Gezelle/Oudheid

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Oudheidkunde * 20 Oudheid van Guido Gezelle De tijd * 22
Uit Rijmsnoer om en om het jaar

‘t Is wonder hoe men ‘t oude maar
     en acht als oud, dat menschenhanden
          bewrochten, en dat, duizend jaar
     misschien daarna, komt aan te stranden,
          op de oevers van de zee, entwaar,
          der tijdlijkheid! o Menschenhand,
onleefbaar is uw werk, en geenen tijd bestand!

          Veel ouder als al ‘t oudste, dat
     ‘t museum, vol onschatbaarheden
     van menschenwerk en kunst, bevat,
     is hier of daar, mijn hand beneden,
          het minste voorjaarsblommenblad,
          - veel ouder! - langs den Leyekant,
als de oudste onvindbaarheid van heel Egyptenland.

          En dan nog blijft, na zoo veel tijd,
     dien ‘t leefde, en zag voorbij hem varen,
     eene eeuwe of tiene of twintig zij ‘t,
     mijn bladtje zijnen glim bewaren.
          Maar gij, o werk van menschen, zijt
          ontedeld door den taaien tand,
door ‘t teren van den tijd, die u heeft aangerand.

11/1/1897