Pagina:Darwin - Het ontstaan der soorten (1860).djvu/78

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze pagina is gecontroleerd
64
OVER DE VERANDERINGEN IN DEN NATUURSTAAT.

niet wezenlijk verschilt van het woord ras, hetwelk men toegepast heeft op minder verschillende en meer dobberende vormen. Ook het woord verscheidenheid of ras is slechts willekeurig toegepast, en wordt ook voor het gemak gegeven aan eene groep van individuen die slechts individuele verschillen vertoonen.

Alph. de candolle en anderen hebben aangetoond dat zulke planten die zeer wijd verspreid zijn, in het algemeen ook rassen vertoonen, en dit is wel te gelooven als men bedenkt dat zij door hare groote verspreiding aan verschillende physische voorwaarden onderworpen worden, en dat zij moeten mededingen met andere groepen van bewerktuigde wezens; hetgeen wij in 't vervolg als iets van zeer veel gewigt zullen leeren kennen. Maar eenige lijsten, welke ik met het doel om dit te bewijzen zamengesteld heb, en die ik in mijn volgend werk hoop op te nemen, bewijzen, dat in eene omschrevene landstreek die soorten, welke daar het meest algemeen zijn, dat is die de meeste individuen bezitten, en die soorten, welke in haar eigen gewest het verst verspreid zijn, dikwijls aanleiding geven tot het ontstaan van rassen, onderscheiden genoeg om in kruidkundige werken opgenomen te worden. Vandaar zijn het de meest in het oog vallende, of, zooals zij geheeten mogen worden, de heerschende soorten—die welke ver over de aarde of wel in haar eigen land het verst zijn verspreid en die het talrijkst in individuen zijn—welke het meest onderscheidene rassen, óf, zooals ik hen noem, wordende soorten voortbrengen. En misschien zal dat altijd zoo geweest zijn. Immers, indien een ras om in zekere mate blijvend te worden noodzakelijk strijden moet tegen de andere bewoners der landstreek, zoo zullen de soorten die reeds heerschende zijn het geschiktste wezen om nakomelingen voort te brengen, die, ofschoon eenigzins gewijzigd, toch ook die eigenschappen erven welke hunne ouders in staat stelden om over hunne landgenooten te heerschen.