Keulemans Onze vogels 2 (1873)/23

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
22 Onze vogels in huis en tuin, deel 2 van John Gerrard Keulemans

23. Het paapje

24


[ Pl23 ]

Keulemans Onze vogels 2 23.jpg

[ 91 ]
 

HET PAAPJE.

SAXICOLA RUBETRA.


Dit vogeltje, de kleinste der beide op boomen levende Tapuiten, komt in de meeste streken van ons land slechts zeldzaam voor en blijft ook meestal onopgemerkt, daar het bij voorkeur op plaatsen vertoeft, die weinig of niet door den mensch worden bezocht. Hoog in de lucht of boven in de boomen komt het nooit; het leeft op den grond tusschen lage planten en in heesters, en 't allerliefst te midden van hoog gras, een weelderigen plantengroei en op een zachten mosrijken grond. Het bewoont de gematigde en zuidelijke streken van ons werelddeel, trekt zeer ver zuidwaarts tot in Afrika, doch is gedeeltelijk een standvogel in Spanje en het overige Zuiden van Europa. Men heeft het ook 's winters in het Zuiden van Engeland waargenomen, althans indien men zich niet in de identiteit vergist heeft; want na den broeilijd zijn de jonge voorwerpen zeer gelijk aan de wijfjes en jongen der vroeger beschreven soort (S. rubicola), die steeds 's winters in Engeland voorkomt. Over het algemeen komen beide soorten, ook wat levenswijze, zang, nest en eijeren betreft, al heel wel met elkaêr overeen, ofschoon toch het Paapje minder, de Roodborst-Tapuit meer algemeen in de heide wordt aangetroffen.

Nest en eijeren van het Paapje zien er evenzoo uit als die der straks genoemde soort, doch de eijeren zijn slechts iets kleiner. Alleen het wijfje broeit en wordt gedurende het broeijen door het mannetje gevoêrd. Gewoonlijk—en dit is bij de eerstbeschreven soort niet het geval—strekt zich een gang, die soms ellen lang is door het gras naar het nest uit, even als eene overdekte loopgraaf; of nu deze gang opzettelijk door den vogel wordt aangelegd, ten einde tot bescherming van het nest te strekken, dan wel of hij van zelf gevormd wordt doordien de ouden zich steeds in eene en dezelfde rigting naar het nest begeven en zich [ 92 ] op die wijze onwillekeurig een pad banen, dit is nog niet uitgemaakt; men vindt den gang, doch men heeft nog nooit de ouden daaraan zien werken.

De zang van het mannetje is zacht, twetterend en soms zeer liefelijk; het gelijkt veelal naar het geluid, dat door het wrijven met eene natte kurk op eene glasruit kan worden voortgebragt. Het gewoon geroep dezer vogeltjes klinkt als „tjiep, tjep"; doch als zij vervolgd worden of bevreesd zijn, roepen zij „tjiep-tjiep" (de beide syllaben van het gewoon geluid verdubbeld).

Het is zeer moeijelijk, ze aan de gevangenschap te gewennen; hebben zij echter eenmaal voedsel aangenomen, dan kunnen zij zich wel in hunne veranderde levenswijze schikken. Indien men ze zorgvuldig behandelt, vooral wanneer zij pas gevangen zijn, en ze in eene kooi plaatst, voorzien van een droogen bodem met miereneijeren, of hun voorzigtig en behendig een stukje gehakt vleesch en ei in de keel stopt, en ze dan rustig neerzet, zullen de meesten het althans eenige dagen uithouden. Willen zij geen voedsel aannemen, dan zijn meelwormen nog wel het beste middel om hun eetlust te doen verkrijgen. Het is trouwens niet altijd de verandering van voedsel, maar veeleer de veranderde levenswijze, die deze vogeltjes doet wegkwijnen, en daarom kan juist de honger de voornaamste drijfveêr tot hun behoud zijn. Zij pikken dan ook zeer spoedig naar allerlei insecten, en zijn zeer verzot op maden. Willen zij niets dan insecten eten, dan kan men ze zeer aardig misleiden, en hun het lang versmade maal onbewust doen nuttigen: men legge namelijk een groot bol horologieglas op een schoteltje of des noods op een vlak stuk hout of bordpapier, plaatse eenige maden of kleine meelwormen onder het glas, en strooije rondom en bovenop eenige stukjes gehakt vleesch, ei en geweekt brood. Gretig zal nu de vogel naar de levende prooi willen pikken, toch telkens schiet zijn bekje op het bolle glas uit, en pikt hij onwillekeurig het voor hem bestemde voeder op. Het is zeer aardig, hen op die wijze beet te nemen, en men zal er tevens het bewijs in vinden, dat de eetlust bij de meeste dergelijke vogels meer wordt aangewakkerd door de beweging van het insect, dan wel door den prikkel, dien het voedsel op hunne tong te weeg brengt.