Pagina:Darwin - Het ontstaan der soorten (1860).djvu/37

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze pagina is gecontroleerd
23
DE ERFELIJKHEID.

zelfde oorzaak die op beiden heeft gewerkt. Maar wanneer onder individuen, klaarblijkelijk aan den zelfden invloed blootgesteld, de eene of andere zeer zeldzame afwijking wordt waargenomen, eene afwijking die aan een buitengewonen zamenloop van omstandigheden toe te schrijven is, ja al is het dat zij slechts eenmaal onder een getal van verscheidene millioenen individuen wordt gezien, en als wij vervolgens zien dat die afwijking van den vader op den zoon overgaat en zich weder vertoont—dan immers blijft ons niets anders over dan ook haar toe te schrijven aan de zelfde erfelijkheid. Iedereen weet gevallen op te noemen van albinismus, huidvlekken, zeer weligen haargroei en dergelijke dingen bij de leden van de zelfde familie voorkomende. Indien vreemde en zeldzame afwijkingen waarlijk erfelijk zijn, dan mogen wij ten minste minder vreemde en minder zeldzame afwijkingen wel met vrijmoedigheid voor erfelijk verklaren. Het is niet ongerijmd te stellen dat de erfelijkheid van het eene of andere kenteeken regel, en de niet erfelijkheid uitzondering is.

De wetten die de erfelijkheid regeren zijn volkomen onbekend: niemand kan zeggen waarom eene bijzonderheid van onderscheidene individuen eener zelfde soort, of van individuen van verschillende soorten somtijds erfelijk is en somtijds niet; waarom het kind niet zelden door zekere bijzonderheden op zijnen grootvader of grootmoeder of nog verder verwijderde bloedverwanten gelijkt; waarom zekere bijzonderheid veeltijds overgebragt wordt van de eene sexe tot beide sexen of tot eene sexe alleen, en wel gewoonlijk, maar niet bij uitsluiting, tot de zelfde sexe. Het is bekend, maar voor ons hier niet van zeer veel gewigt, dat sommige bijzonderheden van de mannetjes onzer huisdieren veeltijds overgebragt worden, hetzij bij uitsluiting, hetzij in veel sterkeren graad, op de mannelijke jongen alleen. Veel belangrijker is de waarneming dat, als zekere bijzonderheid zich voor het eerst in een bepaald tijdperk des levens vertoont, zij altijd geneigd is om ook in de