Gezelle/De visscher

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Ik ga * 103 De visscher van Guido Gezelle Enne... * 105
Uit Rijmsnoer om en om het jaar

De wolken willen weg, de zee
     zinkt zacht- en zoetjes neder;
en langzaam loopt de lucht alree,
     vol rust- en lustig weder.

     ‘k Ga kijken of ‘k er doen aan zie,
          om ‘t schamel vangstje visch
     te vinden, voor... de moeder, die
          mijn' vrouwe en - angstig is.

Gij bidden zult bindien, opdat
     mijn' hand, o welbeminde,
mijn zoekend herte entwaar entwat,
     dat visch gelijkt, u vinde.

     ‘k Ga kijken of er doen aan is,
          vandage, om in mijn schuit,
     het schamel vangstje verschen visch,
          de zee te visschen uit.

Gij bidden zult, bindien, en, mij
     niet ziende, o welbeminde,
eer morgen, zet dan ‘t luchtje bij
     sint Pieter, op de spinde.

     Gij groote visch, gij kleene visch,
          komt binnen! Geen belet:
     komt binnen, binnen, - ‘t vrouwken is
          zoo angstig! - al in ‘t net!

Gij bidden zult bindien, en mij
     die bergen helpen dwingen,
die ronken! ‘k Hoor, beminde, u bij
     ‘t ontwakend wiegske zingen!

     ‘k Ga kijken of er visch in is:
          in Gods name, uit en op!
     ‘t Zit altemale... al visch, al visch,
          en vol, tot aan den krop.

Gij bidden zult bindien en, mij
     verwachtende, in de verte,
zien komen. Dan: "‘t Is hij! ‘t Is zij!"
     zal springen uit ons herte.

     Sa, jongens, kuischt de panne: - ‘t is
          haast noene, - en pint het vier:
     toe! vader komt, met verschen visch,
          en stappans is hij hier!

‘t Is God die ons zijn' gunsten gaf,
     eenieder mag het weten:
trekt vaders visschersleerzen af,
     en laat ons lustig eten.

11/1/1897