staat en zijn heele lichaam krampachtige trekken vertoont. De Sjamanen, van welke streek der aarde ook, toonen daarom eene bepaalde neiging om hunne leerlingen te kiezen onder zulke knapen, die aan vallende ziekte lijden. Onder de negers wordt aan dwergen en Albino’s de voorkeur geschonken.

Wat van de Siberische priesters is gezegd, past wederom zoo volkomen op de zoogenaamde medicijnmannen der roodhuiden van Noord-Amerika, dat deze overeenstemming zelfs als een der kenteekenen geldt, die tot de stelling leiden, dat de bevolking der nieuwe wereld uit Noord-Azië herkomstig is. Het eenige verschil tusschen de Siberische Sjamanen en de Noord-Amerikaansche medicijnmannen bestaat slechts daarin, dat de eerste zich bij zijn handwerk van den toovertrommel, de andere van een tooverklepper bedient. Zelfs de phantastisch getooide mantel in aan beiden gemeen. De medicijnman van Noord-Amerika vinden we in ’t zuiden des werelddeels onder anderen naam terug: piaje, piaï, paye, ’t zijn woorden voor denzelfden persoon. Ook de tooverklepper (maracca); die wordt hier gemaakt van een hollen pompoen, waarin harde korrels van zeker zaad ’t noodige geraas maken. Eindelijk ontmoeten we, door de breedte des Atlantischen Oceaans van hunne zooeven genoemde vakgenooten afgescheiden, de Mganga in Zuid-Afrika, die wel is waar noch trommel, noch klepper hebben, maar die een tooverhoorn gebruiken, en in deze droge landen zich tevens bemoeien met den noodigen regen, dien zij doen nederdalen over de hoofden der vurig smeekende geloovigen.

Indien eenige ongesteldheid aan de inwerking eens toovenaars moet worden toegeschreven, dan is ’t klaar, dat zelfs de dood, ook wanneer hij als ’ gevolg van de verzwakking des ouderdoms komt, slechts dan zijne macht kan doen gelden, indien de invloed der duivelskunstenaars hem dit toelaat. Diensvolgens ontdekken we dan, tot onze verbazing, overal op aarde, waar ’t Sjamanisme zijn heilloos spel voert, de macht der meening, dat de mensch tot in de oneindige toekomst zou kunnen leven, indien zijn aardsch bestaan slechts niet verkort werd door den luim des toovenaars. Gezegde meening heerscht dan ook niet alleen onder menschenstammen, die, als de Australiërs, welke door ons — zij ’t ook ten onrechte — als de onbeschaafdsten der aarde worden beschouwd, zij gaat veel verder met hare macht. Zoo verhaalt de Jezuïet Dbritzhoffer, dat zelfs de zeer beschaafde Abiponers als zekere waarheid aannamen, dat alle sterfgevallen moesten ophouden, indien de heksenmeesters slechts wilden aflaten van hunne boose kunsten. En de Patagoniër Casimiro bekende aan luitenant Musters, dat hij na ’t afsterven zijner moeder eene vrouw had laten vermoorden, wier booze middedel de oorzaak waren van den dood zijner moeder. Steken wij van Patagonië naar de Zuidzee over, naar ’t eiland Tanna, een der Nieuwe Hebrieden, die door Papoéas worden bewoond, dan zijn we onder een menschenstam, die noch naar den lichaamsbouw, noch naar de taal eenige overeenkomst heeft met Aziaten, Amerikanen of Zuid-Afrikanen. Welnu, ook hier vinden we de Sjamanen, die als regenmakers dienst doen en de Scheppers van vliegen en muskieten zijn. Deze luî worden echter aantrekkelijk voor ons, doordien ze den dood van iemand weten af te wenden, indien ze slechts in ’t bezit zijn van een nahak des kranken. Dit woord nahak beduidt oorspronkelijk zooveel als vuilnis, doch zijne nader beperkte beteekenis is: „verwaarloosde overblijfsels van spijzen”; deze overblijfsels moeten namelijk niet weggeworpen worden, maar zorgvuldig en in ’t geheim verbrand of begraven. Vindt zoo’n Papoeasche tooverpriester bijv. een banaalschil, dan rolt hij die met een blad in boombast, en als dan de nacht nederdaalt, plaatst hij zich bij een vuur en doet het nahak langzaam verbranden. Is alles in asch veranderd, dan heeft de toover kracht, en de dood van hem, aan wien de vrucht behoorde, die het nahak leverde, is overwonnen. Maar de wetenschap van ’t nachtelijk plan wordt spoedig van tijd tot tijd verkondigd. Is daar iemand in de nabijheid, wiens geweten is beladen met de schuld van zijne spijzen oneerbiedig te hebben weggeworpen, of die reeds op ’t ziekbed ligt uitgestrekt, dan laat hij door een der zijnen op den schelphoorn blazen, ten teeken, dat den Sjamaan verzocht wordt met zijn vernietigingswerk te willen ophouden. Den volgenden morgen worden dan losgelden aangeboden om de teruggaaf van ’t nahak te verwerven. De zendeling Türner verhaalt, dat hem menige nachtrust is verstoord door dit onwelluidend geraas van den schelphoorn, vooral doordien nu en dan meerder van die klagende noodteekens uit alle hoeken tot zijn gehoorvlies kwamen. Dat de Papoeasche Sjamanen een ernstig vertrouwen in hunne kunst stellen, valt niet te betwijfelen, naardien ook zij, zoo dikwijls een der hunnen door ziekte of stervensnood overvallen wordt, een hoornblazer naar buiten sturen om redding. Slechts tegen ziekten, die de Europeanen naar hunne eilanden hebben overgebracht, zeggen de inboorlingen, is alle onttoovering machteloos gebleven. De nahakplechtigheid vinden we, met eenige kleine verandering, op ’t Marquesaeiland Nukahiwa terug, en dus onder zuivere Polineesiërs; verder ontmoeten we haar op de Fidschi-eilanden en in Australië, waar de dood des zieken reeds met zekerheid wordt verwacht, indien een vijandige Sjamaan het Pringverroe, een als heilig gehouden stuk been, waarmeê ook de aderlating wordt verricht, verbrand kan hebben.

(Slot volgt.)