Pagina:Darwin - Het ontstaan der soorten (1860).djvu/90

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze pagina is gecontroleerd
76
OVER DEN STRIJD VOOR HET BESTAAN.

stige reden trachten te vermeerderen; dat allen zeer spoedig hunne woonplaatsen geheel bedekken zouden; en dat die wiskunstige neiging tot vermeerdering bestreden moet worden door de vernietiging op zekeren tijd des levens. Onze bekendheid met de groote huisdieren misleidt ons veelal: wij zien geene groote vernietiging onder hen voorvallen, maar wij vergeten dat er jaarlijks duizenden geslagt worden om voor ons tot spijs te dienen, en dat er in den natuurstaat voorzeker een niet minder groot getal zal omkomen.

Het eenige verschil tusschen bewerktuigde wezens die jaarlijks bij duizenden eijeren en zaadkorrels, en die welke zeer weinig voortbrengen, bestaat slechts hierin dat de laatsten eenige jaren meer noodig zouden hebben om onder gunstige omstandigheden een groot gewest te bevolken. De condor, Sarcoramphus gryphus, legt slechts twee eijeren en de zuidamerikaansche struisvogel, Rhea americana, legt een snees, en echter zijn er in de zelfde landstreek meer condors dan struisvogels. De noordsche ijsstormvogel, Procellaria glacialis, legt slechts één ei, maar men wil dat er op de geheele wereld geen vogel is die in een grooter getal voorkomt. Het eene insekt legt honderde eijeren, en het andere, zooals de paardeluis, Hippobosca, slechts één ei, maar daarvan hangt het niet af hoeveel individuen van de beide soorten er in zekeren omtrek kunnen bestaan. Eene groote menigte eijeren te leggen is van veel belang voor die soorten, welke van eene groote wisseling van overvloed en schaarschte van voedsel afhangen, want dat stelt hen in staat snel in getal toe te nemen. Maar het wezenlijke belang van een groot getal eijeren of zaad is hierin gelegen, dat de soort daardoor weêrstand kan bieden aan de vernietiging, die haar in sommige tijdperken des levens en wel vooral in de eerste levenstijden treft. Als een dier op de eene of andere wijze zijne eijeren of jongen kan beschermen, is een klein getal eijeren voldoende om de soort in wezen te doen blijven; maar als er vele eijeren of jongen vernietigd worden, dan moet het getal hetwelk voort-