Auteurswet Suriname - Hoofdstuk I

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Copyright.svg   Wet van 22 maart 1913, houdende nieuwe regeling van het auteursrecht   PD-icon.svg
Hoofdstuk I. Algemene bepalingen
Hoofdstuk II. De handhaving van het auteursrecht en bepalingen van strafrecht
Hoofdstuk III. De duur van het auteursrecht
Hoofdstuk IV. Overgangs- en slotbepalingen

Hoofdstuk I. Algemene bepalingen[bewerken]

§ 1. De aard van het auteursrecht[bewerken]

Artikel 1[bewerken]

Het auteursrecht is het uitsluitend recht van de maker van een werk van letterkunde, wetenschap of kunst, of van diens rechtverkrijgenden, om dit openbaar te maken en te verveelvoudigen, behoudens de beperkingen, bij wet gesteld.

Artikel 2[bewerken]

Het auteursrecht wordt beschouwd als een roerende zaak. Het gaat over bij erfopvolging en is vatbaar voor gehele of gedeeltelijke overdracht. Gehele of gedeeltelijke overdracht van het auteursrecht kan niet anders geschieden dan door middel van een authentieke of onderhandse akte. Zij omvat alleen die bevoegdheden, waarvan de overdracht in de akte is vermeld of uit aard en strekking van de gesloten overeenkomst noodzakelijk voortvloeit.

Het auteursrecht, hetwelk toekomt aan de maker van het werk, zomede, na het overlijden van de makers, het auteursrecht op niet openbaar gemaakte werken, hetwelk toekomt aan degene, die het als erfgenaam of legataris van de maker verkregen heeft, is niet vatbaar voor beslag.

§ 2. De maker van het werk[bewerken]

Artikel 3[1][bewerken]

Vervallen.

Artikel 4[2][bewerken]

Behoudens bewijs van het tegendeel wordt voor de maker gehouden hij die op of in het werk als zodanig is aangeduid, of bij gebreke van zulk een aanduiding, degene, die bij de openbaarmaking van het werk als maker daarvan is bekend gemaakt door hem, die het openbaar maakt.

Wordt bij het houden van een niet in druk verschenen mondelinge voordracht geen mededeling omtrent de maker gedaan, dan wordt, behoudens bewijs van het tegendeel voor de maker, gehouden hij die de mondelinge voordracht houdt.

Artikel 5[bewerken]

Van een werk van letterkunde, wetenschap of kunst, hetwelk bestaat uit afzonderlijke werken van twee of meer personen, wordt, onverminderd het auteursrecht op ieder werk afzonderlijk, als de maker aangemerkt degene, onder wiens leiding en toezicht het ganse werk is tot stand gebracht, of bij gebreke van die, degene, die de verschillende werken verzameld heeft.

Als inbreuk op het auteursrecht op het ganse werk wordt beschouwd het verveelvoudigen of openbaar maken van enig daarin opgenomen afzonderlijk werk, waarop auteursrecht bestaat, door een ander dan de maker daarvan of diens rechtverkrijgenden.

Is zulk een afzonderlijk werk niet tevoren openbaar gemaakt, dan wordt, tenzij tussen partijen anders is overeengekomen, als inbreuk op het auteursrecht op het ganse werk beschouwd het verveelvoudigen of openbaar maken van dat afzonderlijk werk door de maker daarvan of diens rechtverkrijgenden, indien daarbij niet het werk vermeld wordt, waarvan het deel uitmaakt.

Artikel 6[bewerken]

Indien een werk is tot stand gebracht naar het ontwerp van een ander en onder diens leiding en toezicht, wordt deze als de maker van dat werk aangemerkt.

Artikel 7[bewerken]

Indien de arbeid, in dienst van een ander verricht, bestaat in het vervaardigen van bepaalde werken van letterkunde, wetenschap of kunst dan wordt, tenzij tussen partijen anders is overeengekomen, als de maker van die werken aangemerkt degene, in wiens dienst de werken zijn vervaardigd.

Artikel 8[bewerken]

Indien een openbare instelling, een vereniging, stichting of vennootschap, een werk als van haar afkomstig openbaar maakt, zonder daarbij enig natuurlijk persoon als maker er van te vermelden, wordt zij, tenzij bewezen wordt, dat de openbaarmaking onder de bedoelde omstandigheden onrechtmatig was, als de maker van dat werk aangemerkt.

Artikel 9[bewerken]

Indien op of in enig in druk verschenen werk de maker niet, of niet met zijn ware naam, is vermeld, kan tegenover derden het auteursrecht ten behoeve van de rechthebbende worden uitgeoefend voor degene, die op of in dat werk als de uitgever ervan is aangeduid, of bij gebreke van zodanige aanduiding, door degene, die op of in het werk als de drukker ervan is vermeld.

§ 3. De werken, waarop auteursrecht bestaat[bewerken]

Artikel 10[3][bewerken]

Onder werken van letterkunde, wetenschap of kunst verstaat deze wet:

  1. boeken, brochures, nieuwsbladen, tijdschriften en alle andere geschriften;
  2. toneelwerken en dramatisch-muzikale werken;
  3. mondelinge voordrachten;
  4. choregrafische werken en pantomimes, welker wijze van opvoering bij geschrift of anderszins is vastgesteld;
  5. muziekwerken met of zonder woorden;
  6. teken-, schilder-, bouw- en beeldhouwwerken, lithografieën, graveer- en andere plaatwerken;
  7. aardrijkskundige kaarten;
  8. ontwerpen, schetsen en plastische werken, betrekkelijk tot de bouwkunde, de aardrijkskunde, de plaatsbeschrijving of andere wetenschappen;
  9. fotografische en kinematografische werken en werken, volgens gelijksoortige werkwijzen vervaardigd;
  10. werken van toegepaste kunst;
en in het algemeen ieder voortbrengsel op het gebied van letterkunde, wetenschap of kunst, op welke wijze of in welke vorm het ook verveelvoudigd kan worden.

Vertalingen, muziekschikkingen, verfilmingen, bewerkingen en andere verveelvoudigingen in gewijzigde vorm van een werk van letterkunde, wetenschap of kunst, zomede verzamelingen van verschillende werken, worden, onverminderd het auteursrecht op het oorspronkelijk werk als zelfstandige werken beschermd.

Artikel 11[4][bewerken]

Er bestaat geen auteursrecht op algemene verordeningen als bedoeld bij artikel 2 van de Surinaamse Staatsregeling, door de openbare macht uitgevaardigd, noch op rechterlijke uitspraken en administratieve beslissingen.

§ 4. Het openbaar maken[bewerken]

Artikel 12[5][bewerken]

Onder de openbaarmaking van een werk van letterkunde, wetenschap of kunst wordt mede verstaan:

  1. de openbaarmaking van een verveelvoudiging van het geheel of een gedeelte van het werk;
  2. de verbreiding van het geheel of een gedeelte van het werk of van een verveelvoudiging daarvan, zolang het niet in druk verschenen is;
  3. de voordracht, op- of uitvoering of voorstelling in het openbaar van het geheel of een gedeelte van het werk of van een verveelvoudiging daarvan;
  4. de openbaarmaking van het door een ander, al of niet per draad, uitgezonden werk.

Onder een voordracht, op- of uitvoering of voorstelling in het openbaar wordt mede verstaan een in besloten kring, welke tegen betaling toegankelijk is, ook al geschiedt die betaling door de voldoening van een contributie of op andere wijze. Hetzelfde geldt van een tentoonstelling in het openbaar.

§ 5. Het verveelvoudigen[bewerken]

Artikel 13[6][bewerken]

Onder de verveelvoudiging van een werk van letterkunde, wetenschap of kunst wordt mede verstaan de vertaling, de muziekschikking, de verfilming of toneelbewerking en in het algemeen iedere gehele of gedeeltelijke bewerking of nabootsing in gewijzigde vorm, welke niet als een nieuw, oorspronkelijk werk moet worden aangemerkt.

Artikel 14[7][bewerken]

Onder het verveelvoudigen van een werk, dat door middel van het gehoor kan worden waargenomen, wordt mede verstaan het vervaardigen van voorwerpen, bestemd om het geheel of een gedeelte van het werk langs mechanische weg ten gehore te brengen.

§ 6. De beperkingen van het auteursrecht[bewerken]

Artikel 15[8][bewerken]

Als inbreuk op het auteursrecht wordt niet beschouwd het overnemen van in een nieuwsblad of tijdschrift verschenen artikelen, berichten of andere stukken, met uitzondering van romans en novellen, zonder toestemming van de maker of zijn rechtverkrijgenden door een ander nieuwsblad of tijdschrift, mits daarbij het nieuwsblad of tijdschrift waaruit is overgenomen op duidelijke wijze wordt vermeld, benevens de aanduiding van de maker, indien deze in de bron waaruit is overgenomen voorkomt, en tenzij het auteursrecht uitdrukkelijk is voorbehouden. Bij tijdschriften is het voldoende, indien dit voorbehoud in algemene bewoordingen aan het hoofd van het nummer voorkomt. Ten aanzien van artikelen, politieke geschilpunten betreffende, nieuwstijdingen en gemengde berichten kan een voorbehoud niet worden gemaakt.

De bevoegdheid tot overneming in het vorige lid bedoeld, bestaat ten aanzien van buitenlandse bladen en tijdschriften slechts, wanneer het geldt nieuwstijdingen, gemengde berichten of actuele artikelen over economie, politiek of godsdienst; de laatste zin van het vorige lid vindt daarbij met betrekking tot artikelen, welke politieke geschilpunten betreffende, geen toepassing.

De bepalingen van dit artikel zijn mede van toepassing ten aanzien van het overnemen in een andere taal dan die van het oorspronkelijk artikel.

Artikel 15bis[9][bewerken]

Als inbreuk op het auteursrecht worden niet beschouwd korte aanhalingen van in een nieuwsblad of tijdschrift verschenen artikelen, zelfs niet in de vorm van persoverzichten, mits daarbij het nieuwsblad of tijdschrift, waaruit is aangehaald, op duidelijke wijze wordt vermeld, benevens de aanduiding van de maker, indien deze in de bron, waaruit is aangehaald, voorkomt.

Artikel 15ter[10][bewerken]

Als inbreuk op het auteursrecht op een door of vanwege de openbare macht openbaar gemaakt werk van letterkunde, wetenschap of kunst wordt niet beschouwd verdere openbaarmaking of verveelvoudiging daarvan, tenzij het auteursrecht, hetzij in het algemeen bij een algemene verordening als bedoeld bij artikel 2 van de Surinaamse Staatsregeling, hetzij in een bepaald geval blijkens mededeling op het werk zelf of bij de openbaarmaking daarvan uitdrukkelijk is voorbehouden.

Ook als een zodanig voorbehoud niet is gemaakt, behoudt de maker echter het uitsluitend recht, zijn werken, die door of vanwege de openbare macht zijn openbaar gemaakt, in een bundel verenigd te doen verschijnen.

Artikel 16[11][bewerken]

Als inbreuk op het auteursrecht op een werk van letterkunde, wetenschap of kunst wordt niet beschouwd:

a. het geheel of gedeeltelijk, in de oorspronkelijke taal of vertaald, overnemen van reeds eerder uitgegeven werken in bloemlezingen en andere werken kennelijk bestemd voor het onderwijs of een ander wetenschappelijk doel, mits:

  1. van dezelfde maker niet meer worden overgenomen dan enkele korte gedeelten van zijn werken of enkele korte opstellen of gedichten, en waar het geldt werken als bedoeld bij artikel 10, eerste lid onder 6º, niet meer dan enkele van die werken en in zodanige verveelvoudiging, dat deze door haar grootte of door de werkwijze, volgens welke zij vervaardigd is, een duidelijk verschil vertoont met het oorspronkelijke, met

dien verstande, dat wanneer van deze werken twee of meer verenigd openbaar zijn gemaakt, die verveelvoudiging slechts ten aanzien van één daarvan geoorloofd is;

  1. de bepalingen van artikel 25 worden in acht genomen;
  2. bij het overgenomene het werk hetwelk of waaruit is overgenomen genoemd wordt, en de maker, voor zover deze op of in het werk is aangeduid, wordt vermeld;
  3. aan de maker of zijn rechtverkrijgenden een billijke vergoeding wordt betaald.

b. het aanhalen van stukken uit reeds eerder openbaar gemaakte geschriften, in de oorspronkelijke taal of vertaald, of muziekwerken en het opnemen van verveelvoudigingen van reeds eerder openbaar gemaakte werken van beeldende kunst in het verband van de tekst van een aankondiging of beoordeling, of van een polemiek of wetenschappelijke verhandeling mits:

  1. aantal en omvang der aldus aangehaalde stukken of opgenomen verveelvoudigingen blijven binnen de grenzen van hetgeen naar de regels van het maatschappelijk verkeer redelijkerwijs geoorloofd is;
  2. de bepalingen van artikel 25 worden in acht genomen; en
  3. de maker, voor zover deze op of in het werk is aangeduid, wordt vermeld.

De President is bevoegd bij staatsbesluit nader te bepalen, wat in lid 1, sub a, onder 1º, is te verstaan onder "enkele korte gedeelten van zijn werken of enkele korte opstellen of gedichten", alsmede regelen te stellen omtrent een overeenkomstig lid 1, sub a, onder 4º, te betalen billijke vergoeding.

Van een in het openbaar gehouden mondelinge voordracht, welke niet reeds in druk is verschenen, kan de zakelijke inhoud als verslag in een nieuwsblad of tijdschrift worden medegedeeld, mits daarbij vermeld wordt degene, die de voordracht gehouden heeft.

Artikel 16bis[12][bewerken]

Als inbreuk op het auteursrecht op een werk van letterkunde, wetenschap of kunst wordt niet beschouwd de opname, weergave en openbare mededeling van beperkte gedeelten daarvan in een foto-, film- of radioreportage, voor zover zulks voor het behoorlijk weergeven van de actuele gebeurtenis welke het onderwerp der reportage uitmaakt, noodzakelijk is.

Artikel 17[bewerken]

Als inbreuk op het auteursrecht op een werk van letterkunde, wetenschap of kunst wordt niet beschouwd de verveelvoudiging, welke beperkt blijft tot enkele exemplaren en uitsluitend dient tot eigen oefening, studie of gebruik, en die, waar het geldt een werk, als bedoeld bij artikel 10, 6°, door haar grootte of door de werkwijze, volgens welke zij vervaardigd is, een duidelijk verschil vertoont met het oorspronkelijk werk.

Deze bepaling is niet van toepassing ten aanzien van het nabouwen van bouwwerken.

Artikel 17bis[13][bewerken]

Bij staatsbesluit kunnen in het algemeen belang regelen worden vastgesteld nopens de uitoefening van het recht van de maker van een werk van letterkunde, wetenschap of kunst of van zijn rechtverkrijgenden met betrekking tot de openbaarmaking van zulk een werk door radio-uitzending van tekens, geluid of beelden, alsmede met betrekking tot de verdere verspreiding, al of niet per draad, van het aldus openbaar gemaakte werk. Dit staatsbesluit kan bepalen, dat zodanig werk mag worden openbaar gemaakt zonder voorafgaande toestemming van de maker of zijn rechtverkrijgenden.

Zij die dientengevolge bevoegd zijn een werk openbaar te maken, zijn desniettemin verplicht de persoonlijkheidsrechten van de maker te eerbiedigen en aan de maker of zijn rechtverkrijgenden een billijke vergoeding te betalen, welke bij gebreke van overeenstemming op vordering van de meest gerede partij door de rechter zal worden vastgesteld, die tevens het stellen van zekerheid kan bevelen.

Het in het vorige lid bepaalde is van overeenkomstige toepassing ten aanzien van de vervaardiging en het in het verkeer brengen van voorwerpen, met uitzondering echter van cinematografische verveelvoudigingen, bestemd om het geheel of een gedeelte van een muziekwerk langs mechanische weg ten gehore te brengen, indien dergelijke voorwerpen van het onderhavige muziekwerk reeds eerder door of met toestemming van de maker of zijn rechtverkrijgenden vervaardigd en in het verkeer gebracht zijn.

Artikel 17ter[14][bewerken]

Tenzij anders is overeengekomen, sluit de bevoegdheid tot openbaarmaking door radio-uitzending niet in de bevoegdheid het werk vast te leggen.

De radio-zendorganisatie, die bevoegd is tot openbaarmaking zoals in het eerste lid omschreven, is echter gerechtigd met haar eigen middelen en uitsluitend voor haar eigen radiouitzendingen het ter uitzending bestemde werk vast te leggen, mits het enige voorwerp, waarop de geluiden of beelden aldus zijn vastgelegd, wordt vernietigd of onbruikbaar gemaakt binnen 28 dagen na de eerste, met behulp daarvan verrichte radiouitzending en in ieder geval binnen een half jaar na de vervaardiging.

De radiozendorganisatie, die dientengevolge gerechtigd is tot vastlegging, is desniettemin verplicht de persoonlijkheidsrechten van de maker van het werk te eerbiedigen.

Bij staatsbesluit kan worden bepaald dat en onder welke voorwaarden aldus vervaardigde opnamen van uitzonderlijke documentaire waarde in officiële archieven mogen worden bewaard.

Artikel 18[bewerken]

Als inbreuk op het auteursrecht op een werk, als bedoeld bij artikel 10, 6°, hetwelk blijvend op of aan de openbare weg zichtbaar is gesteld, wordt niet beschouwd de verveelvoudiging, welke door haar grootte of door de werkwijze, volgens welke zij vervaardigd is, een duidelijk verschil vertoont met het oorspronkelijk werk en zich, wat bouwwerken betreft, tot het uitwendige daarvan bepaalt.

Artikel 19[15][bewerken]

Als inbreuk op het auteursrecht op een portret wordt niet beschouwd de verveelvoudiging daarvan door, of ten behoeve van, de geportretteerde of, na diens overlijden, zijn nabestaanden.

Bevat een zelfde afbeelding het portret van twee of meer personen, dan staat die verveelvoudiging aan ieder hunner ten aanzien van andere portretten dan zijn eigen slechts vrij met toestemming van die andere personen of, gedurende tien jaren na hun overlijden, van hun nabestaanden.

Ten aanzien van een fotografisch portret wordt mede niet als inbreuk op het auteursrecht beschouwd het openbaar maken daarvan in een nieuwsblad of tijdschrift door of met toestemming van een der personen, in het eerste lid genoemd, mits daarbij de naam van de makers, voor zover deze op of bij het portret is aangeduid, vermeld wordt.

Dit artikel is slechts van toepassing ten aanzien van portretten, welke vervaardigd zijn ingevolge een opdracht, door of vanwege de geportretteerde personen, of te hun behoeve aan de maker gegeven.

Artikel 20[16][bewerken]

Tenzij anders is overeengekomen is degene, wien het auteursrecht op een portret toekomt, niet bevoegd dit openbaar te maken zonder toestemming van de geportretteerde of, gedurende tien jaren na diens overlijden, van diens nabestaanden.

Bevat een zelfde afbeelding het portret van twee of meer personen, dan is ten aanzien van de ganse afbeelding de toestemming vereist van alle geportretteerden of, gedurende tien jaren na hun overlijden, van hun nabestaanden.

Het laatste lid van het voorgaande artikel is van toepassing.

Artikel 21[17][bewerken]

Is een portret vervaardigd zonder daartoe strekkende opdracht, de maker door of vanwege de geportretteerde, of te diens behoeve, gegeven, dan is openbaarmaking daarvan door degene, wien het auteursrecht daarop toekomt, niet geoorloofd, voor zover een redelijk belang van de geportretteerde of, na zijn overlijden, van een zijn nabestaanden zich tegen de openbaarmaking verzet.

Artikel 22[bewerken]

In het belang van de openbare veiligheid alsmede ter opsporing van strafbare feiten mogen afbeeldingen van welke aard ook door of vanwege de justitie worden verveelvoudigd en openlijk tentoongesteld en verspreid.

Artikel 23[18][bewerken]

Tenzij anders is overeengekomen is de eigenaar van een teken-, schilder-, bouw- of beeldhouwwerk of van een werk van toegepaste kunst gerechtigd dat werk zonder toestemming van degene, wien het auteursrecht daarop toekomt, in het openbaar ten toon te stellen of, met het oogmerk het te verkopen, in een catalogus te verveelvoudigen.

Artikel 24[bewerken]

Tenzij anders is overeengekomen blijft de maker van enig schilderwerk, niettegenstaande de overdracht van zijn auteursrecht, bevoegd gelijke schilderwerken te vervaardigen.

Artikel 25[19][bewerken]

De maker van een werk heeft, zelfs nadat hij zijn auteursrecht heeft overgedragen, de volgende persoonlijkheidsrechten:

a. het recht zich te verzetten tegen de openbaarmaking van het werk onder een andere naam dan de zijne, alsmede tegen het aanbrengen van enige wijziging in de benaming van het werk of in de aanduiding van de maker, voor zover deze op of in het werk voorkomen, dan wel in verband daarmede zijn openbaar gemaakt;
b. het recht zich te verzetten tegen elke andere wijziging in het werk, tenzij deze wijziging van zodanige aard is, dat het verzet zou zijn in strijd met de redelijkheid;
c. het recht zich te verzetten tegen elke misvorming, verminking of andere aantasting van het werk, welke nadeel zou kunnen toebrengen aan de eer of de naam van de maker of aan zijn waarde in deze hoedanigheid.

De onder a, b en c genoemde rechten komen na het overlijden van de maker tot aan het vervallen van het auteursrecht toe aan de door de maker bij uiterste wilsbeschikking aangewezene, en bij gebreke van dien aan zijn nabestaanden.

Van de rechten onder a en b genoemd kan afstand worden gedaan voor zover het wijzigingen in het werk of in de benaming daarvan betreft. Heeft de maker van het werk het auteursrecht overgedragen dan blijft hij bevoegd in het werk zodanige wijzigingen aan te brengen als hem naar de regels van het maatschappelijk verkeer te goeder trouw vrijstaan. De door de maker bij uiterste wilsbeschikking aangewezene, en bij gebreke van dien zijn nabestaanden hebben deze bevoegdheid slechts zolang het auteursrecht voortduurt en vaststaat, dat ook de maker die wijzigingen zou hebben goedgekeurd.

Artikel 25bis[20][bewerken]

In deze paragraaf worden onder nabestaanden verstaan de ouders, de echtgenoot en de kinderen. De aan de nabestaanden toekomende bevoegdheden kunnen zelfstandig door ieder van hen worden uitgeoefend. Bij verschil van mening kan de rechter een voor hen bindende beslissing geven.

Noten[bewerken]

  1. Vervallen bij S.B. 1981 no. 23.
  2. Gew. bij G.B. 1959 no. 76.
  3. Gew. bij G.B. 1959 no. 76.
  4. Gew. bij G.B. 1959 no. 76; Surinaamse Staatsregeling ingetrokken bij G.B. 1975 no. 170.
  5. Gew. bij G.B. 1959 no. 76.
  6. Gew. bij G.B. 1959 no. 76.
  7. Gew. bij G.B. 1959 no. 76.
  8. Gew. bij G.B. 1946 no. 2, G.B. 1959 no. 76.
  9. Ingev. bij G.B. 1959 no. 76.
  10. Ingev. bij G.B. 1959 no. 76; Surinaamse Staatsregeling ingetrokken bij G.B. 1975 no. 170.
  11. Gew. bij G.B. 1946 no. 2, G.B. 1959 no. 76.
  12. Ingev. bij G.B. 1959 no. 76.
  13. Ingev. bij G.B. 1946 no. 2; Gew. bij G.B. 1959 no. 76.
  14. Ingev. bij G.B. 1959 no. 76.
  15. Gew. bij G.B. 1959 no. 76.
  16. Gew. bij G.B. 1959 no. 76.
  17. Gew. bij G.B. 1959 no. 76.
  18. Gew. bij G.B. 1959 no. 76.
  19. Gew. bij G.B. 1946 no. 2, G.B. 1959 no. 76.
  20. Ingev. bij G.B. 1959 no. 76.