Apocriefe boeken/Van den Bel en den Draak te Babel

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
De apocriefe boeken
Inhoud · Het boek van Judith · De wijsheid van Salomo, aan de tyrannen · Het boek van Tobía · Het boek van Jezus Sirach · De profeet Baruch · Het eerste boek der Makkabeën · Het tweede boek der Makkabeën · Toevoegsels op het boek Ester · De historie van Susanna en Daniël · Van den Bel en den Draak te Babel · Het gebed van Azarja en het gezang der drie mannen in het vuur · Het gebed van Manasse, den koning van Juda, toen hij gevangen was te Babel


Van den Bel en den Draak te Babel

Auteur Anoniem
Genre(s) Religie
Brontaal Nederlands
Datering 1906
Vertaler Adolf Visscher (1686-1746)
Bron Anoniem (1906) De apocriefe boeken. Uit de Hoogduitsche vertaling van M. Luther eertijds door Adolf Visscher in het Nederduitsch overgezet, [Amsterdam]: Nederlandsch Bijbelgenootschap, pp. 160-162. Zie Bestand:De apocriefe boeken p 160.jpg, Bestand:De apocriefe boeken p 161.jpg en Bestand:De apocriefe boeken p 162.jpg.
Auteursrecht Publiek domein
Logo Wikipedia
Meer over Van den Bel en den Draak te Babel op Wikipedia

[160]

[...]

VAN

DEN BEL EN DEN DRAAK

TE BABEL


  NA den dood van Astyages kwam het koninkrijk aan Cyrus, uit Perzië. En
  a Daniël was gestadig bij den koning, en meer in aanzien dan alle gunste- a Dan. 6 : 29.
2 lingen des konings. Nu hadden die van Babylon een afgod, genaamd
  Bel; dien moest men dagelijks offeren twaalf mudden tarwe en veertig
3 schapen en drie aam wijn. En de koning zelf diende den afgod en ging
4 hem dagelijks aanbidden; maar Daniël aanbad zijnen God. En de koning
  sprak tot hem: Waarom bidt ook gij Bel niet aan? Maar hij sprak: Ik
  dien de afgoden niet, die met handen gemaakt, maar den levenden God,
  die den hemel en de aarde geschapen heeft en een Heer is over alles
5 wat leeft. Toen sprak de koning tot hem: Houdt gij dan Bel niet voor
  een levende god? Ziet gij niet hoeveel hij dagelijks eet en drinkt?
6       Maar Daniël lachte en sprak: Heer koning, laat u niet misleiden; want


[161]

  deze Bel is van binnen niets dan leem en van buiten koper, b en heeft b Jez. Sir. 30 : 19
7 nog nooit iets gegeten. Toen werd de koning toornig en liet al zijne
  priesters roepen en sprak tot hen: Indien gij mij niet zegt, wie dit offer
8 verteert, dan moet gij sterven; maar kunt gijlieden bewijzen, dat Bel dat
  verteert, dan moet Daniël sterven, want hij heeft Bel gelasterd. En Daniël
  sprak: Ja, heer koning, het geschiede gelijk gij gesproken hebt.
9       Nu waren er zeventig priesters van Bel, behalve hunne vrouwen en
10 kinderen. En de koning ging met Daniël in den tempel van Bel. Toen
  spraken de priesters van dien afgod: Zie, wij zullen uitgaan; en gij, heer
  koning, zult de spijs en den drank zelf daar zetten en de deur achter
11 u toesluiten en met uw eigen ring verzegelen. En, als gij des morgens
  vroeg wederkomt en vindt, dat Bel het niet alles verteerd heeft, willen
  wij gaarne sterven; òf Daniël moet gehoord worden, die zulks van ons
12 gelogen heeft. Maar zij verlieten zich daarop, dat zij een heimelijken
  gang onder de tafel gemaakt hadden; daarop gingen zij altijd in en
  verteerden wat er was.
13       Toen nu de priesters uitgegaan waren, liet de koning aan Bel de spijs
  voorzetten; maar Daniël beval zijnen knechten, dat zij asch zouden halen,
  en liet die strooien door den geheelen tempel voor den koning. Daarna
  gingen zij uit en sloten de deur toe en verzegelden ze met des konings
14 ring en gingen weg. De priesters nu gingen des nachts daarin, naar
  hunne gewoonte, met hunne vrouwen en kunderen, en aten en dronken
  alwat er was.
15       En de koning was des morgens zeer vroeg op en Daniël met hem;
16 en de koning sprak: Is het zegel onbeschadigd? Hij nu antwoordde:
17 Ja, heer koning. En zoodra de deur geopend was, zag de koning op
  de tafel en riep met eene luide stem: Bel, gij zijt een groot god, en
18 er is geen bedrog met u. Maar Daniël lachte en weerhield den koning
  dat hij niet inging, en sprak: Zie op den vloer en merk op, wiens voet-
19 stappen zijn dit? De koning sprak: Ik zie voetstappen van mannen,
20 vrouwen en kinderen. Toen werd de koning toornig en liet de priesters
  gevangen nemen, met hunne vrouwen en kinderen; en zij moesten hem
  de heimelijke gangen toonen, door welke zij uit- en ingegaan waren en
21 verteerd hadden het geen op de tafel was. En de koning liet hen dooden
  en gaf Bel in de macht van Daniël, die hem en zijnen tempel vernielde.

——————

22       Aldaar was ook een groote draak, dien de inwoners van Babel aanbaden.
23 en de koning sprak tot Daniël: Hoe, wilt gij van dien óók zeggen, dat
  hij niets meer dan een koperen afgod is? Zie, hij leeft immers; want
  hij eet en drinkt; en gij kunt niet zeggen, dat hij geen levende god is;
24 daarom aanbid hem. Maar Daniël antwoordde: Ik wil den Heer, mijnen
25 God aanbidden; want die is de levende God. Maar gij, heer koning,
  veroorloof mij, zoo zal ik dezen draak ombrengen zonder eenig zwaard
26 of stok. En de koning sprak: Ja, het zij u veroorloofd. Toen nam
  Daniël pek, vet en haar, en kookte het onder elkander, en maakte daar
  koekjes van, en wierp ze den draak in de keel; en de draak berstte
  daarvan middendoor. En Daniël sprak: Zie, dat zijn uwe goden!
27       Toen nu de inwoners van Babel dat hoorden, verdroot het hen zeer,
  en zij maakten een omloop tegen den koning en spraken: Onze koning
  is een Jood geworden; want hij heeft Bel vernield en den draak gedood
28 en de priesters omgebracht. En zij traden voor den koning en spraken:
  Geef ons Daniël hier; indien niet, zoo zullen wij u en uw geheele huis
29 ombrengen. Toen nu de koning zag, dat zij met geweld op hem aan-
30 drongen, moest hij Daniël aan hen overgeven; en zij wierpen hem bij


[162]

31 de leeuwen in den kuil, waarin hij zes dagen lang lag. En er waren
  zeven leeuwen in den kuil; aan die gaf men dagelijks twee menschen
  en twee schapen, maar in deze dagen gaf men hun niets, opdat zij
32 Daniël opeten zouden. Nu was er een profeet, Habakuk, in Judéa,
  die brijpap had gekookt en brood gebrokt in een diepen schotel en
33 daarmede op het veld ging, om het aan de maaiers te brengen. En de
  Engel des Heeren sprak tot Habakuk: Gij moet het eten, dat gij draagt,
34 aan Daniël brengen, te Babel, in den Leeuwenkuil. En Habakuk ant-
  woordde: Heer, ik heb de stad Babel nooit gezien en weet niet waar
35 de kuil is. c Toen vatte de Engel hem bij het haar des hoofds en bracht c Ez. 8 : 3.
36 hem, als door een sterken wind, te Babel, aan den kuil. En Habakuk
  riep en sprak: Daniël, Daniël, neem dis eten, hetwelk God u gezonden
37 heeft. En Daniël sprak: Heere God, gij gedenkt nog aan mij en
38 verlaat degenen niet, die u aanroepen en liefhebben. En hij stond
  op en at; maar de Engel Gods bracht Habakuk terstond weder naar
  zijne plaats.
39       En de koning kwam op den zevenden dag om rouw te toonen over
  Daniël; en toen hij aan den kuil kwam en er inzag, zie, toen zat Daniël
40 midden onder de leeuwen. En de koning riep overluid en sprak: O
  Heer, gij God van Daniël, gij zijt een groot God, en er is anders geen
41 God dan gij. En hij liet hem uit den kuil halen; d maar de anderen, d Dan. 6 : 24, 25.
  die hem wilden ter dood gebracht hebben, liet hij in den kuil werpen;
  en zij werden alzoo terstond voor zijne oogen door de leeuwen verslonden.