Gezelle/IJslandvaarders

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Lentegroen * 39 IJslandvaarders van Guido Gezelle De reuze * 41
Uit Rijmsnoer om en om het jaar

     o Visscher, die uit visschen gaat,
naar Ijsland, en wilt oversteken,
     hoe ‘n schrikken u de winden niet,
die schip en liên de lenden breken.

             De winden zal
             ik binden aan
             den mast, en mij
             doen voorengaan!

     o Visscher, die het land uit loopt;
uw huis, uw' vrouwe, uw kind, uw erve,
     hoe ‘n vreest gij niet dat dit, aleer
gij wederkeert, of dat, u sterve?

             Me ‘n roek's! In meê-
             of tegenvaart:
             dat God bewaart
             is wel bewaard!

     o Visscher, die uit visschen gaat,
naar IJslands koude en kale boorden,
     hoe vindt gij daar den weg naartoe,
den verren weg, in ‘t hooge noorden?

             De stierman op
             z'n sterren past,
             en ‘t visschervolk
             is naaldevast!

     En hoort gij niet hoe, gram en grouw,
de wulven en de beren huilen;
     en smakken, om uw' schamele schuit,
hun' diepe en donkere watermuilen?

             ‘k En vreeze, in dit
             mijn akkerland,
             noch berentee
             noch wulventand!

     Den walvisch, hoe en vreest gij niet,
matroozen, en de haaientanden?
     En ‘t ongruw zonder name, dat,
bij nachte, doet de schepen stranden?

             ‘k En vreeze voor
             geen ongruw, dat
             al ‘t diepste van
             de zee bevat!

     En ‘t vier, dat uit de bergen springt,
hoe ‘n vreest gij niet, ontvreesde lieden,
     die noordwaards uwe zeilen zet
en zoekt uw land vaarwel te bieden?

             Zoo God mij helpt
             ik ga, van hier,
             en vare vast
             deur ‘t helsche vier!

     o Schipper, die naar IJsland gaat,
hoe ‘n zal u dit niet angstig maken,
     dat, zeven masten hooge, aldaar
heet water heete bronnen braken.

             Is ‘t water heet,
             matroozen, haalt
             den caffiemoor,
             en caffie maalt!

     Heel IJsland is één' klippe, daar
te zien, één oordtje beuter hooge,
     geen kruid en is: hoe staat daarop
zoo nagelvast uw herte, uwe ooge?

             ‘k Heb beuter tot
             de bomme, hoort,
             en bargenspek,
             en bier aan boord!

     o Schipper, zijt ge uw leven moe,
en liet gij liefst, in zee gesmeten,
     uw lijk, in ‘s waters ingewand,
de wormen en de visschen eten?

             Sint Pieter heeft
             de zee begaan:
             dat hij bestond
             durve ik bestaan!

     Vaarwel dan, en goe dagen, op
uw' verre reize! Ik zie u zinken,
     allengskens..... Ei! Den mast nu, nu
niet anders meer als water - blinken...!

             Vaarwel! - Gerake
             ik thuis weêrom,
             zijt, - Vlanderland! -
             mij..... willekom!

14/1/1897