De Génestet/In gelukkige dagen

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

In gelukkige dagen

Zachte, frissche lentestralen,
  Liefdegeur en liefdegloed
Stroomen door dees rijke dalen,
  Stroomen in mijn blij gemoed.
Zegen heb ik mild ontvangen....
  Nochtans – in mijn eenzaamheid –
Heb ik bij mijn blijdste zangen
  Menig stillen traan geschreid.

Neen, in ’t groote rijk der smarte
  Ben ik lang geen vreemdling meer;
In mijn pas ontloken harte
  Klinkt een stem reeds van weleer:
Waar ik van Gods gunst verhaalde,
  Dacht ik: Hoe ’t mij wezen zou,
Als uw blik mijn lot bestraalde,
  Moederliefde, moedertrouw!

Maar niet luide zal ik klagen,
  Voor de menschen – zeker niet.
Vriendlijk, als dees blijde dagen,
  Klinkt voor elk mijn dankbaar lied.
Gij slechts – geesten van ’t verleden
  Voert mijn diepe, stille klacht
Voor den Hoorder der gebeden,
  In dees stillen lentenacht!