Nieuwe Tilburgsche Courant/Jaargang 45/Nummer 8587/Een Dadaïstische "serenade"

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Een Dadaïstische „serenade”
Auteur(s) Anoniem en Charivarius
Datum Dinsdag 6 februari 1923
Titel Een Dadaïstische „serenade”
Krant Nieuwe Tilburgsche Courant
Jg, nr 45, 8587
Editie, pg [Dag], Tweede Blad, [2]
Brontaal Nederlands
Bron delpher.nl
Auteursrecht Publiek domein

Een Dadaïstische „serenade.”

      Charivarius heeft in de groene „Amsterdammer” het volgende „Nieuw-dadaïstisch Rijm” opgedragen aan den schranderen schilder Theo van Doesburg.
                  „Dada is een ladder zonder sporten.”
                        Th. van Doesburg.

      (De 17-jarige burchtvrouw Kunigond, groengelokt en met prachtige geribde oogen is ingesluimerd op een telegraafdraad. Ridder Deodaat staat, met zijn kunstgebit in de eene en een driesnijdend zwaard in de andere hand, op het linkervoorwiel van den electrischen trein, die dwars er onder door achteruit snelt. Pikzwarte stoom verdwijnt in de veiligheidsklep, en Deodaat fluit, tokkelende op een mond harmonica, terwijl hem het klamme angstzweet tegen de wangen opkronkelt, Kunigond tweestemmig toe:)

O, Kunigond! O, Kunigond!
Heel mijn genezen minnewond!
Ontwaak, zoodat uw boezem ziet
Den drieklank van mijn liefdelied!
De smartgeur van mijn grooten teen
Juicht door den nacht der eeuwen heen.

O, Kunigond! O, Kunigond!
Slaap door, en kijk terwijl in ’t rond:
Ziet, hoe de heete regen schijnt,
Hoe druipend kil de zon verdwijnt,
De krijtrots ruischt, de beek verwelkt.
Terwijl de boer zijn kiekens melkt.

O, Kunigond! O, Kunigond!
De plek, waar eens ons graf op stond,
Snelt henen in onbluschbren vaart,
De wurmen fladdern hoog bij d’aard,
De leeuw beklimt den torenklok,
Onwrikbaar in gestaag geschok.

O, Kunigond ï O, Kunigond!
Mijn oogen puilend uit mijn mond,
’k Druk in mijn schedel haar op haar,
En ’k pers mijn ooren op elkaar;
Hoort hoe ’k, den brauw hedekt van ’t schuim,
Mijn tranen wegpink met mijn duim.

O, Kunigond! O, Kunigond!
De sneeuwlaag dondert, kakelbont,
Als lonkend naar uw Deodaat,
Uw rechterneusgat opengaat,
Hier staan ik, in parfait amour!
(Ik zelf niet, maar mijn oudste broer.)

O, Kunigond! O, Kunigond!
Hoog boven den beganen grond!
Wen straks de telegraafdraad breekt,
Dan slaapt gij rustig door, dat spreekt,
Maar ik klim, staande op mijn kop,
Een sportenloozen ladder op.

O, Kunigond! O, Kunigond!
Wee! Godin Amor schiet zijn lont.
Ruik hoe, terwijl gij wordt geschaakt,
Uw kleinzoon in vervoering raakt,
Onz’ ouders, die in ’t water staan,
Zien ons, twee arme wezen, gaan.

O, Kunigond! O, Kunigond!
Nu blaft de kat, en fluit de hond.
Wij rennen toomeloos, maar vlug.
Op liefdevleugelen, rug-aan-rug,
Om met uw bruid, gelijk de vlieg,
De dood te hervinden in den wieg.

      (Dit rijm mag op dadaïstische avonden gratis worden voorgedragen).

Overige vindplaatsen[bewerken]

  • Anoniem en Charivarius (30 januari 1923) ‘Dada’, Het Vaderland, Ochtendblad, p. 3.
  • Anoniem en Charivarius (31 januari 1923) ‘Een Dadaïstische „serenade”’, De Tijd, tweede blad, [p. 3].
  • Anoniem en Charivarius (2 februari 1923) ‘Een Dadaistische „serenade”’, Limburgsch Dagblad, [p. 2].
  • Anoniem en Charivarius (3 februari 1923) ‘Een Dadaistische „serenade”’, Eindhovensch Dagblad, tweede blad, [p. 1].
  • Anoniem en Charivarius (5 februari 1923) ‘Dada’, De Grondwet, [p. 3].
  • Anoniem en Charivarius (3 maart 1923) ‘Een da-daïstische Serenade’, Het nieuws van den dag voor Nederlandsch-Indië, Vierde Blad, [p. 1].
  • Anoniem en Charivarius (3 maart 1923) ‘Serenade’, De Preangerbode, Avond-editie, derde blad, [p. 1].