Naar inhoud springen

De Génestet/Aan de watersnood-poëten

Uit Wikisource
← Bidden De dichtwerken van P.A. de Génestet (1877) door P.A. de Génestet

Aan de watersnood-poëten

Uitgegeven in Amsterdam door Gebroeders Kraay.

[ 436 ]

AAN DE WATERSNOOD-POËTEN.

(Uitgegeven ten voordeele der Overstroomden en in het belang der Kunst.)

Op, Watersnood-poëten!
 (Ko heeft zijn vers al klaar,
En „Water.... soep” zal ’t heeten!)
 Op, eedle, vrome schaar t
Fluks aan het verzen lijmen
 Vol geestdrift en gevoel,
Want nu zijn alle rijmen
 Geheiligd door het Doel!

Op, ’t is nu tijd van zingen,
 Heel akelig – dat spreekt
Laat allen handenwringen,
 Terwijl u ’t harte breekt.
En wil ’t niet spoedig lukken,
 Dan laat ge, hier en daar,
Maar zoo wat streepjes drukken
 – – – – – – – – – – – – –
- – – – – – – – – – – – – –
 Dat staat verschriklijk naar!



Met Watersnoodsgedichten,
 Bewaard uit vroeger tijd,
Kunt ge ook u ’t werk verlichten,
 (Kunstliefde spaart geen vljt!)
En om ’t verwijt te ontloopen
 Van imitatie – hoor:
Waar schapen eens verzopen,
 Schrijf daar nu koeien voor!

[ 437 ]
Voorts doe in uw Tafreelen,
 (’k Noteer ’t voor uw gemak!)
Vooral een Drama spelen,
 Een Drama op een dak.
Laat daar een grijsaard zweven,
 Een wichtjen in den arm –
Al zaagt ge ’t nooit – om ’t even,
 Dat maakt ons koud en warm!




Aprês – om nieuw te blijven –
 Laat ook nog op den vloed
Een schamel wiegje drijven,
 Door de Almacht slechts behoed.
Laat braaf de golven klotsen
 Bij ’t schriklijk noodgeschal,
En tusschen schots, aan schotsen,
 Stuur ’t veilig naar den wal!

Of wilt ge een Nooddicht smeden,
 Weldadigheid ter eer?
Zoo roem onz’ vrome zeden
 Nog eens – voor de’ eersten keer!
Zing hoe voor ’s naasten jammeren
 Steeds Neêrlands harte slaat –
(Een pluimpje aan de Amsterdammeren
 Vooral, kan hier geen kwaad!)




Gij ziet, we zijn bij voorbaat
 Verteederd en verrukt!
Dus op, wie nu maar doorslaat!
 Op braven, dicht en drukt.
Het lacht met alle sluizen
 Uw dichterlijk gevoel –
[ 438 ]Daar is in Hollands huizen
 Een plaats voor al dien boel!

Ja, zonder schroom of vreezen,
 Den Rijmlust thans geboet!
Aan ’t slot u-zelv’ geprezen
 Als Dichtren groot en goed,
Als Dichtren, die de renten,
 De renten van uw vlijt
En godlijke talenten,
 Tot heil des naasten wijdt




Doch onder ons, Meneeren,
 Wijt de opbrengst van uw lied,
Hoe hoog we uw mildheid eeren,
 Toch straks úw verzen niet.
Wat schat gij saâm moogt gaêren,
 O meen niet al te boud:
„Voor ’t toovren van mijn snaren
 Stroomde al dit geld en goud

Neen, wat ook moog’ gebeuren
 Door al die Rijmlarij,
Dat zeuren uit den treuren,
 Wie wondren werkt – niet Gij –
Maar Neêrland t dat aan ’t blaken
 Van kunstloos medelij,
Zelfs voedend brood kan maken
 Van Waterpoëzij!

15 Januari 1862.