In het jaar 2000 (Bellamy 1890)/18

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
XVII. In het jaar 2000 van Edward Bellamy

XVIII.

XIX.


[ 152 ]
 

HOOFDSTUK XVIII.

 

 

Dien avond bleef ik nog eenigen tijd met Dr. Leete zitten praten, na het vertrek van de dames, over het stelsel om mannen van verdere diensten te ontslaan op hun vijf en veertigste jaar, een punt dat mijn aandacht getrokken had bij zijn verhaal van hun aandeel in de regeering.

"0p vijfenveertigjarigen leeftijd," zeide ik, "heeft iemand nog tien jaar handenarbeid vóór zich en tweemaal tien jaar van goeden geestesarbeid. Dan reeds als verouderd beschouwd en afgedankt te worden, moet eerder een ongeluk dan een gunst gevonden worden door menschen met wilskracht."

—"Waarde Mijnheer West," hervatte Dr. Leete met glinsterende oogen, "u weet niet hoe curieus uwe negentiende-eeuwsche denkbeelden voor ons zijn, hoe uiterst zonderling hun effect is. Weet, o kind van een ander en toch hetzelfde geslacht, dat de arbeid dien wij moeten verrichten als ons aandeel om de natie een goed stoffelijk bestaan te verzekeren, geenszins beschouwd wordt als de belangrijkste, de voornaamste of de waardigste inspanning van [ 153 ] onze vermogens. Wij beschouwen hem als een noodzakelijken plicht die vervuld moet worden, alvorens wij ons geheel kunnen wijden aan de hoogere oefening van onze krachten, de geestelijke en verstandelijke genietingen en bezigheden, die alleen leven mogen heeten. Al het mogelijke wordt inderdaad gedaan door een billijke verdeeling van lasten, en door alle soorten van bijzondere aantrekkelijkheden, om den arbeid het vervelende te ontnemen, en betrekkelijk is het werken dan ook niet vervelend, het is dikwijls zelfs opwekkend. Maar het is niet de arbeid, het is de hoogere inspanning, waarin wij vrij zijn zoodra onze andere taak verricht is, die aangezien wordt als het hoofddoel van het bestaan. Natuurlijk hebben niet allen of zelfs de meesten de liefde voor wetenschap, kunst of letteren, die vrijen tijd stempelt tot de éenig kostbare zaak voor zijn bezitters. Velen beschouwen de laatste helft van het leven voornamelijk als een periode van genietingen van anderen aard: voor reizen, voor gezellig verkeer met de vrienden uit hun werktijd; een periode voor de beoefening van alle soorten van persoonlijke liefhebberijen en smaken, en het zoeken van allerlei vermaak, in één woord, als een periode voor het gemakkelijk en ongestoord genot van de goede dingen dezer wereld, die zij hebben helpen voortbrengen. Maar welke ook het onderscheid is tusschen onze persoonlijke voorkeur in het gebruik dat wij van onzen vrijen tijd zullen maken, wij komen allen hierin overeen dat wij allen het oogenblik van ons ontslag tegemoet zien als het oogenblik waarop wij eerst in het volle bezit van ons geboorterecht zullen komen, het tijdstip waarop wij pas waarlijk meerderjarig zullen worden en ontheven van tucht en toezicht, met het loon voor ons geheele leven in eigen [ 154 ] beheer. Zooals vlugge jongens in uw tijd verlangden naar het drie en twintigste, zoo verlangen wij thans naar het vijf en veertigste jaar. Een en twintig jaar oud, worden wij mannen, vijf en veertig jaar, hernieuwen wij de jeugd. Middelbare leeftijd en wat gij ouderdom noemdet worden nu, eerder dan de jeugd, gehouden voor den benijdenswaardigen tijd des levens. Dank zij den beteren voorwaarden van bestaan tegenwoordig, en vooral vrijheid van zorgen voor iedereen, nadert de ouderdom eerst vele jaren later en met een veel vriendelijker gelaat dan vroeger. Personen van een gewoon gestel worden in den regel vijf en tachtig of negentig jaar oud, en met ons vijf en veertigste zijn wij lichamelijk en geestelijk jonger, denk ik, dan gij waart op uw vijf en dertigste. Het is zonderling, dat met vijf en veertig, als wij juist beginnen aan den besten tijd van het leven, gij reeds aan oud-worden begont te denken en op het verleden terug te zien. Bij u was het de morgen, bij ons de middag die de aangenaamste helft van ons bestaan is."

Daarna herinner ik mij dat ons gesprek kwam op het onderwerp van spelen en vermaken, vergeleken bij die van de negentiende eeuw.

—"In één opzicht," sprak Dr. Leete, "is er een duidelijk verschil. De sportslieden van beroep die een zonderlinge karaktertrek van uw tijd waren, zijn verdwenen, en de prijzen die men elkaar betwist zijn geen prijzen in geld, zooals bij u. Onze wedstrijden zijn alleen om de eer. De vriendschappelijke concurrentie tusschen de verschillende gilden en de gehechtheid van elken arbeider aan het zijne, leveren een voortdurende bron van allerlei spelen en wedstrijden te water en te land, waarin de jongelieden haast niet meer belang stellen dan de eere-leden die hun [ 155 ] tijd hebben uitgediend, 't Hardzeilen van de gilden heeft plaats in de volgende week, en u zult zelf kunnen oordeelen over de groote geestdrift die zulke gebeurtenissen nu teweegbrengen vergeleken bij vroeger. De eisch van brood en spelen van het Romeinsche volk wordt tegenwoordig beschouwd als zeer natuurlijk. Als brood de eerste behoefte des levens is, dan volgt uitspanning spoedig als tweede behoefte, en de natie verlangt beide. De Amerikanen van de negentiende eeuw waren zoo ongelukkig om aan beide eischen niet behoorlijk te kunnen voldoen. Zelfs als de menschen toen meer vrijen tijd bezeten hadden, zouden zij, denk ik, dikwijls verlegen zijn geweest om er een aangenaam gebruik van te maken. Wij bevinden ons nooit in die verlegenheid."