Keulemans Onze vogels 3 (1876)/60

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
59 Onze vogels in huis en tuin, deel 3 van John Gerrard Keulemans

60. De pijlstaart eend


[ Pl60 ]

Keulemans Onze vogels 3 60.jpg

[ 192 ]
 

DE PIJLSTAART-EEND.

ANAS ACUTA.


Men beschouwt tegenwoordig de Pijlstaart-Eenden als eene afzonderlijke groep of ondergeslacht (Dafila), met het oog op de verlengde staartpennen, waardoor men op 't eerste gezigt haar van alle overige bij ons levende Eenden kan onderscheiden. In het Fransch heet deze soort Pilet; in het Portugeesch Rabo de jonco; in het Spaansch Pato caveto; in het Italiaansch Campigiana; in het Duitsch Spitzente; in het Zweedsch Stjertand, en in het Russisch Schilochwost.

Bijgaande afbeelding stelt het mannetje in zijn prachtkleed voor, waarin hij zich van het wijfje onderscheidt door zijne duidelijk witte nekstreep en donkerbruinen voornek. Na den broeitijd zijn deze kenteekenen minder duidelijk, en is de nek en de geheele kop onregelmatig licht gezoomd en het geheele overige vederkleed doffer en graauwer. Het wijfje is, even als de meeste wijfjes-Eenden, over het geheele ligchaam gevlekt, doch gemakkelijk te herkennen aan haar langen, dunnen nek en puntigen staart, welke echter, ofschoon hij nimmer zoo lang wordt als die van het mannetje, toch veel spitser is, dan die van eenige andere Europesche Eendensoort. De jongen zijn in hun donskleed allerliefste diertjes, wier kleurteekening wel is waar met die der meeste jonge Eenden overeenkomt, doch die, even als hunne ouders, reeds veel slanker en bijzonder klein, maar vlug en dartel zijn. De bovenkop is donkerbruin, even als de oogstreep, de achternek, de rug, stuit en staart; de wangen zijn bruinachtig wit; de keel, de geheele onderdeelen en eene zeer in 't oog vallende streep langs den rug, namelijk van langs den vleugel tot aan den staart, zijn wit.

Men treft de Pijlstaart-Eend in geheel Europa aan, zoowel in het hooge Noorden als in de zuidelijke landen. In Azië komt zij tot Ceylon; voorts in NoordAfrika en, zeer opmerkenswaardig, ook in Noord-Amerika tot aan Panama; ook [ 193 ] Costa-Rica wordt door haar bezocht; ten minste men vindt daar deze soort in bepaalde jaargetijden. In het Westen van Europa is zij, vooral des winters, vrij algemeen, doch bezuiden Denemarken en Schotland schijnt zij niet of zeer zelden te broeijen. Men zegt dat zij in ons land op Borkum broeijen, doch dit heb ik nimmer bevestigd gevonden, ofschoon het zeer wel mogelijk is, dat zij ook op de eilanden Texel, Vlieland en Terschelling nu en dan nestelen, daar in deze streken zeer dikwijls vele Eenden broeijen, die men als zoodanig in geen ander oord van ons vaderland aantreft. Daarenboven is er zoo weinig communicatie (vooral wat de Eenden betreft) tusschen deze eilanden en het vasteland, dat we in werkelijkheid niet weten, welke vogels aldaar broeijen of overwinteren. Siberië, Zweden en Noorwegen, Noord-Azië en Noord-Amerika, alsmede het geheele Noorden van Rusland, IJsland en Groenland, zijn de eigenlijke broeiplaatsen dezer soort.

Naar gelang van de localiteit, begint de paartijd omstreeks Maart of April, soms later. Het nest wordt in eene holte of oneffenheid van den grond, tusschen hoog gras of onder afhangende boomtakken nabij het water aangelegd. De 7 à 10 eijeren zijn, even als de vogel zelf, langer en spitser dan die van andere Eenden, licht groenachtig grijs, gelijk die der Wilde Eend, en worden, zoo als trouwens bij alle soorten van Eenden is opgemerkt, alleen door het wijfje bebroeid. Als zij het nest verlaat, of als het aantal eijeren nog niet is uitgelegd, bedekt zij telkens, alvorens zich te verwijderen, de geheele oppervlakte met biezen of bladeren, en weet dit zoo net en natuurlijk te verbergen, dat het bijna onmogelijk is, het te vinden, zelfs al ziet men de Eend van de plaats wegzwemmen.

Pijlstaart-Eenden vliegen bijzonder snel en kunnen ook zeer goed duiken, ofschoon zij, naar hare vormen te oordeelen, wel voor volmaakte zwemmers, doch niet voor duikers zouden aangezien worden. Hare bewegingen herinneren aan die van den zoogenaamden Scherf-Waard (Mergus albellus), doch zij duiken minder geregeld en kunnen niet zoo lang onder water blijven. Ook weten zij zich zeer goed tusschen het langs den oever staand groen te verbergen, en zijn dus zeer moeijelijk te schieten. Overigens zijn zij zeer stil van aard: zelden brengen zij eenig geluid voort. Indien zij niet gestoord worden, blijven zij lang in eene streek vertoeven.

Wegens hare zachte kleuren, sierlijke, zwaanachtige houding en vlugge bewegingen, zijn zij als vijvervogels zeer gezocht, en, waren zij slechts wat [ 194 ] minder algemeen, zij zouden boven vele uilheemsche soorten geschat worden. Zij broeijen in onze vijvers echter niet zoo gereedelijk en verlangen, behalve stroomend water, een stil en rustig oord, geen gezelschap van andere tamme Eenden, en nog minder van grootere watervogels. Indien men, als de Eend eijeren legt, ze terstond verwijdert, om ze door eene andere tamme Eend of Kloek te laten uitbroeijen, zal men spoediger jongen verkrijgen, dan wanneer men ze aan de zorgen van het ouderpaar overlaat; want de Waard neemt al heel weinig notitie van zijne wederhelft, zoodra zij zich met familiezaken bemoeijen moet, en de Eend laat zich zoo ongaarne met andere gevederde of ongevederde bezoekers in, dat zij bij de minste verontrusting gewoonlijk hare eijeren verlaat. In groote vijvers, waarin veel kroos groeit, behoeft men ze des zomers slechts met wat graan, brood of groen te voeren, 's Winters daarentegen behoeven zij, even als alle tamme watervogels, degelijk voeder; doch de koude, hoe streng ook, schijnt haar volstrekt niet onbehagelijk.

Als wildbraad zijn deze vogels mede bijzonder smakelijk, doch zelden vet. Op onze wildmarkten ziet men ze herhaaldelijk, doch nooit zeer algemeen; want Pijlstaarten zijn, daargelaten nog hare geringe menigvuldigheid, moeijelijker te verkrijgen dan andere Eenden; en broodjagers vermoeijen zich liever niet, zoolang zij ander wild voor de hand kunnen wegschieten. Dr. von Radde vermeldt, dat de Chinezen ze met stukjes ijzer schieten, en dat hij in Kalassatajefsk eens een kozak ontmoette, die vischhaakjes met stukjes schapenlever aan takjes boven het water hing, en op die wijze reeds verscheidene dezer Eenden gevangen had.