Keulemans Onze vogels 1 (1869)/36

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
35 Onze vogels in huis en tuin, deel 1 van John Gerrard Keulemans

36. De Goudvink

37


[ Pl36 ]

Keulemans Onze vogels 1 36.jpg

[ - ] [ - ] [ 127 ]
 

DE GOUDVINK.

PYRRHULA VULGARIS.


Hel geslacht Pyrrhula wordt in Europa door slechts ééne soort vertegenwoordigd. Er bestaan echter van deze soort twee standvastige rassen, waarvan het groote het minst algemeene is.

Vele vogelliefhebbers meenen, dat de voorwerpen, tot het kleine ras behoorende, de jongen zijn van het groote. Enkele ornithologen daarentegen beschouwen ze als twee afzonderlijke soorten, en noemen den grooten Goudvink P. coccinea en den kleinen P. vulgaris, ofschoon zij in kleur noch levenswijze verschillen.

Het onderscheid tusschen de seksen is bij dezen vogel zeer in 't oog loopend: bij de wijfjes wordt namelijk de roode kleur der onderdeelen door graauw vervangen en is ook het zwart van bovenkop en vleugels minder glanzig. De roode binnenvlag aan de eerste kleine vleugelpen ontbreekt steeds bij de wijfjes, en is bij sommige mannetjes bijna geheel onzigtbaar.

In den natuurstaat is de Goudvink rustig van aard, niet schuw, maar zelfs vertrouwelijk; althans verbergt hij naauwelijks zijn nest. Men treft hem meestal in sombere streken aan, waar dennen groeijen. Hij zoekt bij voorkeur dezen boom, met welks zaden hij zich voedt, en op welks hoogste takken hij de woning voor zijne nakomelingschap bouwt. Het nest is niet groot; de wanden zijn tamelijk dun, doch vast en doorweven; het geheel is half kogelvormig, eenigzins plat en met het geheele ondervlak aan den tak gehecht.

De broeitijd duurt van Mei tot Augustus. Het wijfje legt tweemaal, in Mei en in Julij, drie à vijf eijeren; deze zijn van eene licht blaauwgroene kleur en, vooral aan het stompe einde, van kleine stipjes voorzien.

Terwijl het wijfje broeit, brengt het mannetje haar voedsel. Zij verlaat het nest alleen bij hooge noodzakelijkheid en is dermate aan haar kroost gehecht, [ 128 ] dat zij zich liever met de eerste uitwerpselen der jongen als voedsel behelpt, dan dat zij hen zou durven verlaten. Zoodra echter de jongen eenige dagen oud zijn geworden, hebben zij de moederlijke warmte minder noodig; dan verlaat ook het wijfje meermalen het nest, verwijdert de uitwerpselen en gaat nu van broeijen tot voeden over, waarbij zij en het mannetje schijnen te wedijveren, wie van beiden het beste en meest geliefkoosde voedsel voor de jongen zal aanbrengen.

De jongen hebben de kleur hunner moeder en krijgen hun volmaakt vederkleed meestal in het volgende voorjaar.

De vogelhandelaars bestrijken soms de onderdeelen van het mannetje met vermiljoen, of eenige andere roode kleurstof, ten einde het in veler oog een fraaijer voorkomen te geven; deze kleur verdwijnt echter gewoonlijk spoedig.

De gemiddelde prijs van den Goudvink (het mannetje) is twee en een halve gulden; van het nest met de jongen, of dezen zonder het nest, ongeveer een halve gulden per stuk (de jonge wijfjes natuurlijk medegerekend). Wanneer zij niet te jong zijn, dat wil zeggen, niet beneden de vijf dagen, worden zij met gebrokkeld hennepzaad en geweekt brood (zoogenaamd met de pen) grootgebragt. Als zij daarentegen meer dan veertien dagen oud zijn of bijna kunnen vliegen, is het zeer moeijelijk hen levend te houden, omdat zij dan reeds eenige kennis krijgen van het voedsel, dat de ouden hun toedienen.

Het beste voedsel voor de ouden in gevangen staat is wit zaad. Zij eten echter ook gaarne allerhande pitten, jonge bladknoppen en vooral hennepzaad.

De Goudvink behoort overal tot de meer zeldzame vogels. Die, welke men hier te lande in gevangen staat aantreft, zijn meestal uit Duitschland en België afkomstig. De grooten worden meestal Duitsche Goudvinken genoemd, en hun vooral leert men verschillende aria's te fluiten. Deze kunstmatige zang verschaft ons dikwijls veel genot; de omvang der stem wordt daardoor uitgebreider, en het geluid zelfs helderder. De vogels, die aan dit vereischte voldoen, zijn dan ook natuurlijk veel meer waard dan de anderen, de zoogenaamde „wildzangers".

Deze fraaije vogel zingt in de kooi van Maart tot September, en soms den geheelen winter door, vooral wanneer er andere zangvogels, zoo als Kanaries, in de nabijheid zijn; bij voorkeur echter wil hij niet met deze of met andere vogels in dezelfde kooi of volière leven.

De Goudvink bezit zonderlinge eigenschappen, die men bij andere kamervogels niet of zelden opmerkt, en het is voor den vogelliefhebber van groot belang [ 129 ] deze hoedanigheden te kennen, omdat het veelal daarvan afhangt, of de vogel al dan niet zingt. Zoo b.v., wanneer men hem van kooi verandert of deze verplaatst, houdt de vogel dikwijls op met zingen, en geeft dan zelfs hoegenaamd geen geluid meer, totdat hij in zijne vroegere woning of op dezelfde plaats is teruggebragt. Anderen willen slechts dan zingen, wanneer zij voor den spiegel staan.—Er bestaan voorbeelden, dat sommigen dezer vogels geene vrouwen, anderen daarentegen geene mannen kunnen dulden, wanneer dezen hun onbekend zijn. Eene andere eigenschap van den Goudvink is, dat hij zijn meester of meesteres zeer goed van de andere huisgenooten weet te onderscheiden. Hij geeft dan ook door bewegingen en door zingen duidelijk zijne tevredenheid te kennen, als zijn meester hem toespreekt of eenige versnapering geeft. Daarentegen kan hij zich zeer boos maken en zelfs bijten naar personen, die hem plagen. Men dient zich hiervoor zeer in acht te nemen, daar de aanvallen van woede zóó hoog kunnen stijgen, dat het diertje er plotseling aan sterft.