Zondagsblad van Het Nieuws van den Dag/Jaargang 3/Nummer 32/Eene bladzijde uit Peschels Volkenkunde

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
‘Eene bladzijde uit Peschels Volkenkunde. II’ door A.W. Stellwagen
Afkomstig uit Het Nieuws van den Dag, zondag 6 augustus 1876, [p. 2-3]. Publiek domein.


[ 2 ]

Eene bladzijde uit Peschels Volkenkunde,

door

A. W. Stellwagen.

II.

Verplaatsen we ons thans van Australië uit naar ’t westen, over een afstand van ongeveer een derde van den omtrek der aarde, dan komen we in Zuid-Afrika. En wat blijkt ons hier? Dat Kaffer-vorsten, eer zij ten strijde trekken, vóór de oogen hunner mannen, wier moed zij daardoor niet weinig prikkelen, eenige lompen, een speerschaft, een tabaksdoos of iets dergelijks verbranden, dat zij zich uit de bezittingen hunner vijanden [ 3 ] hebben weten te verwerven. De hofsjamaan houdt steeds een tooverdrank in gereedheid en kruidt dien voor ’t oog der krijgers, door er een weinig van den verbranden buit in te mengen. Zoodra de hoofdman, de aanvoerder der bende, den drank heeft ingezwolgen, bezit hij onfeilbare macht op zijne tegenstanders. Wij begrijpen dus waarom iedere Kafferkoning, zoo dikwijls hij een nieuwe woning kiest, de oude schoon laat vegen. Reeds is ’t geval voorgekomen, gelijk Theophilus Hahn vermeldt, dat men de gansche kraal in de asch legde, opdat de vijand zich niet van een of ander stuk huisraad zou kunnen meester maken.

Letten wij nog een oogenblik op deze zeker zonderbare overeenstemming van Sjamanisme uit de meest verwijderde streken der aarde. We kunnen haar misschien verklaren, indien we ons voorstellen, dat èn de Papoea-stammen èn de Kaffers weleer een gemeenschappelijk vaderland hebben gehad en zij zich door aanhoudende verplaatsing van elkaar hebben verwijderd. Maar deze vooronderstelling zou ons in tijden terugvoeren, die bij duizenden jaren achter ons liggen, want het rassenverschil dezer stammen gaat zeer diep en dergelijke verschillen ontstaan zoo langzaam, dat de geologische formaties er, wat den tijdduur betreft, alleen mee te vergelijken zijn. Ook moet men zich niet laten geruststellen, dat slechts de troebele hersenen van dergelijke ruwe, wilde volken tot dusdanige afdwalingen kunnen leiden. Hoe lang is ’t geleden, dat men zelfs ten onzent het bijgeloof in vollen bloei kende, volgens hetwelk men haar en nagels zorgvuldig moest verbranden? Eene Italiaansche geleerde, Caroline Coronedi, heeft nog kortelings aangetoond, dat in het huidige Bologne tot in onze dagen ’t geloof heeft standgehouden, hetwelk gebiedt de afgeknipte of uitgekamde haren zorgvuldig te verbranden, daar immers aan deze ’t gemakkelijkst de tooverkunsten kunnen worden verricht? Tylor twijfelt er zelfs geen oogenblik aan, dat te Camargo, in Mexico, nog in 1860 eene heks is verbrand geworden. Bijna overvalt ons, na al deze overeenkomstige waanzinnigheden te hebben vernomen, de sombere gedachte, dat het menschelijke denkvermogen een mechanismus is, hetwelk onder gelijke aantrekkingen tot gelijke afdwalingen komt.

’t Ergste lijden de Zuid-Afrikaansche Bantoevolken onder deze Sjamanistische verstandsziekte. Zoo dikwijls onder hen een sterfgeval heeft plaats gehad, wordt de Mganga of plaatselijke Sjamaan ondervraagd omtrent dengenen, die den dood kan hebben veroorzaakt. Aan hem wordt nl. eene hoogere wetenschap toegekend, van de soort als in onze dagen onder den naam van voorteeken-verklaring, orakelspraak en klopgeesterij voorkomt en immersv ook tot de ziekte van ’t Sjamanisme moet worden gebracht? Als, want we keeren tot de Bantoes terug, de priester-Sjamaan een of ander persoon als den verdachte aanwijst, dan wordt een godsoordeel gespannen. En hier ontmoeten we dan tevens een nieuwen kant van het tooverstelsel, want het geloog aan godsoordeelen en hunne onfeilbaarheid berust op de dwaling, dat zekere onzichtbare wet en ordebeheerschende macht, op kunstmatige manier ondervraagd, op onbedriegelijke manier zijne meening moet kenbaar maken door overstorting of zoo iets. Het godsgericht is echter nog heden in lndië, zoowel bij de Dravidastammen, als bij de Brahmaansche Hindoes verbreid, evenzoo in Zuid-Arabië. Trouwens, ook nog langen tijd na ’t Christendom was bij dc Germanen de vuurproef in gebruik; de waterproef, bij heksenvervolgingen, was zelfs in de 16e en 17e eeuw nog niet afgeschaft, en Jacob Grimm wil de laatste sporen van dezen waanzin tot zelfs in ’t duel terugvinden. Ook de Papoea’s gelooven de schuld of de onschuld des aangeklaagden te kunnen uitwijzen door onderdompeling, terwijl de Negers der goudkust hetzelfde middel aanwenden. Voor ’t overige wordt het godsgericht in Zuid-Afrika, waar ’t zich van den Atlantischen Oceaan tot den Masai uitstrekt, bij voorkeur voltrokken door ’t uitdrinken van een beker mboendoe-sap. Indien de verdachte niet spoedig genoeg den giftdrank moet uitspuwen, is hij schuldig. Toen in het jaar 1865 aan den Rembo in Mayola (2° Z. B. 11° O.L. v. Gr.) de pokken uitbraken, was du Chaillu er getuige van, dat niet slechts de offers der ziekte bij menigte geteld werden, maar de godsoordeelen nog gezonde menschen eischten als de slachtoffers van ’t Sjamanistisch bedrog.

Tooneelen van foltering en pijniging der verdachten onder de Amaxosa-Kaffers worden door Maclean zeer aangrijpend geschilderd. Het geloof aan de macht der heillooze kunsten is te moeilijker uit te roeien, omdat inderdaad voor en na gevallen voorkomen van schuldigen aan tooverij, die op de daad betrapt werden. Dat dergelijke gevallen inderdaad voorkomen, deelt ons de reiziger Martius mede, die in een Braziliaansche hut kwam, juist op ’t oogenblik, dat eene wraakzuchtige Indiaansche bezig was hare nachtelijke bezweringskunsten uit te oefenen. Het valt natuurlijk niet gemakkelijk zich uit den betooverden kring der Sjamanen een weg te banen, want al falen hunne kunsten ook nog zoo dikwijls, toch wordt daardoor, in de oogen der bedrogenen, alles behalve de nietigheid der aangewende wonderdaden aangewezen. Steeds heet het, dat de artsenij of tooverformulieren niet krachtig genoeg zijn geweest om de booze daden en kunsten der verwijderde Sjamanen zonder gevolgen te maken. Alle reizigers, die hunne waarnemingen onder vreemde volksstammen hebben gedaan, verzekeren ons met eenparigheid, dat de tooverdokters zelven aan hunne bezweringen gelooven en zij tot de eerstbedrogenen behooren. Zij dwalen uit eerlijke overtuiging, zouden wij zeggen. De Siberische Sjamanen, de Noord-Amerikaansche medicijnmannen, de Zuid-Afrikaansche Mganga, de Australische en Papoeasche toovenaars leven afgezonderd van hun stam, voeden hunne kweekelingen onder vasten en zelfkastijding op, om hun eerst daarna de schatten hunner geheime wetenschap te doen kennen en meê te deelen.

De slotgedachte, de grondgedachte der Sjamanistische dwaling, onder welke namen en vormen zij ook pleegt voor te komen is, dat de mensch zich in betrekking waant te kunnen stellen met zekere onzichtbare machten, die hij dan tot gehoorzame dienstbaarheid aan zijne eischen meent te kunnen onderwerpen. Beide vormen komen voor onder aanwending van zinnebeeldige handelingen en geheimzinnige machtspreuken, die daardoor hare macht hebben bewaard, dat de bekrompenheid van ’t menschelijk oordeel een enkel, toevallig gunstig uitkomend geval meer waarde toekent, dan de honderden, die de onbeduidendheid van ’t gebeuzel aantoonen. ’t Geen met het bovennatuurlijke strijd voert, acht men niet of vergeet men spoedig, maar als het toeval aan het tooverformulier gunstig schijnt te zijn, dan is ’t geloof aan de wondermacht weer voor jaren geborgen. En zelfs in de reinste harten weet dit zelfbedrog, natuurlijk onder meer verfijnde vormen, post te vatten. Het hecht zich aan al ’t symbolieke en ritueele; het is overal werkzaam, waar van eene zinnebeeldige handeling eene zekere, niet streng noodzakelijke uitwerking wordt verwacht. Indien vrome Christenen bij zekere levensbehoeften gaarne eene soort van openbaring, die de toekomst leert kennen, wenschen te bezitten, en daartoe hun gezangboek opslaan, om in ’t eerste lied, ’t eerste couplet het beste, dat zich aan hun oog vertoont, een zeker antwoord van boven te verwachten, dan hebben zij zich, onbewust misschien, maar niettemin zeker bij wijze van contract met God ingelaten, dan willen zij, dat Hij, op die manier ondervraagd, hun te woord staat met degelijk bescheid. Of men ’t verbloemen wil of niet — ’t is almee.... Sjamanisme.