Album der Natuur/1855/Bovennatuurlijk Krijgsheer, Kaiser

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Het bovennatuurlijk krijgsheer, gezien bij Büderich den 22 Januarij 1854 (1855) door Frederik Kaiser
Het bovennatuurlijk krijgsheer, gezien bij Büderich den 22 Januarij 1854 werd gepubliceerd in Album der Natuur (vierde jaargang (1855), pp. 123–127. Dit werk is in het publieke domein.


[ 123 ]
 

HET BOVENNATUURLIJK KRIJGSHEER

GEZIEN BIJ BÜDERICH DEN 22 JANUARIJ 1854.

HERDACHT DOOR

F. KAISER.

 

 

Zeer digt bij Büderich in Westphalen, aan den weg tusschen de kleine steden Werl en Unna, ligt een gehucht, uit een tiental woningen bestaande, van waar men het uitzigt heeft op een ruim en oneffen veld, voor het oog door eene rij van heuvelen of lage bergketen ingesloten. De vreedzame landbouwers, die dit gehucht bewonen, werden, in den namiddag van den 22sten Januarij des jaars 1854, door de ontdekking van een bovennatuurlijk verschijnsel, uitermate verontrust. Aan eene plaats van het genoemd veld, waar nimmer een huis had gestaan, zag men onverwacht een huis verschijnen. Dat huis stond, gedurende eenigen tijd, in fellen brand, en uit zijne vlammen zag men een krijgsheer verrijzen, uit infanterie, cavallerie en artillerie bestaande, dat zich met spoed in eene bepaalde rigting voortbewoog. Het huis verdween en daarna ook het krijgsheer, zonder dat een van beiden een spoor van zijn aanwezen achterliet. Dit verschijnsel is niet slechts door nagenoeg alle bewoners van het gehucht, ten getale van omtrent dertig, gezien, maar ook door andere personen, die zich toevallig daar ter plaatse bevonden. De mare van het waargenomene werd spoedig verbreid, en niemand kon de waarheid in twijfel trekken van eene gebeurtenis, die zich aan de aandacht van zoo velen had opgedrongen.

De ooggetuigen van dit bovennatuurlijk krijgsheer hebben het als een voorteeken van een' dreigenden oorlog aangezien, en wist men omtrent dit verschijnsel niets meer, dan hetgeen door hen werd verhaald, dan zoude het nu vooral moeijelijk vallen om te doen gelooven, dat zij in hun gevoelen hebben misgetast. Reeds den dag [ 124 ] na het verschijnsel werd echter door Dr. jürgens van Werl, openlijk verklaard, dat het geen voorteeken was, maar de bewijzen van zijne stelling moest hij schuldig blijven. Acht dagen later werd door den Rector deneke, ter geruststelling van het algemeen, eene poging aangewend om het bovennatuurlijk verschijnsel uit natuurlijke oorzaken af te leiden. Volgens hem was het verschijnsel niet dan eene luchtspiegeling, door welke het een of ander krijgsheer van het buitenland, naar het oog van de onthutste beschouwers werd teruggekaatst. Niemand kon of wilde echter gelooven, dat een verwijderd krijgsheer, zoo als dat van het oorlogsveld der Turken, door terugkaatsing, in de velden bij Büderich zoude zijn waargenomen.

Het bovennatuurlijk krijgsheer bij Büderich gezien, heeft in Duitschland veel opschudding verwekt, maar hoezeer het wonderbaarlijke gewoon is ook bij ons grooten bijval te vinden, schijnt het hier te lande niet of naauwelijks te zijn bekend geworden. Het moet echter bij ons niet zoo geheel en al met stilzwijgen worden voorbij gegaan, want het lot, dat dit verschijnsel heeft ondervonden, is bij uitstek geschikt, om eene vergelijking te maken, tusschen den nuchteren prosaïschen geest van den tegenwoordigen tijd en de dichterlijke verbeelding van vroegere eeuwen. Voor nog slechts een paar eeuwen zoude dit verschijnsel geheel Europa in rep en roer hebben gebragt, in de geschiedboeken met levendige trekken geschilderd zijn als een teeken van den dreigenden toorn des Hemels, en maatregelen hebben uitgelokt om dien toorn aftewenden. Nu werd het, zelfs in een naburig land, ter naauwernood bekend en door velen, droog weg, voor een verschijnsel verklaard, dat eene natuurlijke oorzaak hebben moest. Nog voor een paar eeuwen zag men aan den hemel wangedrochten, uit menschen en krokodillen zamengesteld, en draken met bloedroode staarten, vurige vleugels blaauwe voeten en met slangen omwondene koppen[1], en nu gunt men den vreedzamen landbewoner niet eens het gezigt van mannen, paarden en kanonnen op den grond, tenzij men weet van waar die [ 125 ] kwamen en waar zij henen gingen. Die prozaïsche geest van den tegenwoordigen tijd is een gevolg van het ongeloof der tegenwoordige natuurkenners, die altijd het hoe en het waarom der dingen willen weten, en alle wonderbaarlijke dingen, die zich thans vertoonen, navorschen, ontleden en uitpluizen, totdat zij al hunne wonderbaarlijkheid verloren hebben. Tot die ongeloovige napluizers behoorde ook alexander von humboldt, die reeds bij voorraad aan het krijgsheer bij Büderich gezien alle bovennatuurlijkheid ontzegde, en den sterrekundigen heis van Münster uitnoodigde, om, aan de plaats zelve, een streng onderzoek omtrent dit verschijnsel in het werk te stellen. Heis begaf zich naar Büderich en nam, geholpen door de overheid der plaats, zoo vele ooggetuigen van het verschijnsel, als zich bijeen lieten brengen, in een streng verhoor. Het bleek al spoedig, dat die ooggetuigen wel ter goeder trouw hadden berigt wat zij meenden te hebben waargenomen, maar dat zij toch ook niet op een zoo streng verhoor gerekend hadden, en door de duidelijke en stellige vragen van heis in groote verlegenheid werden gebragt. Zoo wist niemand op zijne vraag, naar de kleur van de uniform der soldaten, een antwoord te geven, en op zijne vraag, waarom men het voorbijtrekkend heer voor een krijgsheer en niet voor eene kudde koeijen of schapen had gehouden, verkreeg hij geen ander antwoord, dan dat koeijen en schapen zoo hard niet hadden kunnen loopen. Na een zeer langdurig verhoor bleek het ten laatste, dat niemand met zekerheid mannen, paarden en kanonnen had kunnen onderscheiden, maar dat alle ooggetuigen voorwerpen, wier gedaante zich niet duidelijk erkennen liet, en die zich schielijk voortbewogen, eenvoudiglijk daarvoor hadden aangezien. Een van hen had reeds onder het verschijnsel gezegd, dat het wel uit enkel nevel kon bestaan, en inderdaad is, door de bemoeijing van heis, het bovennatuurlijk krijgsheer ten laatste geheel in eenen ongewonen nevel opgelost.

De dag van den 22sten Januarij 1854 was, voor den tijd des jaars, buitengewoon helder en warm geweest. Ofschoon het den volgenden nacht vroor, werd te Munster, in den namiddag van dien dag, de thermometer op meer dan zes graden Reaumur [ 126 ] boven nul waargenomen, maar des avonds daalde hij weder tot nagenoeg het vriespunt. Blijkens de waarnemingen te Munster was de lucht in den avond van den 22sten Januarij bijna geheel van waterdamp verzadigd en daarom moest de bekoeling van de lucht, tegen het ondergaan der zon, noodwendig een sterk nederslaan van den waterdamp ten gevolge hebben. Het verschijnsel was niet, gelijk men vroeger had vermeld, op den vollen dag, maar, blijkens de nasporingen van heis, alleen tegen het ondergaan der zon waargenomen. Toen vormde zich een lage nevelbank over het veld, die inderdaad ook aan andere plaatsen was opgemerkt, maar die zich bij Büderich in dunnere en digtere deelen scheidde, met welke de wind zoodanig speelde, dat zij het aanzien van bewegelijke voorwerpen verkregen. Het bovennatuurlijk krijgsheer had zich ook, blijkens de onderzoekingen van heis, juist in de rigting van den wind bewogen en het werd door hem ten duidelijkste bewezen, dat het geen anderen oorsprong had, dan in een meer dan gewoon, maar zeer natuurlijk, nederslaan van den waterdamp.

Het was niet zoo ligt den oorsprong van het brandende huis te ontdekken, aan welks verschijning, na het onderzoek van heis, niet getwijfeld kon worden, maar ook dit gelukte volkomen. Na den omtrek naauwkeurig te hebben opgenomen, bleek het heis, dat aan de plaats op den weg, waar het brandend huis was gezien, een huis, op een goed half uur afstands van daar verwijderd, dooreen naderbij gelegenen heuvel even werd bedekt, zoodat men, een weinig in de hoogte stijgende, met eenen kijker, het dak van dat huis, boven den heuvel, kon ontwaren. Dat huis was juist in de rigting geplaatst, waarin, naar de beschrijving der ooggetuigen, het brandend huis verschenen was, en de ramen van zijnen voorgevel waren juist zoodanig naar den westelijken hemel gekeerd, dat daarop de stralen van de ondergaande zon of van het avondrood, dien dag, naar de waarnemers teruggekaatst moesten worden. Heis verklaarde, met het grootste regt, dat dit huis boven den heuvel was verschenen, om de vertooning van het brandende huis temaken, maar hij schreef dit toe aan eene buitengewone dampheffing, terwijl hij niets buitengewoons had behoeven aan te nemen. Even zoo als de hemellichten zich, wegens de buiging [ 127 ] der lichtstralen in den dampkring, hooger vertoonen dan zij werkelijk geplaatst zijn, moet dit ook het geval wezen met de voorwerpen op de aarde, voor wie de dampheffing of straalbuiging met hunnen afstand toeneemt. Bij gelegenheid van de Russische graadmeting, in het jaar 1829, heeft de beroemde struve vele onderzoekingen omtrent deze aardsche straalbuiging in het werk gesteld, en het bleek hem dat zij, tegen den ondergang der zon, altijd veel grooter was dan op andere uren van den dag. Die vergrooting van de straalbuiging moest noodwendig sterker te voorschijn treden, naar mate de voorwerpen verder verwijderd waren, en ver verwijderde huizen, die op den vollen dag even achter nabijgelegen voorwerpen verborgen waren, moesten zich, tegen den ondergang der zon, daarboven openbaren. Dit was reeds destijds voor struve een zoo bekend verschijnsel, dat hij daarvan regelmatig gebruik maakte, voor het meten van hoeken tusschen voorwerpen, die zich op den vollen dag achter andere verborgen. Er is dus geen oogenblik aan te twijfelen, dat de ooggetuigen van het verschijnsel bij Büderich, zoo zij eenen kijker te baat nemen, elken helderen avond het bewuste huis boven den heuvel kunnen zien verschijnen. Alleen op een paar bepaalde dagen van het jaar kunnen de stralen der ondergaande zon zoodanig op zijne ramen worden teruggekaatst, dat het een prooi der vlammen schijnt te wezen.

De geschiedenis van het bovennatuurlijk krijgsheer bij Büderich waargenomen, leert ons door een nieuw en treffend voorbeeld, wat de natuurkundige wetenschappen op de verstandsverlichting van het algemeen vermogen. Zulk een verschijnsel kon zich alleen door een zamenloop van toevallige omstandigheden openbaren, en zoude, voor een paar eeuwen, waanzinnige angstkreten over geheel Europa hebben doen oprijzen. Het heeft aanvankelijk een diepen en heilloozen indruk op zijne beschouwers gemaakt, maar binnen weinige dagen was het volkomen verklaard, en daarmede werd die indruk ten eenenmale uitgewischt.

 

 

  1. stichtelijke verhalen van dien aard vindt men in menigte in het werk van stanislaus de lubienitz, Theatrum cometicum, opus mathematicum, physicum, politicum, ethicum, juridicum, theologicum etc. 1666.