Apocriefe boeken/De historie van Susanna en Daniël

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
De apocriefe boeken
Inhoud · Het boek van Judith · De wijsheid van Salomo, aan de tyrannen · Het boek van Tobía · Het boek van Jezus Sirach · De profeet Baruch · Het eerste boek der Makkabeën · Het tweede boek der Makkabeën · Toevoegsels op het boek Ester · De historie van Susanna en Daniël · Van den Bel en den Draak te Babel · Het gebed van Azarja en het gezang der drie mannen in het vuur · Het gebed van Manasse, den koning van Juda, toen hij gevangen was te Babel


De historie van Susanna en Daniël

Auteur Anoniem
Genre(s) Religie
Brontaal Nederlands
Datering 1906
Vertaler Adolf Visscher (1686-1746)
Bron Anoniem (1906) De apocriefe boeken. Uit de Hoogduitsche vertaling van M. Luther eertijds door Adolf Visscher in het Nederduitsch overgezet, [Amsterdam]: Nederlandsch Bijbelgenootschap, pp. 158-160. Zie Bestand:De apocriefe boeken p 158.jpg, Bestand:De apocriefe boeken p 159.jpg en Bestand:De apocriefe boeken p 160.jpg.
Auteursrecht Publiek domein
Logo Wikipedia
Meer over De historie van Susanna en Daniël op Wikipedia

[158]

[...]

DE HISTORIE VAN

SUSANNA EN DANIËL.


  ER was een man te Babylon, genaamd Jojakom. 2 Die had eene vrouw,
  die Susanna heette, de dochter van Hilkíal die was zeer schoon en ook
3 godvreezend; want zij had vrome ouders, die haar onderwezen hadden
4 in de wet van Mozes. En haar man, Jojakim, was zeer rijk, en had
  een schoonen hof aan zijn huis; en de Joden kwamen steeds bij hem
5 te zamen, dewijl hij de voornaamste man was onder hen allen. En er
  werden in dat jaar twee oudsten uit het volk tot rechters gesteld; dat
  waren zulke lieden, van welke de Heer gezegd had: Hunne rechters
6 bedrijven alle boosheid te Babylon. Deze kwamen dagelijks tot Jojakim;
  en wie eene zaak had, moest aldaar voor hen komen.
7       En, als het volk weg was, omtrent den middag, placht Susanna in
8 haars mans hof te gaan. En als de oudsten haar dagelijks daarin zagen
9 gaan, weden zij met kwaden lust jegens haar ontstoken en werden
  verzot en wierpen de oogen zoo geheel op haar, dat zij niet naar den
  hemel konden zien, en noch aan het woord noch aan de straf van God
10 dachten. Maar zij waren beiden tegelijk jegens haar ontstoken. 11 En de
  één schaamde zich om het den ander te openbaren en elk had gaarne
12 met haar geboeleerd. En zij namen haar dagelijks naarstig waar, opdat
13 zij ze slechts zien mochten. En de één sprak tot den ander: Kom laat
14 ons naar huis gaan, want het is nu etenstijd. En toen zij van elkander
  gegaan waren, keerde elk daarna weder, en zij kwamen tegelijk weder
  bijeen. Toen nu de één den ander vraagde, bekenden zij beiden hunnen
  kwaden lust. Daarna werden zij het met elkander ééns om er op te
  wachten, wanneer zij de vrouw alleen mochten vinden.
15       En toen zij een geschikten dag bestemd hadden om op haar te loeren,
  kwam Susanna met de twee dienstmaagden, gelijk hare gewoonte was,
16 in den hof om zich te baden; want het was zeer heet. En er was geen
  mensch in den hof dan deze twee oudsten, die zich heimelijk verstoken
17 hadden en op haar loerden. En zij sprak tot hare dienstmaagden:
  Haalt mij balsem en zeep, en sluit den hof toe, opdat ik mij bade.
18 En de dienstmaagden deden gelijk zij bevolen had, en sloten den hof


[159]

  toe, en gingen door de achterdeur uit, om haar te brengen hetgeen zij
  hebben wilde; en zij werden de mannen niet gewaar, want zij hadden
  zich verstoken.
19       Toen nu de dienstmaagden uit waren, kwamen de twee oudsten voor
20 den dag en liepen tot haar en spraken: Zie, de hof is toegesloten, en
  a niemand ziet ons, en wij zijn ontstoken in liefde jegens u, daarom, a Jez. Sir. 23 : 26.
21 doe onzen wil. Doch, indien gij niet wilt, zullen wij tegen u getuigen,
  dat wij een jonkman alléén bij u gevonden hebben, en dat gij uwe
22 dienstmaagden daarom hebt heengezonden. Toen zuchtte Susanna diep
  en sprak: Ach, in wat grooten nood ben ik! Want indien ik dat doe,
  ben ik des doods; en doe ik het niet, zoo kom ik niet uit uwe handen.
23 Doch ik wil liever onschuldig in de handen der menschen vallen, dan
24 tegen den Heer zondigen. En zij begon luid te roepen. Maar de oudsten
25 riepen ook over haar; en de één liep heen naar de deur des hofs en
26 deed ze open. Toen nu het huisgezin dat geroep hoorde, liepen zij uit
  in den hof door de achterdeur, om te zien wat haar wedervaren was.
27 En de oudsten begonnen zoodanig van haar te spreken dat de knechten
  zich harentwege schaamden; want iets dergelijks was tevoren nooit van
  Susanna gehoord geworden.
28       En des anderen daags, toen het volk in het huis van haren man
  Jojakim te zamen kwam, kwamen ook de twee oudsten, vol van valsche
29 list tegen Susanna, opdat zij haar ter dood mochten brengen, en spraken
  tot al het volk: Zendt heen en laat Susanna, de dochter van Hilkía,
30 Jojakims huisvrouw, hier halen. En toen zij ontboden werd, kwam zij
31 met hare ouders en kinderen en hare geheele maagschap. Zij nu was
32 zeer terneder en schoon; daarom lieten deze booswichten haar den sluier
  wegrukken, met welken zij bedekt was; opdat zij zich aan hare schoon-
33 heid vermaakten. En allen, die bij haar stonden en haar kenden, weenden
34 om haar. En de twee oudsten stonden op, midden onder het volk, en
35 legden de handen op haar hoofd. Maar zij weende en hief de oogen
  op naar den hemel; want haar hart had vertrouwen op den Heer.
36       En de oudsten begonnen en spraken: Toen wij beiden alleen in den
  hof rondgingen kwam zij daarin met twee dienstmaagden en sloot den
37 hof toe en zond de dienstmaagden van haar. Toen kwam een jonkman
38 tot haar, die zich verstoken had, en legde zich bij haar. Maar toen wij
  in een hoek van den hof zulk een schande zagen, liepen wij haastig toe
39 en vonden ze bij elkander. Maar den jonkman konden wij niet machtig
  worden; want hij was ons te sterk en stiet de deur open en sprong
40 weg. Doch haar grepen wij, en vraagden wie de jonkman was; maar
  zij wilde het ons niet zeggen. Dat getuigen wij.
41       En het volk geloofde die twee, als rechters en oversten van het volk,
42 en veroordeelde Susanna ter dood. Maar zij riep met eene luide stem
  en sprak: Heer, eeuwige God, gij, die alle verborgenheden kent en alle
43 dingen tevoren weet, eer zij geschieden, 43 gij weet, dat deze eene
  valsche getuigenis tegen mij gegeven hebben; en nu zie, ik moet sterven,
  hoewel ik nochtans onschuldig ben in hetgeen zij boosaardig tegen mij
44 gelogen hebben. En God verhoorde haar roepen.
45       En toen men haar heenleide ter dood, verwekte God den geest eens
46 jongelings, genaamd Daniël. Die begon overluid te roepen: Ik wil
47 onschuldig zijn aan dit bloed! En al het volk keerde zich om tot hem
48 en vraagde hem, wat hij met die woorden meende? Maar hij trad onder
  hen en sprak: Zijt gij van Israël zulke dwazen, dat gij eene dochter
  van Israël veroordeelt, eerdat gij de zaak onderzoekt en daarvan ver-
49 zekerd wordt? Keert weder voor het gerecht; want deze hebben eene
  valsche getuigenis tegen haar gesproken.


[160]

50       En al het volk keerde haastig weder. En de oudsten spraken tot
  Daniël: Zet u hier bij ons en onderricht ons, dewijl God u tot zulk een
51 rechterambt roept. En Daniël sprak tot hen: Brengt ze van elkander,
52 zoo zal ik ieder afzonderlijk verhooren. En, toen zij van elkander
  gebracht waren, riep hij den één en sprak tot hem: Gij ondeugende,
  oude booswicht, nu treffen u uwe zonden, welke gij tevoren bedreven
53 hebt, toen gij onrechtvaardige oordeelen veldet, en de onschuldigen ver-
  oordeeldet, maar de schuldigen losliet, daar nochtans de Heer b geboden b Ex. 23 : 7.
54 heeft: Gij zult de vromen en onschuldigen niet dooden. Hebt gij nu
  deze gezien, zeg dan, onder wat boom hebt gij ze bij elkander gevonden?
55 En hij antwoordde: Onder een lindeboom. Toen sprak Daniël: Recht
  zoo, de Engel des Heeren zal u vinden en vanéénrijten; want met uwe
56 logen brengt gij uzelf om het leven. En toen deze weg was, liet hij
  den ander óók voor zich komen en sprak tot hem: Gij aard van c Kanaän, c Ez. 16 : 3.
  en niet van Juda, de schoonheid heeft u bedrogen en de kwade lust
57 heeft uw hart verkeerd. Alzóó hebt gijlieden met de dochters van Israël
  gehandeld en zij hebben uit vrees uwen wil moeten doen; maar deze
58 dochter heeft in uwe boosheid niet bewilligd. Nu zeg mij, onder wat
  boom hebt gij ze bij elkander betrapt? Maar hij antwoordde: Onder
59 een eik. Toen sprak Daniël: Recht zoo, de Engel des Heeren zal u
  teekenen en zal u in stukken houwen; want met uwe logen brengt gij
60 uzelf om het leven. Toen begon al het volk met luider stem te roepen
  en zij prezen God, die degenen helpt, die op hem hopen en vertrouwen.
61 En zijn stonden op tegen de twee oudsten, dewijl Daniël hen uit hun
62 eigen woorden overtuigd had, dat zij valsche getuigen waren, en deden
  hun d naar de wet van Mozes, gelijk zij aan hunnen naaste verdiend hadden, d Deut. 19 : 18, 19.
  en doodden ze. Alzoo werd op dezen dag het onschuldige bloed verlost.
63 Maar Hilkía met zijne huisvrouw loofden God wegens hunne dochter
  Susanna, met haren man Jojakim en de geheele maagschap, omdat er
64 niets schandelijks aan haar bevonden was. En Daniël werd groot voor
  het volk, van dien dag af, en daarna voor altoos.