Apocriefe boeken/Het gebed van Azarja

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
De apocriefe boeken
Inhoud · Het boek van Judith · De wijsheid van Salomo, aan de tyrannen · Het boek van Tobía · Het boek van Jezus Sirach · De profeet Baruch · Het eerste boek der Makkabeën · Het tweede boek der Makkabeën · Toevoegsels op het boek Ester · De historie van Susanna en Daniël · Van den Bel en den Draak te Babel · Het gebed van Azarja en het gezang der drie mannen in het vuur · Het gebed van Manasse, den koning van Juda, toen hij gevangen was te Babel


Het gebed van Azarja en het gezang der drie mannen in het vuur

Auteur Anoniem
Genre(s) Religie
Brontaal Nederlands
Datering 1906
Vertaler Adolf Visscher (1686-1746)
Bron Anoniem (1906) De apocriefe boeken. Uit de Hoogduitsche vertaling van M. Luther eertijds door Adolf Visscher in het Nederduitsch overgezet, [Amsterdam]: Nederlandsch Bijbelgenootschap, pp. 162-164. Zie Bestand:De apocriefe boeken p 162.jpg, Bestand:De apocriefe boeken p 163.jpg en Bestand:De apocriefe boeken p 164.jpg.
Auteursrecht Publiek domein
Logo Wikipedia
Meer over Het gebed van Azarja en het gezang der drie mannen in het vuur op Wikipedia

[162]

[...]

HET GEBED VAN AZARJA


EN


HET GEZANG DER DRIE MANNEN IN HET VUUR.


(Behoorende tot Daniël 3, na vs. 23.)


  EN Azarja stond midden in den gloeienden oven en opende zijnen mond,
26 bad en sprak: Geloofd zijt gij, Heer, gij, God onzer vaderen, en uw
27 naam moet geprezen en geëerd worden eeuwiglijk; want gij zijt recht-
  vaardig in al hetgeen gij ons gedaan hebt; al uwe werken zijn waar-
  achtig en wat gij doet, is recht; en al uwe oordeelen zijn onbestrafbaar.
28 Gij doet ons recht, dat gij ons gestraft hebt met zulke straf, welke gij
  over ons hebt laten gaan, en over Jeruzalem, de heilige stad onzer
29 vaderen, ja, gij doet recht en wèl daaraan, wegens onze zonden; want
  wij hebben gezondigd en kwaadgedaan, hiermede, dat wij van u afge-
30 weken zijn en overal tegen u misdaan hebben en naar uwe geboden
  niet gehoord, noch ze gehouden en er naar gedaan hebben, gelijk gij
31 ons bevolen hebt, opdat het ons mocht welgaan. Daarom hebt gij recht
32 gedaan, dat gij dat alles over ons hebt laten gaan, en ons gegeven in
  de handen van onze vijanden, de goddelooze, ondeugende lieden, en
33 den onrechtvaardigen, gruwzaamsten koning op aarde. En wij mogen
  onzen mond niet opendoen, zoo zijn uwe knechten en allen, die u vreezen,
  te schande en tot spot geworden voor uwe knechten en voor allen, die


[163]

34 u vreezen. Maar verstoot ons toch niet geheel, om uws heiligen naams
35 wil, en verwierp uw verbond niet. En neem uwe barmhartigheid niet
  vàn ons, terwille van Abraham, uwen lieven vriend, terwille van uwen
36 knecht Isaäk en Israël, uwen heilige, aan wie gij beloofd hebt, a dat a Gen. 22 : 17.
  gij hun zaad zoudt vermenigvuldigen als de sterren aan den hemel en    Gen. 26 : 4.
37 als het zand aan de zee. Want wij zijn minder geworden dan alle
  heidenen en zijn nu de verachtsten op de aarde, om onze zonden,
38 zoodat wij nu geen vorst, profeet noch leeraar hebben, en geen brand-
  offer noch dagelijksch offer nog spijsoffer noch reukwerk meer hebben,
39 en hebben geen plaats om voor u te offeren en genade te vinden; maar
  b met een bedroefd hart en een verslagen geest komen wij voor u, b Ps. 51 : 19.
40 alsof wij brandoffers van rammen en runderen en vele duizende vette
  schapen brachten: zoo wil toch ons offer heden voor u laten gelden en
  aangenaam zijn; want gij laat niet te schande worden degenen, die op
41 u hopen. Alzoo komen wij nu van ganscher harte en zoeken uw aan-
42 gezicht met vreeze. Daarom, laat ons niet te schande worden, maar
  doe ons, Heer, naar uwe genade en naar uwe groote barmhartigheid;
43 en verlos ons naar uwe wonderdaden en geef uwen naam eer; 44 zoodat
  allen zich moeten schamen, die uwen knechten leed aandoen, en te
  schande worden voor uwe groote macht en uw geweld, dat hunne
45 macht worde gebroken; opdat zij gewaarworden, dat gij zijt de Heer,
  de éénige God, heerlijk op den geheelen aardbodem.
46       En de dienaars des konings, die hen in den oven geworpen hadden,
  hielden niet op, altoos zwavel en pek en werk en drooge rijzen daarin
47 te werpen; zoodat de vlam boven uit den over sloeg, bij de negenen-
48 veertig ellen hoog, en zij woedde in ’t rond en verbrandde de Chaldeën,
49 welke zij voor en rondom den oven bereikte. Maar de Engel des
50 Heeren ging tot Azarja en die bij hem waren in den oven, en stiet de
  vlam van het vuur uit den oven, en maakte het in den oven als eene
  koele dauw, zoodat het vuur hen geheel niet aanraakte en hun smart
  noch schade deed.

——————

51       Toen begonnen deze drie met elkander te zingen en prezen en loofden
52 God in den oven, zeggende: Geloofd zijt gij, Heer, gij God onzer vaderen
  en gij moet geprezen en hoog geroemd worden eeuwiglijk. Geloofd zij
  uw heerlijke en heilige naam, die geprezen en hoog geroemd moet
53 worden eeuwiglijk. Geloofd zijt gij in uwen heiligen, heerlijken tempel,
54 gij, die moet geprezen en hoog geroemd worden eeuwiglijk. Geloofd zijt
  gij, a die op de cherubs zit, en ziet in de diepten; gij moet geprezen en a Ps. 80 : 2
55 hoog geroemd worden eeuwiglijk. Geloofd zijt gij op uwen heerlijken,    Ps. 90 : 1.
  koninklijken troon, gij, die moet geprezen en hooggeroemd worden
56 eeuwiglijk. Geloofd zijt gij in de vastigheid des hemels, gij, die moet
57 geprezen en hoog geroemd worden eeuwiglijk. Al de werken des Heeren
58 moeten hem loven, prijzen en roemen eeuwiglijk. Gij hemelen, looft den
59 Heer, prijst en roemt hem eeuwiglijk. Looft den Heer, b gij, Engelen b Ps 103 : 20.
60 des Heeren, prijst en roemt hem eeuwiglijk. Alle wateren daarboven
61 aan den hemel, looft den Heer, prijst en roemt hem eeuwiglijk. Alle
  heirscharen des Heeren, looft den Heer, prijst en roemt hem eeuwiglijk.
62 Zon en maan, looft den Heer, prijst en roemt hem eeuwiglijk. 63 Alle
  sterren aan den hemel, looft den Heer, prijst en roemt hem eeuwiglijk.
64 Regen en dauw, looft den Heer, prijst en roemt hem eeuwiglijk.
65 Alle winden, looft den Heer, prijst en roemt hem eeuwiglijk. 66 Vuur en
67 hitte, looft den Heer, prijst en roemt hem eeuwiglijk. Groote en kleine
68 hagelsteenen, looft den Heer, prijst en roemt hem eeuwiglijk. Dag en


[164]

69 nacht, looft den Heer, prijst en roemt hem eeuwiglijk. Licht en duister-
70 nis, looft den Heer, prijst en roemt hem eeuwiglijk. IJs en vorst, looft
71 den Heer, prijst en roemt hem eeuwiglijk. Rijm en sneeuw, looft den
72 Heer, prijst en roemt hem eeuwiglijk. Bliksem en wolken, looft den
73 Heer, prijst en roemt hem eeuwiglijk. De aarde love den Heer, prijze
74 en roeme hem eeuwiglijk. Bergen en heuvels, looft den Heer, prijst en
75 roemt hem eeuwiglijk. Alwat uit de aarde wast love den Heer, prijze
76 en roeme hem eeuwiglijk. Gij, fonteinen, looft den Heer, prijst en
77 roemt hem eeuwiglijk. Zee en waterstroomen, looft den Heer, prijst
78 en roemt hem eeuwiglijk. Walvisschen, en alwat zich in het water
79 roert, looft den Heer, prijst en roemt hem eeuwiglijk. Alle vogelen des
80 hemels, looft den Heer, prijst en roemt hem eeuwiglijk. Alle wilde
81 dieren en vee, looft den Heer, prijst en roemt hem eeuwiglijk. Gij.
  menschenkinderen, looft den Heer, prijst en roemt hem eeuwiglijk,
82 Israël love den Heer, prijze en roeme hem eeuwiglijk. 83 Gij, priesters
84 des Heeren, looft den Heere, prijst en roemt hem eeuwiglijk. Gij, c knech- c Ps. 113 : 1.
85 ten des Heeren, looft den Heer, prijst en roemt hem eeuwiglijk. Gij,    Ps. 134 : 1.
  geesten en zielen der rechtvaardigen, looft den Heer, prijst en roemt
86 hem eeuwiglijk. Gij, heiligen, die ellendig en bedroefd zijt, looft den
87 Heer, prijst en roemt hem eeuwiglijk. Hananja, Azarja en Misaël, looft
88 den Heer, prijst en roemt hem eeuwiglijk; want hij heeft ons verlost
89 uit den afgrond en heeft ons geholpen van den dood en heeft ons gered
  uit den gloeienden oven en heeft ons midden in het vuur behouden.
90 d Dankt den Heer, want hij is vriendelijk, en zijne goedheid duurt d Ps. 136 : 1.
91 eeuwiglijk. Gij allen, die den Heer vreest, looft den God aller goden,
  prijst hem en bekent dat zijne goedheid eeuwig duurt.