Archiefwet 1995/Hoofdstuk III

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Copyright.svg   Wet van 28 april 1995, houdende vervanging van de Archiefwet 1962 (Stb. 313) en in verband daarmede wijziging van enige andere wetten   PD-icon.svg
Hoofdstuk I. Algemene bepalingen
Hoofdstuk II. Archiefbescheiden in het algemeen
Hoofdstuk III. Archiefbescheiden van het rijk
Hoofdstuk IV. Archiefbescheiden van provincies
Hoofdstuk V. Archiefbescheiden van gemeenten
Hoofdstuk VI. Archiefbescheiden van waterschappen
Hoofdstuk VII. Archiefbescheiden van andere overheidsorganen
Hoofdstuk VIII. Strafbepaling
Hoofdstuk IX. Overgangs- en slotbepalingen

Hoofdstuk III. Archiefbescheiden van het rijk[bewerken]

Artikel 23[bewerken]

1. De Eerste en de Tweede Kamer der Staten-Generaal, de andere Hoge Colleges van Staat, de directeur van het Kabinet der Koningin en Onze ministers dragen zorg voor hun archiefbescheiden, voor zover deze niet zijn overgebracht naar een rijksarchiefbewaarplaats.
2. Onze commissarissen in de provincie dragen zorg voor de archiefbescheiden die verband houden met de taken, bedoeld in artikel 182, eerste en tweede lid, van de Provinciewet, voor zover deze archiefbescheiden niet zijn overgebracht naar een rijksarchiefbewaarplaats.
3. Onze minister draagt tevens zorg voor de archiefbescheiden, die in de rijksarchiefbewaarplaatsen berusten.
4. Bij algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld omtrent de wijze waarop de in het eerste lid bedoelde zorg wordt uitgeoefend.

Artikel 24[bewerken]

1. Onze minister is bevoegd overheidsorganen als bedoeld in de artikelen 23, eerste lid en tweede lid, en 41, eerste lid, er op te wijzen dat zij dienen te voldoen aan het bepaalde bij of krachtens deze wet.
2. Onze minister is bevoegd tot toepassing van bestuursdwang in geval een overheidsorgaan een aanwijzing als bedoeld in het eerste lid niet opvolgt.
3. Onze minister maakt van zijn bevoegdheid, genoemd in het tweede lid, geen gebruik dan na overleg met het betrokken overheidsorgaan.
4. De bevoegdheid, genoemd in het tweede lid, geldt niet ten aanzien van de Eerste en Tweede Kamer der Staten-Generaal, de andere Hoge Colleges van Staat en het Kabinet der Koningin.

Artikel 25[bewerken]

1. Er is onder de bevelen van Onze minister een rijksarchiefdienst, aan het hoofd waarvan staat de algemene rijksarchivaris, die in het bezit dient te zijn van een diploma archivistiek.
2. De rijksarchiefdienst heeft tot taak:
a. het beheer van de in de rijksarchiefbewaarplaatsen berustende archiefbescheiden;
b. het verrichten van bij of krachtens algemene maatregel van bestuur of door Onze minister opgedragen taken.

Artikel 25a[bewerken]

1. Met het toezicht op de naleving van het bij of krachtens de wet bepaalde ten aanzien van het beheer van de archiefbescheiden, bedoeld in de artikelen 23, eerste en tweede lid, en 41, eerste lid, zijn belast de bij besluit van Onze minister als hoofdinspecteur en inspecteurs aangewezen ambtenaren.
2. Van een besluit als bedoeld in het eerste lid wordt mededeling gedaan in de Staatscourant.
3. De toezichthouder beschikt niet over de bevoegdheid, genoemd in artikel 5:19 van de Algemene wet bestuursrecht.
4. Indien een toezichthouder met toepassing van artikel 5:15 van de Algemene wet bestuursrecht een ruimte betreedt waarin de in de artikelen 23, eerste of tweede lid, dan wel artikel 41, eerste lid, bedoelde archiefbescheiden worden bewaard, dan wel met toepassing van artikel 5:18 van de Algemene wet bestuursrecht inzage vordert van die archiefbescheiden, neemt hij de voorschriften ten aanzien van de beveiliging van geheimen in acht.

Artikel 25b[bewerken]

1. De hoofdinspecteur, bedoeld in artikel 25a, eerste lid, doet aan het overheidsorgaan mededeling van de bevindingen van het toezicht en van de voorzieningen die naar zijn oordeel dienen te worden getroffen.
2. Hij brengt jaarlijks voor 1 juli aan Onze minister schriftelijk verslag uit van de bevindingen van het toezicht gedurende het afgelopen kalenderjaar. Onze minister legt dit verslag, vergezeld van zijn standpunt, over aan de Staten-Generaal.

Artikel 26[bewerken]

1. Te 's-Gravenhage is gevestigd de algemene rijksarchiefbewaarplaats, welke is bestemd voor de bewaring van de archiefbescheiden der overheidsorganen, waarvan de functies zich over het gehele rijk uitstrekken of hebben uitgestrekt. De algemene rijksarchivaris is daarvan de beheerder.
2. In de hoofdplaats van elke provincie is gevestigd een rijksarchiefbewaarplaats, welke is bestemd voor de bewaring van de archiefbescheiden van de provinciale organen. Voorts is de rijksarchiefbewaarplaats in de hoofdplaats van een provincie bestemd voor de bewaring van de archiefbescheiden van de in die provincie gevestigde organen van het rijk, van de voormalige provinciale en departementale besturen en van de in artikel 41, eerste lid, bedoelde overheidsorganen, waarvan de functies zich niet over het gehele rijk uitstrekken of hebben uitgestrekt. Een rijksarchivaris, die in het bezit dient te zijn van een diploma archivistiek, is daarvan de beheerder.
3. Bij koninklijk besluit kunnen andere rijksarchiefbewaarplaatsen worden aangewezen of gevestigd dan de in het eerste en tweede lid bedoelde.
4. Bij koninklijk besluit kan worden bepaald, dat archiefbescheiden van overheidsorganen, waarvan de functies zich over het gehele rijk uitstrekken of hebben uitgestrekt, worden bewaard in de rijksarchiefbewaarplaats in de hoofdplaats van de provincie, waarin deze overheidsorganen gevestigd zijn of zijn geweest.
5. Bij koninklijk besluit kan worden bepaald, dat archiefbescheiden van overheidsorganen, waarvan de functies zich over meer dan een provincie doch niet over het gehele rijk uitstrekken of hebben uitgestrekt, worden bewaard in de algemene rijksarchiefbewaarplaats.
6. Omtrent de bewaring in rijksarchiefbewaarplaatsen van andere dan in het eerste en tweede lid bedoelde archiefbescheiden beslist Onze minister.
7. Onze minister stelt de verdere inrichting van de rijksarchiefdienst vast.