Flora (Witte 1868)/2

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
1 Flora: Afbeeldingen en beschrijvingen van boomen, heesters, éénjarige planten, enz., voorkomende in de Nederlandsche tuinen van Heinrich Witte

2. Tecoma grandiflora

3


[ Pl 02 ]
 

Pl. 2: TECOMA (BIGNONIA) GRANDIFLORA delaun

 
[ 5 ]
 

TECOMA (Bignonia) GRANDIFLORA Delaunay.

Nat. familie:

BIGNONIACEÆ.

Klasse en Orde van LINNÆUS:

DIDYNAMIA ANGIOSPERMIA (Tweemagtige-Bedektzadige)[1].

 

 

Onder de verschillende heesters, die in de tuinen tot bedekking van hooge muren aangewend worden, is de prachtige Bignonia grandiflora zeker wel de minst algemeen bekende en—ik haast mij het er bij te voegen—de meest aanbevelenswaardige.

Anders is het gesteld met eene daaraan zeer na verwante soort, de gewone Trompetbloem (Tecoma [Bignonia] radicans), welke Amerikaansche klimheester, hoe prachtig hij zich ook in den zomer, als elk der jonge takken in een tros groote, donker bloedroode, trompetvormige bloemen eindigt, voordoet, toch ver achterstaat bij de grootbloemige soort, die China en Japan tot vaderland heeft.

Die mindere bekendheid mag voor een gedeelte wel dááraan toe te schrijven zijn, dat de kweekers lang in de meening verkeerden, als zou deze plant niet tegen onze winters bestand zijn. De ondervinding heeft echter geleerd, dat dit wél het geval is, al is 't dan ook niet onder álle omstandigheden.

[ 6 ] Toen ik, nu vijftien jaren geleden, te Leiden kwam, vond ik in den Akademietuin een prachtig exemplaar van dezen heester, die zijne takken over eene groote uitgestrektheid van een tegenover het Zuiden gelegen muur had uitgebreid.

Reeds verscheidene strenge winters had hij daar, zonder bedekking, verduurd; zoodat de stam van onderen ruim de dikte van een mans arm verkregen had, toen mij, een paar jaar later na een niet zeer strengen winter, zeker zeer onverwacht, in 't voorjaar bleek dat hij dood was.

Dood tot in den grond.

't Was jammer, maar er was niets aan te doen en de doode stam werd uitgerooid. Om den nu kalen muur wat te dekken, werden er voorloopig maar eenige Ipomœa's tegen geplant.

Dat zijn van die dingen die wel eens meer gebeuren, en die maar niet zoo gemakkelijk te verklaren zijn. Ik heb meer planten in zachte winters zien bezwijken, die reeds veel strengere achter den rug hadden.—Somtijds is het een gevolg van te veel regen; dat kon echter hier 't geval niet zijn, want, zelfs al had het ook den geheelen winter door aanhoudend geregend, dan zou die heester er op die standplaats toch geen hinder van gehad hebben.

Het is echter hier de plaats niet om over dergelijke oorzaken veel gissingen te maken; de boom, of liever de heester, was dood, en daarmeê was 't dus gedaan....

Zoo zou men ligt denken, en zoo dacht ik toen ook. Maar daarmeê was 't in dit geval nog niet gedaan. Men had er bij 't rooijen niet op gelet om alle wortels uit te graven, of liever, dat kon in de gegeven omstandigheden niet geschieden; hij was op een voet of anderhalf afstands van den stam uitgehakt. Nu was er, gelijk weldra bleek, een wortel in 't leven gebleven, en die levende wortel was ongedeerd in den grond blijven zitten.

Weldra kwam er, op ongeveer eene el van de plaats waar de oude gestaan had, maar vlak tegen den muur, eene jonge Bignonia voor den dag, die zóó sterk groeide, dat na verloop van drie jaar dezelfde oppervlakte van den muur weer was volgegroeid en de heester reeds in het tweede jaar bloeide.

Het zou dus gewaagd zijn om onvoorwaardelijk te beweren, dat deze Bignonia even goed aan ons winterklimaat weerstand biedt als de B. radicans. Maar, wanneer men bedenkt dat de zooeven vermelde plant daar zeker reeds meer dan twintig jaren staat, en dat ze in dien tijd slechts éénmaal afgevroren is, en wel zoo, dat ze onmiddellijk weer uit den wortel opliep, dan mag men haar toch gerust opnemen onder de voor onze tuinen geschikte en zelfs (om de prachtige bloemen) zeer aanbevelenswaardige heesters.

Men maakt welligt de opmerking, dat ik haar nu eens Tecoma en dan weer Bignonia noem. Ik schreef den laatsten naam uit gewoonte en, nu 't er staat, mag 't ook blijven staan. Vroeger, door Linnæus, vervolgens door Thunberg, en nog later door vele anderen, werden deze beide zooeven genoemde planten, als tot het geslacht Bignonia behoorende, beschreven, tot ze vervolgens met enkele andere soorten daarvan afgescheiden werden, en ten haren behoeve een nieuwe geslachtsnaam werd voorgesteld, namelijk Tecoma, afgeleid van het Mexicaansche woord Tecoma-cochitl, waarvan de beteekenis mij onbekend is, maar waaronder de daar inheemsche soorten van dat geslacht bekend zijn.

[ 7 ] Daar het verschil tusschen de, volgens de tegenwoordige opvatting, echte Bignonia's en de Tecoma's alleen in de vrucht te zoeken is, willen sommigen er zelfs nóg niet aan, en blijven ze alle Bignonia noemen. Tecoma is wetenschappelijk juister, maar de oude naam is ook gangbaar.

De Tecoma grandiflora, die eerst in 1800 uit China naar Europa ingevoerd werd, en de T. radicans, die reeds tegen midden der 17e eeuw, in 1640 namelijk, uit Noord-Amerika herwaarts kwam, leveren onderling genoeg verschil op, om ze, zelfs zonder dat ze bloeijen, gemakkelijk van elkander te kunnen onderscheiden.

Gelijk men weet ontwikkelen er zich op bepaalde afstanden aan de jonge takken van de gewone Trompetbloem (T. radicans) bundeltjes van korte wortels, zoogenaamde hechtwortels, die geene andere bestemming hebben, dan om den tak aan den muur of—gelijk in de vrije natuur 't geval is—aan de stammen en takken van andere, steviger boomen te bevestigen. Ook bij de T. grandiflora zijn die hechtwortels waar te nemen, maar in vergelijking met de andere slechts zeer spaarzaam en veel kleiner of korter. Hoewel beide zamengestelde en wel gevinde bladeren hebben, die zaagrandig en spits zijn, zijn die afzonderlijke blaadjes van de T. radicans vlak uitgespreid en matgroen, terwijl die van de T. grandiflora gegolfd en lichter, helderder groen zijn.

Het grootste verschil echter is in de bloemen gelegen. Deze zijn—de naam grandiflora (grootbloemig) duidt het reeds aan—veel grooter dan van de gewone, oudere soort; bovendien, terwijl ze bij deze aan de uiteinden der jonge takken digt opeen zitten, vormen ze hier een groote, wijd uitstaande pluim, uit een veel grooter aantal bloemen bestaande. De bloemen zelve hebben een veel breederen zoom en staan dus wijder open, terwijl eindelijk de kleur lichter en bij gevolg vrolijker is.

Een ander wezenlijk onderscheidingskenmerk vindt men nog aan de kelkbuis, die van scherpe kanten voorzien is, wat bij de T. radicans niet het geval is.

Het kan echter, waar ik de meerdere schoonheid van de hier afgebeelde soort tracht te doen uitkomen, mijne bedoeling niet zijn, der oudere iets van hare waarde te ontnemen. Integendeel; beide zijn zeer sierlijk bloeijende heesters, al wint ook de grootbloemige het in dit opzigt van de gewone. De Tecoma's behooren—tegelijk met Glycine sinensis—tot die klimheesters, welke onmisbaar zijn, waar men in eenen tuin met een hoogen tegen het Zuiden gelegen muur te doen heeft.

Men plaatse ze echter niet tegenover het Noorden. Wel is waar zullen de beide andere vermoedelijk ook daar wel in 't leven blijven; bloeijen zullen ze er echter niet. Wat de T. grandiflora betreft, deze zou, aan den winter- en inzonderheid aan den voorjaars-Noordewind blootgesteld zijnde, zeker reeds bij de eerste proefneming bezwijken.

Die in den Leidschen Hortus wordt 's winters in 't geheel niet gedekt. Wil men echter voorzigtigheidshalve den stam van onderen, gedurende den winter, met blad bedekken, dit is eene moeite, die geen half uur tijds vereischt, en als voorzorg niet af te raden is. Zelfs zou t niet kwaad zijn om een jongen, pas geplanten heester den eersten of de eerste twee winters met een weinig stroo of iets dergelijks ligtelijk te beschutten, 'twelk men dan, als de plant krachtiger wordt, nalaten kan.

[ 8 ] De vermenigvuldiging geschiedt door stekken, waartoe liefst tweejarige takken gebezigd worden, ook door afleggen, terwijl eindelijk het straks medegedeelde oploopen uit den wortel het bewijs levert, dat deze plant zich ook door wortelverdeeling laat aankweeken.

Ten slotte mag ik de opmerking niet achterwege laten, dat gewoonlijk niet álle bloemknoppen openkomen. Integendeel, aan elke bloempluim komt maar een gedeelte er van tot volle ontwikkeling; dit aantal zal wat grooter of kleiner zijn, al naar het weder voor den bloei meer of minder gunstig is.

Nú reeds levert deze klimheester iederen zomer een prachtig gezigt op; kwamen alle bloemen aan zulk eene pluim open, dan zou de plant zeker nog veel sierlijker zijn. Dit kan men echter gerustelijk rekenen tot de vrome wenschen. Maar ook reeds zóóals zij is verdient de Tecoma grandiflora ten volle onder onze prachtigste heesters gerangschikt te worden.

 

 
  1. De Klasse der Tweemagtige, de 14e van het sexueele stelsel, omvat alle planten, in welker bloemen zich vier meeldraden bevinden van ongelijke lengte, en wel standvastig twee kortere en twee langere; terwijl door Bedektzadige (Angiospermia) die planten bedoeld worden, welker zaden in een algemeen vruchthulsel of beter: waar, tijdens den bloei, de eitjes in een vruchtbeginsel besloten zijn; ter onderscheiding van de eerste Klasse der Didynamia, de Naaktzaadige of Gymnospermia, waar vier, (schijnbaar) naakte zaden op den bodem der bloem liggen; 'twelk bij alle lipbloemige planten (Labiatæ) zooals de Doove Netel (Lamium), de Salie (Salvia) enz. het geval is.