Emants/Fanny/3

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deel 2 Fanny van Marcellus Emants

Deel 3

Deel 4
Ten behoeve van de leesbaarheid is deze novelle in verdeeld in zes delen.


Fanny, deel 3[bewerken]

Tegen negen uur kwam Jan 's morgens beneden. Het ontbijt van Cleo en Ro was dan reeds afgeloopen; achter hunne ledige eierschalen en bekruimelde borden zaten de kinderen geduldig te wachten dat tante Bee voor paatje de twee traditioneele boterhammen sneed.

In tante's gezelschap waren de kleinen altijd voorbeeldig zoet. Zij hielden veel van haar, eigenlijk meer dan van hun moeder. Met Fanny wisten zij niet hoe zij 't hadden. Van daag werden zij aangehaald, met lieve woorden en geschenken overladen, morgen werden zij teruggestooten, hard aangesproken, zonder reden gestraft of wel met zeldzame onverschilligheid aan hun lot overgelaten. Sedert tante in huis was gekomen waren zij meer en meer van Fanny vervreemd.

Dezen morgen had Berenice hun ernstig op het hart gedrukt heel stil te zijn omdat maatje lang wilde slapen, en met kinderlijke overdrijving hadden zij zelfs beneden aan het ontbijt den fluisterenden spreektoon bewaard.

De genegenheid van de beide kleinen voor tante Bee was wederkeerig. Het goede schepsel was in te veel opzichten kind gebleven om geen algemeene kinderliefde in haar hart te koesteren. Daaraan paarde zich zulk een sterke behoefte aan toewijding, dat zij na den dood harer moeder er over gedacht had zuster van liefdadigheid te worden. Toen was Jan tusschenbeiden gekomen met de bede dat zij bij hem haar intrek zou nemen. Eerst had zij geaarzeld; het was toch maar waar dat zij heel veel van Jan had gehouden en het een bittere teleurstelling voor haar was geweest te moeten bemerken, dat hij om Fanny zoo dikwijls haar ouderlijk huis bezocht. Zij had het hem niet euvel geduid; daarvoor wist zij te goed hoever Fanny in verstand en geest boven haar stond, maar om nu met hem samen te gaan wonen en elken dag te moeten aanzien dat hij Fanny liefkoosde, was te veel van haar lijdzaamheid gevergd. Jan had haar aarzeling bemerkt, doch niet begrepen, en haar zin voor zorgen en verplegen kennende, bekende hij ronduit dat zij hem de zware taak van huisvader met een vrouw als Fanny niet weinig zou kunnen verlichten. Daarop had zij niet langer geweifeld, maar was met pak en zak bij hem ingetrokken en binnen korten tijd de goede engel geworden van zijn huis.

Nadat Jan zijn schoonzuster den gewonen morgengroet en zijn kinderen ieder een kus geschonken had, vouwde hij zwijgend het Handelsblad open, dat naast zijn bord lag, en begon te lezen. Bee stoorde hem niet; zij wist hoezeer hij aan dit rustig oogenblikje gehecht was. Immer slaagde zij er in de aandacht van de kinderen tot aan zijn vertrek met het een of ander bezig te houden, zoodat in de stille achterkamer, die op het dorre tuintje uitzag, geen enkel gedruisch hem afleiden kon, want het zware tiktak van de oude gangklok hoorde hij al lang niet meer.

Reeds had hij zijn tweede kopje thee uitgedronken, en een vijftiental minuten oplettend doorgelezen, terwijl tante Bee fluisterend aan Cleo en Ro bekendmaakte dat zij na het koffiedrinken, als het mooi weer bleef, uit zouden gaan. Daar vloog plotseling de deur open en Fanny trad haastig binnen, het grijze oog stralend van ongewone levendigheid.

'Mijn God, Fanny!'

De woorden waren Jan ontsnapt voor hij er aan dacht, maar zij berouwden hem onmiddellijk. Het was of Fanny zich had voorbereid op eene aanmerking betreffende haar vroegtijdig opstaan, zoo rad rolde het antwoord haar van de lippen.

'Dacht je misschien dat ik nog langer de zieke zou willen spelen ten pleziere van een dokter, die het noodig oordeelt ons nog eenige visites te laten betalen? 't Is inderdaad of ik je ongelegen kom. O! maar ik begrijp het wel. Ik ben altijd de persoon, die de kalmte komt storen. Ik ben zenuwachtig, ik ben opgewonden, ik ben overdreven. Weet je wel dat het mij veel gemakkelijker zijn zou heel rustig te blijven en Gods water maar over Gods akker te laten loopen, maar dan zou je eens zien wat er van het huishouden terecht kwam!'

'Lieve kind,' antwoordde Jan met die zachte gemoedelijkheid in zijn stern, waarmede hij nu reeds jaren lang vruchteloos poogde de aanhoudende spanning van Fanny's zenuwgestel te doen bedaren, 'wij willen allen niets liever dan je weer den geheelen dag in ons midden zien, maar indien je nu niet de noodige rust neemt moet je daar later weer voor boeten.'

Fanny, die haar kinderen met onstuimigheid aan haar borst gedrukt en gekust had, eischte haar plaats aan het theeblad terug, die tante Bee in de laatste weken had ingenomen. Zoodra deze naar de vensterbank was verhuisd, ging zij voort:

'Wie dan leeft, dan zorge. Ik gevoel mij nu sterk genoeg, en bovendien behooren wij niet tot de menschen, die maar bij de pakken kunnen neerzitten, omdat zij rijk genoeg zijn anderen voor zich te laten werken. Uns ist gegeben auf keiner Stätte zu ruhn. Wij moeten zelven de handen uitsteken en dat is goed ook. Het verdrijft de dwaze gedachten. Wij menschen hebben altijd dwaze gedachten, die wij van ons af moeten zetten, en daarom is het een wijze beschikking dat ieder zijn deel heeft in het zwoegen en slaven. Ik zou mij schamen langer verzorgd en opgepast te worden; ik heb ook mijn taak op de wereld en die taak wil ik vervullen ten einde toe of tot ik de bijl er bij neerleggen moet en bezwijken in den strijd!'

'Kind, kind,' hernam Jan op dien eigenaardigen, wanhopenden toon, welke in zwakke naturen het besef verraadt dat zij elken kamp met onvoldoende wapenen moeten aanvaarden. 'Het is nog zoo vroeg; houd je in 's hemelsnaam kalm.'

'Ik zou niets liever wenschen dan mij kalm te kunnen houden. Ik weet het dat alleen kalme menschen gelukkig zijn; doch wanneer er zijn, die tot een plantenleven kunnen insluimeren, dan moeten er ook zijn die als lastdieren arbeiden. Ik voel dat elke zenuw aan mij leeft en leven wil. Daartegen helpt niets dan voortdurende plichtbetrachting, werken van den morgen tot den avond. O! ik beweer niet dat die arbeid iets beteekent! Ik laat er mij niet op voorstaan iets bijzonders te zijn! De wereld is vol tegenstellingen. Naast den adelaar, die zich boven de hoogste bergtoppen verheft, leeft de rups die onopgemerkt over de aarde kruipt! Wie weet of de rups geen adelaar zou willen zijn. Wij kunnen onze idealen hoog stellen en toch gedoemd zijn in de laagte te blijven. Als kind reeds droeg ik de overtuiging met mij om, dat er slechts twee wegen bestaan om gelukkig te worden: te leven voor den roem of te leven voor de liefde. Boven alle hartstochten te staan of een hartstocht inteboezemen zoo machtig dat hij u hoog verheft, boven al wat laag en alledaagsch is. Maar dat zijn illusiën! Juist in dat lage, in dat alledaagsche wentelen wij rond van den dag af dat het levenslicht onze oogen treft tot op het oogenblik dat het laatste stuk van ons geraamte is verteerd!'

Zoo dikwijls zulk een vlaag van opwinding Fanny overviel, wist Jan bij ondervinding dat elke poging om hare woorden te stuiten vruchteloos was. Haar fantasie moest voorthollen totdat zij afgemat geen, nieuwe beelden meer scheppen kon waarin zij telkens dezelfde jammerklachten belichaamde.

Na een paar malen vergeefs getracht te hebben haar in de rede te vallen, was Jan in zijn stoel neergezonken, ten einde raad. Een blik vol vertwijfeling naar tante Bee geworpen baatte evenmin, want die goede vrouw, welke nooit iets van de ontboezemingen harer zuster begrepen had, las bij het raam gezeten fluisterend aan de kinderen uit een prentenboek voor, en keek niet naar hem op. Hij nam het besluit wat vroeger dan gewoonlijk optestappen, en in het half uur dat hem overschoot in 's hemelsnaam een singeltje rondteloopen. Misschien zou zijn afwezigheid een goeden invloed op haar hebben. Hij drukte haar dus een kus op het voorhoofd, dien zij nauwelijks opmerkte, herhaalde nog eenmaal zijn ernstige aanmanigen om rustig te blijven, riep haar een tot vier uur toe, waarop zij geen antwoord gaf en verliet het huis.

In allerijl at Fanny het dunne sneedje broodje dat zij voor haar ontbijt voldoende achtte. Daarna stond zij oogenblikkelijk op en ging aan het werk.

Het eerst richtte zij haar schreden naar de keuken.

Daar vond zij terstond de onmiskenbare sporen van haar lange afwezigheid. Sientje werd niet gespaard.

Het koper was slecht geschuurd, het ijzerwerk schandelijk verwaarloosd, de kachel vol vlekken, het vaatwerk van gisteren nog niet eens geheel afgewasschen! Dat kon niet langer zoo gaan. Er moest gewerkt worden. Zij gaf zelve het voorbeeld, ieder die in haar dienst was had te kiezen tusschen heengaan of dat voorbeeld volgen. In de kast onder de aanrechtbank vond zij een schaaltje met afgesneden vleesch. Wat beteekende dit? Werd er gestolen? Kregen zij misschien niet genoeg te eten? Op de pomp stond een gebroken glas. Wie was de schuldige? Waarom had men er haar niets van gezegd? Was zij te hardvochtig om een ongeluk te kunnen vergeven? Men had misbruik gemaakt van de goedheid harer zuster, doch zij zou daar spoedig een eind aan weten te maken.

Nadat zij alles bekeken en betast had bestelde zij het middageten, een hoogst eenvoudig maal, hoofdzakelijk bestaande uit overblijfselen van den vorigen dag. Daarbij bleef het echter niet. Als een verstandige huisvrouw wist zij vooruit te zorgen voor een aantal volgende dagen. Een paar malen vergiste zij zich en begon dan weder van voren af, bracht verbeteringen aan en recapituleerde, vergiste zich wederom en herhaalde nog eens, haspelde ten slotte alles door elkander en overstapelde Sientje met bevelen waarvan geen van beiden er een onthield.

Nog was zij niet uitgepraat toen een gedruisch in de voorkamer haar aandacht trok. Haastig als zij gekomen was verdween zij weder uit de keuken om Mijntje te gaan kapittelen, die bezig was de voorkamer te stoffen.

Eerst de bedden boven afhalen, de voorkamer kan tot na twaalven wachten. Mijntje moest zich niet verbeelden dat haar huishouden maar een brak was, waarin iedereen doen en laten kon wat hij verkoos. Zij wist wel waar die ijver om de voorkamer te stoffen op neer kwam. Niets anders dan een voorwendsel om uit het venster te kunnen liggen en praatjes te maken met gemeen volk op straat, maar daar zou zij een stokje voor steken. Zoodra het werk boven gedaan was kon Mijntje naar de achterkamer gaan, waar de schoorsteen grijs zag van het stof en de kachelplaat vol asch en sintels lag.

Driftig liep Fanny hierop de trap op en Mijntje verzuimde niet haar gemoed in de keuken te gaan uitstorten, verklarende dat het een moord was als mevrouw zich weer met de huishouding bemoeide.

' 't Is net een bezetene' antwoordde haar kameraad geërgerd.

Intusschen was Fanny boven aangekomen en had zij de baker tot verantwoording geroepen over een groote vlek op het gangkleed. O! het was een ramp met slordige menschen te doen te hebben, maar als zij zich niet wilden verbeteren konden zij allen heengaan. Des noods zou zij zelve voor keukenmeid, werkmeid en baker tegelijk spelen. Het hing er maar van af of men plichtbesef had en werken wilde. Meer dan tijd was het dat alles eens ter dege werd nagegaan, daarom zou zij van daag niets overslaan.

Van de slaapkamer draafde zij naar de kinderkamer, waar zij gebroken speelgoed op den grond vond en een barst in een ruit ontdekte. Van de kinderkamer ging zij naar het kabinetje boven de voordeur, waar een geschoonde wasch van acht dagen geleden nog wachtte op wegberging. Uit het kabinetje komende klom zij de steile zoldertrap op, om boven in alle hoeken en gaten, kisten en kasten, koffers en doozen naar sporen uit te zien van slordigheid en bewijzen van onvoldoende plichtbetrachting. In de gangen ergerde zij zich aan elk nieuw schrapje op de deurposten en paneelen; in de kamers verzette zij de meubels, opende, de ramen, nam met een stofdoek de tafels en kasten af en liet geen afgebrand stukje lucifer of weggeworpen snipper papier op den grond liggen.

Tegen half een ure at zij haastig een stuk brood. Tante Bee durfde haar niet toespreken; Cleo en Ro, die somtijds bang waren voor moe, staarden haar zwijgend aan. Fanny's verzet kennend tegen elk plan dat van anderen uitging had tante er de kinderen reeds op voorbereid dat het weder te slecht werd, om uittegaan.

Onophoudelijk dwaalde Fanny's blik rond door het vertrek. Eensklaps bleef hij op de boterhammen der kinderen gevestigd.

'Maar Bee' riep zij uit, 'het is noch niet zoover met ons gekomen dat de kinderen gebrek behoeven te lijden. Zij moeten meer vleesch hebben. Ik verlang dat zij goed gevoed zullen worden. Waar de physieke krachten ontbreken kunnen ook de moreele geen weerstand bieden. Meen niet dat zij aan den strijd des levens zullen ontsnappen. Niemand, niemand ontkomt, maar de teergevoeligen en zwakken gaan er in onder!'

'Lieve Fanny, zij hebben geen honger meer; niet waar Cleo? Of wil je nog een stukje vleesch, zeg het dan gerust!'

'Neen, tante, ik wil niet meer eten.'

'En jij Robert?'

'Ik ben heelemaal dik' antwoordde het suffige stille kind dat ontzagwekkende portie's kleingesneden vleesch 's middags en 's avonds deed verdwijnen.

Beide verzekeringen werkten op Fanny niets uit. Zoo dikwijls haar moederhart week werd — hetgeen, gelijk alles in haar, bij plotselinge opwellingen geschiedde — openbaarde zich haar teederheid in een behoefte om de kinderen te overladen met al wat versterkend, nuttig en aangenaam zijn kon. Hadden zij genoeg van het gewone voedsel dan werden de geneesmiddelen te hulp geroepen: Revalenta, Quina Laroche, Tintwijn, IJzer Bravais. Cleo zag er soms zoo erg zwak uit, zij had bepaald versterking noodig. Vroeger had zij veel meer eetlust gehad. Als het kind maar geen ziekte onder de leden had. De mazelen regeerden wel niet, maar één geval moest altijd het eerste zijn. Het zou verschrikkelijk wezen, want zij zouden het dan natuurlijk allen krijgen. Ro moest terstond naar de logeerkamer worden overgebracht, en Mijntje de deur uit, omdat zij de ziekte niet had gehad. Zij zou zelve waken en hoopte nog maar dat het mazelen in een lichten graad mochten zijn, want een kind te verliezen dat ging boven haar krachten. Haar leven was buitendien al rijk genoeg aan teleurstellingen; doch zoo gaat het altijd! Aan de gelukkigen loopt alles mede, de anderen moeten het gelag betalen.

'Maar Fanny,' viel Bee haar in de rede, 'je jammert alsof Cleo al op sterven lag en zij voelt zich niet eens ziek. je zoudt het kind op die manier een schrik op het lijf kunnen jagen.'

Fanny zag in dat zij gelijk had. Cleo keek haar met wijdopengesperden mond en oogen zoo wezenloos aan als had zij den schrik reeds beet. Toen vloog zij op en sloot de kinderen in haar armen. Een regen van kussen kwam op de zachte wangen neer, en krampachtig werden de blonde kopjes tegen moeders borst aangedrukt. Daarna liet zij hen plotseling los, en snelde weer de kamer uit, naar boven.

Op het portaal aangekomen, bezon zij zich een ogenblik. Wat was zij eigenlijk voornemens te doen? juist zij herinnerde het zich weer; de wasch was nog niet opgeborgen. O! zij schaamde zich in het geheel niet de handen aan het werk te slaan, verheugd als zij was dat er geen handiger huisvrouw, geen beter moeder, geen voorbeeldiger echtgenoote bestond dan zij, en dat haar huishouden tot model strekken kon aan alle huishoudens der wereld.

In het kabinetje boven de voordeur lag het vlekkeloos wit linnengoed voor de huishouding bestemd, in de hemelsblauwe teenen mand onder een laken, op de hand te wachten die het tellen, nazien en wegbergen zou in de ouderwetsche donkerbruine linnenkast. Kast en linnen waren erfstukken.

Zoodra Fanny het laken had weggenomen vond zij bovenop de lange, ingevulde lijst, die tot wederzijdsche contrôle van bleeker en klanten diende. Nu opende zij de kast, een sieraad van haar huishouding, een lievelingsmeubel dat zij angstvallig beschermde tegen onreine meidenhanden, en waarin zij haar smaak voor pronkende zindelijkheid den vrijen teugel vierde.

Een sterke reseda-geur stroomde haar tegemoet, toen zij den sleutel in het blinkend koperen slot had omgekeerd, en de van boenwas glimmende deuren, op hare hengsels draaiend, de krijtwitte stapels linnen te zien gaven op eikenhouten planken uitgestald, wier breede ruggen onder neerhangende kanten waren verborgen. Met moeite sleepte zij de groote mand tot vlak voor de kast, en begon nu, met de lijst in de hand, de laatst gewasschen stukken te tellen en onderaan bij de oude stapels te voegen. Eerst het beddegoed dat gebukte houding op de onderste planken bergen moest, twaalf lakens in achten plat toegevouwen, een zware ondersprei en twaalf kussensloopen. Van elk sierlijk in een langwerpig vierkant gevouwen sloop moesten de vier knoopen worden nagezien, voordat het stapeltje in zijn geheel op de plank werd neergelegd. Voor het tafelgoed kon zij recht overeind blijven staan, maar moest dan telkens tot de ontilbare mand neerbukken. Elke buiging dreef haar het bloed naar de slapen, en een licht rood tintte haar wangen terwijl zij haastig zes tafellakens, vierentwintig servetten, zes ontbijtservetten, zes keuken-tafellakens, achttien keuken-servetten uit de mand te voorschijn bracht. Een oogenblik moest zij ophouden, het begon haar voor de oogen te draaien, maar zij herstelde zich spoedig en ging voort: achttien beste handdoeken, twaalf gewone handdoeken, zes bonte handdoeken, twaalf droogdoeken. Weer hield zij even stil, eene hand tegen de oogen gedrukt en met de andere op een stoel geleund. — Maar zij had geen tijd om zich toetegeven, bukte weer, hief de stapels linnen op, telde en borg ze weg, elk op zijn plaats. Op de droogdoeken volgden de theedoeken, zes met roode streepjes, zes met ruiten, de glazendoeken met dichtgemangelde lussen, nauwkeurig op elkander gelegd; toen kwamen de twaalf boendoeken, de zes lampendoeken en de zes witte schoorsteenkleeden met paarsche strepen afgezet, glimmend gestreken en de schuifbanden hard van stijfsel als strooken karton naar buiten stekend.

De mand was ledig, geen stuk ontbrak; maar nu bekroop haar de lust de grootste schatten van haar voorraad nader in oogenschouw te nemen. Zij wist precies hoeveel zij van elke soort had, en het was geen overbodige omzichtigheid nu en dan alles eens natetellen.

Op een stoel staande greep zij van de bovenste planken het fijn gebloemd glimmend damast, dat met Hollandsche zorgvuldigheid van geslacht tot geslacht, zonder ooit te worden gebruikt, bewaard werd. Een geheel stel tafelgoed, waarvan de randen met franje waren afgezet en het F. R. 24 in opengewerkte letters met een kroon was versierd, lag er in ledigheid te verslijten.

Met elk pak linnen sprong Fanny van den stoel af, om het op de kleine tafel, die bij het raam stond, te tellen, te bewonderen, en dan weer op zijn oude plaats aan het langzaam vervallingsproces terugtegeven.

Een rand van zweetdroppels parelde thans op het kleine voorhoofd, de magere handen waren klam geworden, een onaangename warmte straalde van haar uit, die haar bleef omhullen als een benauwde damp welken zij tegen wil en dank inademen moest. Zij snakte naar versche lucht.

Eindelijk had elk stapeltje de reis volbracht, doch nu schoot het haar op eens te binnen dat zij niet juist meer wist of er zes dan wel zeven dekens in de kamferkist waren geborgen. Die gedachte kon zij niet verdragen. Zoodra de kastdeuren waren gesloten ijlde zij de vervelooze zoldertrap op. Reeds was zij boven aangekomen toen een rijtuig voor de deur stilhield.

'De dokter!'

Onmiddelijk snelde zij weer naar beneden, de slaapkamer binnen, waar de kleine Alfred juist de baker met zijn doordringende kreten wekte, greep met zenuwachtige haast het kind uit de wieg, rukte snel de borst van haar kleed open en wist spoedig een uitdrukking van kalmte op haar gelaat te voorschijn te brengen, die scherperzienden dan haar grijzen geneesheer het spoor bijster zou hebben gemaakt.

Het bezoek van den ouden man duurde niet lang. Met zijn gewoon voorschrift maakte hij er zich af:

'Rustig houden, mevrouwtje lief, je weet ik hecht veel aan melk koud of warm, en voor den kleine een lepeltje fenkel-water , maar niet te veel want het mag geen gewoonte worden.

Daarop nam hij zijn hoed weer op en vroeg ter loops naar Cleo en Ro. Vreezende dat Bee hem op zou wachten, een vrees even instinctmatig als het comediespel waarmede zij hem misleid had, vergezelde Fanny den dokter naar beneden, onderweg de verzekering gevend dat de beide oudsten volkomen gezond waren.

Zoodra de voordeur achter hem toegevallen was ging zij de achterkamer binnen om haar zuster te beknorren, die met zulk overheerlijk weer te huis bleef, terwijl de dokter dringend, zoowel voor de kinderen als voor haar, beweging in de frissche lucht had aanbevolen. Tante Bee maakte zich gereed met Cleo en Ro uittegaan, en Fanny snelde weer de trappen op naar den zolder.

Evenwel, voor de tweede maal moest zij terugkeeren, want in haar haast had zij vergeten den sleutel medetenemen. Toen zij eindelijk met den grooten, blanken sleutel voor de eikenhouten kist stond was zij genoodzaakt een oogenblik uit te hijgen alvorens het zware deksel te kunnen opbeuren, dat, met koperen banden belegd, hardnekkig den spot scheen te drijven met de aardsche vergankelijkheid. Daarna rees het omhoog, bleef even rechtop staan en ontviel aan haar hand tegen den witgepleisterden muur aan, die het kalkstof in de kist afschudde.

Uit de enge ruimte steeg een benauwende kamfergeur omhoog, die de lippen deed opdrogen, de ademhaling belemmerde, de longen samenkneep. In die verstikkende atmosfeer moest zij neerbuigen om het bont er uittehalen dat bovenop lag. Zij zelve droeg geen bont; het was Cleo's winterkleedij. Een bruin langharig mofje met roode zij gevoerd, een poesje om den kinderhals,.een kleine pélérine met bont afgezet legde zij achtereenvolgens naast zich op twee stoelen neer, die zij van het andere zoldereind had aangetorscht. De donker paarsche bouffanten van Jan en Robert volgden, waarbij hunne grijze met wol gevoerde handschoenen lagen, maar onder die lichte kleedingstukken vertoonde zich, in plaats van de verwachte dekens, het effen kastanjebruin van de wol damasten wintergordijnen uit de zitkamer, die, breed opgevouwen, de geheele ruimte als met een dubbelen bodem aanvulden. Het waren groote lappen, zwaar voor haar tengere armen om optetillen en bij elk nieuw stuk dat zij omhoog hief, moest zij dieper in de bedwelmende kamferlucht bukken en voelde zij het bloed met grooter kracht naar haar wangen stijgen.

De koorden en kwasten volgden op de gordijnen en nog vertoonden zich geen dekens. Eerst kwamen haar eigen winterkleederen, donkerblauwe en zwart laken mantels, daarna die van Bee, eindelijk de ruige winterjassen van Jan, en toen pas ontwaarde zij diep in de duistere ruimte het effen vermiljoen van de wol. Zeven zware dekens, waaruit groote brokken kamfer rolden, haalde zij met immer klimmende inspanning naar boven, en nu moest weer elk stuk netjes gevouwen op zijn oude plaats worden neergelegd, tusschen de fijne vingers het kamfer gebroken en in alle plooien rondgestrooid, terwijl elke beweging van haar armen haar opnieuw met een wolk van kamfergeur omgaf.

Haar knieën knikten toen met het kinderbont de laatste stukken weer in de kist waren verdwenen, en zij vroeg zich af, of haar nog kracht genoeg overbleef het zware deksel in beweging te brengen. Maar het moest! Een sterke wil geeft dubbele kracht aan de spieren en bovendien schaamde zij zich hulp te roepen. Zij draaide ook den grooten sleutel weer in het slot om en trok hem er uit, maar nu voelde zij de krachten haar begeven. Koude rillingen liepen haar over den rug, een ongewone gloed steeg naar het hoofd en loste in een koud zweet op, dat het blanke voorhoofd beparelde. O! zij had nog energie en kon zich beheerschen! De tanden op elkaar geklemd bereikte zij langzaam de trapleuning waaraan zij zich vastklemde. Zij moest de oogen sluiten, want de diepte trok aan, het begon haar te schemeren. Voetje voor voetje daalde zij neer, met onbegrijpelijke wilskracht aan de duizelingen weerstand biedend, die haar naar beneden dreigden te werpen.

Reeds stond zij op de voorlaatste trede, toen een nog ellendiger gevoel zich van haar meester maakte. Het steeg op uit de maag, altijd hooger, altijd hooger; ijskoud doortintelde 't haar gelaat, duizenden starren flikkerden haar voor de oogen...

En hoog in den hemel zweefde zij rond door een zee van verblindend licht gedragen. Millioenen zalige geesten omringden haar met hun zangen, de engelen bliezen op hun bazuinen, maar eensklaps zweeg die goddelijke harmonie, het licht verdoofde en de zee verzonk. Toen viel zij neer in duizelingwekkende vaart. Vergeefs strekte zij de handen uit om zich aan een steen vast te klemmen. Nacht was 't waarheen zij staarde, ijle lucht waarin zij greep. En altijd viel zij door, dieper en dieper in een peilloozen afgrond. Het was een droom, zij wist het, een verschrikkelijke droom waartegen zij worstelde, maar haar verzet was vruchteloos, geen wilskracht kon haar meer ontwaken doen. Zij poogde te gillen, doch haar mond was toegeklemd. Zij wilde slaan, maar haar armen waren verlamd. Zij trachtte met de voeten te trappen... en zij was ontwaakt.

Recht uitgestrekt lag zij op het portaal neer. Jan hield haar handen, de baker de voeten vast; Bee, de meiden en de kinderen stonden om haar heen.

Eerst begreep zij niet wat er gebeurd was. Zij herinnerde zich den hemel en den eindeloozen val, maar miste het verband tusschen die visioenen en den toestand waarin zij zich zelve terugvond. Verwilderd dwaalde haar blik rond, totdat het geheugen terugkwam, en zij begon te begrijpen wat er met haar voorgevallen was. Zij wilde oprijzen, doch allen smeekten haar bedaard te blijven liggen. Nu vroeg zij wat haar dan toch overkomen was, en Jan vertelde hoe hij te huis komende een zwaren slag hoorde op den gang. Naar boven gesneld had hij haar bij de trap bewusteloos op den grond gevonden, met handen en voeten slaande en schoppend.

'Je hadt het leelijk beet' zei de baker, waarschijnlijk om haar gerusttestellen.

Jan, die terstond aan de toesnellende dienstboden last gegeven had den dokter te gaan halen, een last waaraan de nieuwsgierigheid beiden weerhield te voldoen, stelde nogmaals voor den ouden man te laten komen. De baker echter oordeelde dat geheel overbodig. Zij wist er alles van, mijnheer moest niet denken dat zij voor den eersten keer zoo'n gevalletje bijwoonde.

'Gaat dan maar aan je werk,' riep Jan de meiden toe.

Schoorvoetend namen zij afscheid van het belangwekkend tooneel, en op de trap, luid genoeg om door Jan te worden gehoord, kwamen zij tot het besluit dat het niemendal te verwonderen was, want mevrouw had zich van daag met recht als een razende aangesteld.

Langzamerhand kwam er weer wat kleur terug op Fanny's doodsbleek gelaat, en de baker dat ziende gaf verlof haar overeind te plaatsen. Nog licht in het hoofd en wankelend op de beenen strompelde zij, op de armen van Jan en Bee geleund, de slaapkamer binnen, waar zij in een gemakkelijken stoel neergelaten werd.

Een glas water met wijn deed haar veel goed, en een dankbare blik beloonde Jan, die haar dezen wensch als in de oogen had gelezen. Zoodra zij echter geheel was bijgekomen werd zij zoo aangedaan dat de tranen haar in de oogen blonken. De vermaningen om zich kalm te houden baatten niets meer.

'O! iedereen is zoo goed, zoo lief voor mij,' riep zij uit, naar Jan en Bee de armen uitstrekkend. 'Ik verdien al die zorgen niet! Door één druk van je trouwe handen is alle pijn gestild, elke smart vergeten! Wat zou ik doen zonder een zuster en een man, die mij liefhebben? Mijn hart dorst naar liefde als de woestijn naar tegen. O! ik ben slecht, ik beloon je met ondank. Ontken het niet. Ik schep mij geen droombeelden meer, ik heb mij zelve leeren kennen. Terwijl jij voor vrouw en kinderen werkt en zorgt, elk uur van dag en nacht ons toewijdt, je liefhebberijen aan ons opoffert, je gezondheid voor ons verwaarloost, maak ik je het leven lastig, ben ik de domper op het licht van je geest geworden, de kogel aan je voet, de vloek voor al wat edel en groot in je is. Vergeef mij, ik wist niet wat ik deed. Nooit hadden wij moeten trouwen. Alleen had je de wereld door kunnen trekken, smart en genot leeren kennen en in vrijheid strijdend een groot man worden. Ik heb je talenten verstikt, je vrijheid belemmerd, je kracht gebroken. O! mijn God, welke vloek ligter op mijn bestaan?'

Met steeds klimmende opwinding wierp Fanny Jan hare bittere klachten tegen. Zij rees op en hare bleekheid maakte plaats voor een donker rooden gloed, haar dof oog liet zijn sluier vallen en begon van zenuwachtig leven te stralen.

Met een gedwongen, angstige kalmte ging Jan op haar toe, nam haar bij de hand en voerde haar al sprekende naar den stoel terug, waarin zij weder neerzonk. Hij beproefde haar ditmaal met een schertsend woord tot bedaren te brengen.

'Lief kind, indien jij alles op je geweten hadt wat je daar opsomt, dan was ik al lang dood of weggeloopen. je hebt een onbeduidende flauwte in den gang gekregen, en dat is je een voldoende reden om te gelooven dat ik een veroordeelde misdadiger en jij de kogel aan zijn voet geworden bent! Weet je wel dat ik met verlangen naar den Zondag uitzie waarop ik met dien kogel, niet aan mijn been, maar aan mijn arm voor de eerste maal weer een singeltje rond zal kunnen wandelen? je hadt heusch een beetje gelijk toen je zei dat je ondankbaar waart. Zoo'n model echtgenoot als ik heb je aan het schrikken willen maken. Foei, ik weet er niets anders op dan dat wij het afdrinken. Reik mij je glas en dan is de zaak uit de wereld.'

Op goedigen toon, als sprak hij een ziek kind toe, had Jan deze woorden geuit. Het hoofd voorover buigend totdat zijn wang de hare voelde gloeien dronk hij uit het glas dat haar hand omvat hield, en de uitkomst gaf hem gelijk in die zonderlinge behandeling van een vrouw, die meer dan achtentwintig jaren telde.

Met een plotselinge opwelling van teederheid sloeg zij haar armen om zijn hals, drukte hem een langen kus op den mond, terwijl de tranen haar van het gelaat stroomden, en riep uit:

'Weg, onzinnige gedachten, weg! Ik zou ondankbaar zijn! O! dat nooit! Er bestaat maar één rein geluk op aarde, maar één troost in alle ellenden van het leven en dat geluk is mijn, die troost verkwikt mijn gemoed. Wij zullen ons afscheiden van de menschheid, niemand meer zien, niemand meer spreken, leven voor elkander en voor onze kinderen! Een tijd van geluk breekt voor ons aan grooter dan het heerlijkste wat mijn hart ooit durfde wenschen! O! thans kan ik sterven, ik weet dat ik een man en kinderen gelukkig heb gemaakt! Wat beteekent alle glorie der wereld vergeleken bij deze zaligheid? De hemel gaat open, mijn ziel hoort heerlijke melodieën!'

Zwelgend in den wellust van een bestaan, dat zij geen vijf minuten geleden een vloek had genoemd, sloot Fanny de oogen, die nog immer van tranen blonken. In den storm van haar gevoelsleven, die haar plotseling op de hoogste spits van fantastisch geluk omhoog hief om haar onmiddelijk daarna in den diepsten afgrond neer testorten van ingebeelde ellende, zweefde zij een oogenblik tusschen hemel en aarde, gedragen door een afmattende exstase, die als een dagelijksche dronkenschap haar zenuwgestel ondermijnde. Op Jan's gelaat verdiepte de smart de ouwelijke trekken, want hij zag het in hoe zij langzaam zich zelve sloopte, en voelde zich machteloos tegenover dien zelfmoord der natuur.