Gezelle/Oosteren

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Het jonge jaar * 35 Oosteren van Guido Gezelle o Lieflijke * 37
Uit Rijmsnoer om en om het jaar

Nuchter nu en nesch zijn alle dingen;
nieuwe, onaangeraakt, die de eerde ontspringen;
nieuwe nu, of nooit, een lied bereid,
neerstig eere aan u, o God gezeid!

Degende uit den oost is, allenthenen;
dag en dauw in ‘t land, en licht, verschenen;
perels overal, die op, die aan
‘t ruwgelokte gers te blinken staan.

Boven, in den top der hoogste boomen,
worstelt en verlangt om uit te stroomen,
‘t wakkere geweld, dat, ongespaard,
schoonheid overhoofde, en schaduw baart.

‘t Vee wilt uit den stal. De veulens dweerschen,
mallik achtereen, de malsche meerschen,
manen in de locht; en, eer zoo tam,
dertelt nu, van doene, is rund en ram.

Vogels hoore ik, heinde en verre, slechten
veete om "mij en dij", in ‘s huwelijks rechten;
kijven immer mussche en mussche. ‘t Springt
menig tonge los, die vecht, die vinkt.

Bezig is de bie, van vlerken vlugge;
bezig worme, wespe, miere en mugge;
bezig nu is al, dat been verrept,
vinne, vame voert, of asem schept.

‘t Wordt allengerhand, een blomke of tiene,
veilig, uit de vouw van ‘t lisch te ziene;
hier end daar al een, dat, hagelwit,
halverwege in ‘t wied, te wachten zit.

Nieuwe zij dan ook, van allen dingen,
lof en eere aan U, die de eerde ontspringen:
lof en eere aan U, die ‘t al verbeidt,
altijd ongedaagde, in de eeuwigheid!

12/4/1896