Pagina:Darwin - Het ontstaan der soorten (1860).djvu/62

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze pagina is gecontroleerd
48
OVER DE VERANDERINGEN IN DEN TAMMEN STAAT.

was dan hare ouders, werd die uitgezocht en zoo vervolgens. Doch de kweekers van voorheen, die de beste peren kweekten welke zij konden bekomen, hebben niet kunnen vermoeden dat wij zulke heerlijke peren zouden eten: wij zijn die uitmuntende vruchten echter in zekere mate daaraan verschuldigd, dat zij de beste verscheidenheden die zij konden vinden, uitgekozen en bewaard hebben.

De op die wijze langzamerhand en onopzettelijk als opgehoopte wijzigingen en veranderingen onzer tuinplanten, verklaren, dunkt mij, het welbekende feit dat wij in vele gevallen niet kunnen herkennen en gevolgelijk niet weten van welke moederplanten de planten afstammen, die het langst in onze bloem- en moestuinen zijn gekweekt geworden. Indien het eeuwen ja duizenden jaren aaneen heeft moeten duren eer de meesten onzer planten verbeterd of gewijzigd waren geworden, en gebragt op die hoogte waarop zij thans staan, dan is het gemakkelijk te begrijpen, dat noch Nieuw Holland, noch de Kaap de Goede Hoop, noch eenig ander door onbeschaafde menschen bewoond gewest ons eene enkele plant, die het kweeken waard was, heeft kunnen leveren. Ik wil hiermede niet zeggen dat wij uit die landen, zoo rijk in soorten, geen moederplanten gekregen hebben, uit welke bij ons vele nuttige gewassen zijn ontstaan; neen, ik bedoel slechts dit: de planten dier gewesten zijn geenszins door onophoudelijk de besten uit te kiezen veredeld geworden, in eene mate dat die veredeling vergeleken zou mogen worden met die der planten uit van oudsher beschaafde landen afkomstig.

In de beschouwing van de huisdieren der onbeschaafde volkeren mogen mij niet vergeten dat die volken bijna onophoudelijk, ten minste in sommige jaargetijden, moeite genoeg hebben om voedsel voor zich zelven te bekomen. Bovendien weten wij dat in twee gewesten, waarin de levensvoorwaarden zeer verschillen, individuen van de zelfde soort, die onderling slechts zeer gering verschillen, dikwijls beter in het eene gewest dan in het andere