Keulemans Onze vogels 2 (1873)/33

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
32 Onze vogels in huis en tuin, deel 2 van John Gerrard Keulemans

33. De groote gele kwikstaart

34


[ Pl33 ]

Keulemans Onze vogels 2 33.jpg

[ 120 ]
 

DE GROOTE GELE KWIKSTAART.

MOTACILLA SULPHUREA.


Deze vogel, dien men ook, overeenkomstig zijn wetenschappelijken soortnaam, Zwavelgelen Kwikstaart noemt, is hier te lande de minst algemeene der drie verschillende soorten. Hij bewoont Midden- en eenige streken van Noord-Europa en is in eenige Zuid-Europesche landen een standvogel. De meer Noordelijk broeijende voorwerpen trekken naar het Zuiden van Europa en naar Noord-Afrika; sommige echter blijven rondzwerven en worden dan 's winters hier te lande opgemerkt; men kan ze dan in de felste koude, tot vlak bij de tuinhuizen, langs de slooten zien loopen. De bewering, dat zij hier slechts toevallig zouden voorkomen, is onjuist; dat men ze weinig ziet, is mogelijk en zeer verklaarbaar ook: de meeste ornithologen toch zijn 's winters niet zeer geneigd, in de koude, kale natuur waarnemingen te doen. Den Grooten Gelen Kwikstaart kan men alle winters, en dikwijls ook 's zomers, te zien krijgen. Zijn meer eentoonig winterkleed veroorzaakt echter, dat men hem gemakkelijk over 't hoofd ziet of wel voor de Witte (of Gewone) soort houdt, ofschoon er tusschen beide soorten nog al aanmerkelijk verschil bestaat.

De Kwikstaarten dragen over 't algemeen in verschillende landen zeer uiteenloopende namen, en dit is ook wel eene der redenen, waarom men de soorten onderling verwart. De Franschen noemen ze Bergeronnettes en Lavandières; in de eene streek heeten de Gele Lavandières, in de andere weder Bergeronnettes; ditzelfde is met de Witte het geval. Hochequeues zijn Kwikstaarten in algemeenen zin. In eenige Fransche departementen wordt de Gewone soort Lavandière, de kleine Bergeronnette printanière, en de Groote Gele Bergeronnette jaune of alleen Bergeronnette genoemd. Brehm zegt, dat in Spanje de Gewone of Witte soort Lavadera (Waschvrouw) en de Groote Gele Pepita genoemd wordt. Op Madeira, [ 121 ] waar laatstgenoemde een standvogel is, heet hij Lavadeira amarella (Gele Waschvrouw). In Engeland noemt men hem Gray wagtail (Grijze Kwikstaart); de Kleine soort (Mot. flava) komt daar te lande slechts op den trek en wordt er door eene standvastige variëteit, Ray's wagtail (Mot. Rayi of Mot. campestris), vervangen. In Nederland wordt de Kleine soort ook wel Koevinkje, en de Groote ook Winter-Kwikstaart genoemd. In de wetenschap heet de Kleine ook Budytes flava, en de Groote ook Mot. boarula. Het voornaamste verschil tusschen beide Gele soorten bestaat hierin, dat de eerste (Motacilla of Budytes flava) een korten staart, meer ronden kop, langere teenen, maar kortere voetwortels en een langen regten nagel aan den achterteen heeft. De tweede soort (de hier afgebeelde) is zeer duidelijk te onderscheiden aan zijn slanken vorm, zijn langen staart, het meerdere wit aan de staartpennen en, in den zomer, aan zijne zwarte keel. In het winterkleed ontbreekt het zwart aan de keel, en is het geel der onderdeelen fletser, terwijl bovenkop en rug minder grijs zijn, en meer naar het olijfgroene of bruine trekken. In het winterkleed zijn de seksen bijna niet te onderscheiden, doch des zomers is er meer verschil op te merken, namelijk, doordien het wijfje geen zwart aan de keel heeft.

De jongen hebben, tegen den tijd dat zij het nest verlaten, bijna dezelfde kleuren als de ouden in hun winterkleed, maar zijn rosser aan krop en borst, hebben minder zwart aan de vleugels en een veel korteren staart. De overgang van zomer- tot winterkleed, bij de ouden, geschiedt door ruijing, die van winter tot zomerkleed gedeeltelijk door afwerping van doode of versleten veeren, gedeeltelijk door verkleuring aan de veêren zelve. (Ditzelfde geldt ook voor de Gewone soort (Mot. alba). Daar echter bij de beschrijving van deze laatste eene stelfout over het hoofd is gezien, gelieve de lezer hierop zijne aandacht te vestigen.)

De Groote Gele Kwikstaart heeft nog dit eigenaardige, dat hij in bergachtige streken nabij rivieren, watervallen en stroomen leeft, waar de Kleine soort slechts zelden gevonden wordt.

Deze vogel broeit tweemaal, namelijk, tegen het einde van April of het begin van Mei, en in Junij. Het nest ligt tusschen steenen langs den waterkant, onder uitstekende wortels van boomen, of in naden en scheuren van in het water staande muren, soms ook langs de oevers in gaten, waarin vroeger andere vogels genesteld hebben; het wordt uit worteltjes, mos en halmpjes zamengesteld en van binnen met veêren, pluis en haar bekleed. Elk broeisel bevat vier à vijf eijeren [ 122 ] van gelijke grootte als die van Mot. alba, maar spitser, en grijsachtig van grondkleur met okergele vlekken, die hier en daar door het grijze als heênvloeijen, of er mede gemarmerd zijn; eenige kleine, donkergraauwe stipjes en soms streepjes zijn over het geheel verspreid. Het wijfje broeit dertien à veertien dagen, en, even als bij de Gewone soort, zijn de jongen reeds spoedig in staat het nest te verlaten. Volgens Dr. A.E. Brehm moeten zij dit reeds op hun veertienden dag kunnen doen; nu is het waar, dat jonge Kwikstaarten reeds het nest verlaten en behendig wegloopen vóórdat ze nog in de veêren zitten; maar toch komt mij dat emanciperen reeds op den veertienden dag wel wat heel vroeg voor; immers kunnen jonge Leeuwerikken eerst met hun achttienden of twintigsten dag loopen, en toch zijn de Leeuwerikken niets minder vlug dan de Kwikstaarten. Niettemin is Brehm overigens zeer juist in zijne waarnemingen, en niet minder juist en geestig in zijne beschrijvingen.

De jonge voorwerpen worden met allerlei kleine water- en land-insecten grootgebragt. In de wijze van het voedsel te vangen en de jongen te voeren, alsmede in de keuze van het voedsel der ouden, komt deze soort in alle opzigten de Gewone of Witte zeer nabij. Het stemgeluid van dezen vogel bestaat uit dezelfde toonen als die der beide overige soorten, en men zou eigenlijk kunnen zeggen, dat dezelfde strophen door Mot. alba gerekt en duidelijk, door Mot. flava schielijk en scherp, en door Mot. sulphurea bedaard en krachtig worden uitgedrukt. In sommige opzigten heeft laatstgenoemde Kwikstaart echter nog iets bijzonders, namelijk een stootend helder geluid, als: „fu-ienk, wiechiechie-tjirrrt", dat men meestal verneemt, als hij in het najaar in de boomen zit, even vóórdat hij opvliegt.

In hunne wijze van bewegen komen deze vogels geheel met de Gewone of Witte soort overeen; zij trippelen even behendig als deze van den eenen steen op den anderen, schieten over den vlakken grond op eens pijlsnel vooruit, en vangen muggen in de vlugt langs den grond. Zij zijn zeer levendig en onrustig van aard, niet twistziek, maar toch groote levenmakers, vooral wanneer zij een Koekoek of roofvogel zien. Volgens Brehm worden vele broeisels door den Koekoek vernield, en vele jongen, bij hevige regens, door het water der beken verzwolgen, dikwijls ook door Katten, Marters, Bunsings en Ratten, of door Kraaijen en Eksters geroofd.

Men kan deze vogels in de kooi houden, mits die ruim en op gelijke wijze als voor de Gewone soort is ingerigt; men geve hun hetzelfde voêr als aan deze [ 123 ] soort, en houde vooral in 't oog, dat het tamelijk zwakke vogeltjes zijn. Op Madeira, waar zij vrij talrijk voorkomen en in Februarij broeijen, worden de jongen met een pap van brood, gehakt ei en miereneijeren gevoêrd.

Even als van de Kleine Gele soort, komen er in andere streken nog verwante soorten voor, die echter door sommigen als tot dezelfde soort behoorende, of als variëteiten worden beschouwd.