Pagina:Darwin - Het ontstaan der soorten (1860).djvu/30

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze pagina is gecontroleerd



 

EERSTE HOOFDSTUK.




OVER DE WIJZIGINGEN EN VERANDERINGEN DIE IN DEN TAMMEN STAAT ONTSTAAN.


De oorzaken der veranderingen.—De uitwerkselen der gewoonte.—De erfelijkheid.—Kenmerken van tamme rassen.—De moeijelijkheid om een onderscheid te vinden tusschen rassen en soorten.—Het ontstaan van tamme rassen uit eene of uit verscheidene soorten.—Tamme duiven, hare afkomst en haar onderling verschil.—De beginselen waarnaar men voorheen handelde in het verkiezen van tamme dieren.—Over de opzettelijke en de onopzettelijke keus.—De onbekende afkomst onzer tamme dieren en verbouwd wordende planten.—De omstandigheden, welke den mensch in zijne keus begunstigen.


Indien wij eenige individuen van zeker ras of onderras onzer reeds sedert lang verbouwde planten of onzer getemde dieren beschouwen, dan is een van de eerste bijzonderheden, die onze aandacht treffen, de omstandigheid dat zij in het algemeen meer van elkander verschillen dan zulks bij de individuen van de eene of andere wilde soort of wild ras het geval is. Als wij nadenken en zien welke groote verschillen er onderling tusschen de verbouwde planten en de getemde dieren bestaan—verschillen, die gewisseld hebben en veranderd zijn ten allen tijde, in de meest verschillende klimaten en onder de meest uiteenloopende behandelingen—dan dunkt mij dat wij genoodzaakt zijn te besluiten, dat die groote verschillen eenvoudig te danken zijn aan de omstandigheid, dat onze huisdieren en tuinplanten opgewassen zijn onder voorwaarden die minder eentoonig en