Pallieter/II

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Een fijne morgend in de Mei. Pallieter (1916) van Felix Timmermans

Het tweegevecht.

Een meiavond.

[ 20 ] Het tweegevecht.

NA het eten smoorde Pallieter een pijp, wandelde eenigen tijd in den hof om zijn eten te doen zakken, en gaf pieren aan de goudvisschen.

En dan reed hij op het blauw hondenkarretje naar de meulder van over de Nethe om een zak graan en een halve zak terwe.

Die meulder was de vader van Fransoo, de landschapschilder, Pallieters beste vriend.

Loebas baste van vreugd, en liep met korte, rappe stapkens. Zij rolden over de tempelachtige Begijnenvest en een endeke door het zuivere stadje, dat op dit uur vol zonneschijn en stilte lag, met het geklang van twee kasseiers.

Als zij op den bleeken steenweg kwamen, die met ronde bochten door de schoone velden draaide dan verlengde Loebas zijn voorste pooten, en liep zoo hevig dat het karretje er op zij van slingerde, en knetste en lonkte op de bulten der kasseien.

[ 21 ] Pallieter daar op zijn hukken ingezeten had er danig plezier van en kletste met de zweep, dat het helder ver klonk over de geruste middagvelden.

Er vlogen duiven, en er groeiden veel madeliefkens in het jonge gers der beken. Het rook er naar boter....

Als de zakken betaald en geladen waren, riep Pallieter naar Fransoo, die boven in den houten molen zijn schilderkamer had. Uit het ronde vensterken kwam er seffens een roode vette kop, die lachend riep 'ik koom!'

Beiden gingen 'in 't Plakleerken' een glas bier drinken.

Fransoo was in zijn hemdsmouwen, die tot boven de ellebogen opgerold waren, en zijn dikke bloote armen waren vol verfkladden, tot zelfs op zijn neus was een blauwe vlek.

' 't Plakleerken' was een oude afspanning, aan den voet van den meulenberg. Twaalf platte linden belommerden nevenseen de lange witte gevel. In de koelte van die boomen zat de jonge graaf van Dendersteen met een oude heer een pint te drinken.

De jonge graaf was een schraal figuur met hoogmoed in de oogen. Hij was gekleed in ruiter en speelde met een karwats.

Pallieter zette zich met Fransoo daarnevens en bestelde twee pinten dobbele gersten aan de oude deftige bazin, die nog struisch was lijk een boom. Zij droeg een kanten kap, een bril en lange gouden bellen. Ze bracht het bier op een tinnen schenkbord, en maar juist had ze zich omgedraaid of ze [ 22 ] waren leeg, en Fransoo vroeg er twee met Faro in.

Loebas kreeg een emmer water en lei zich hijgend op den grond. Het was hier waarlijk een schoon gezicht. De velden en weiden zakten langzaam naar de Nethe, en daarover, klaar in de zon, lag 'De Reinaert' van Pallieter, 't Begijnhof en de groote velden.

Fransoo vertelde van zijns vaders peerden en koeien, die ginder lijk witte en bruine paddestoelen in den beemd aan 't grazen waren. Daarna luisterden zij naar den verwaanden graaf, die luid riep, opdat zij het zouden hooren, pochte op zijn groot omliggend grondgebied.

'Zuukte nog grond bij te koepe?' vroeg Fransoo.

En de jonge graaf snauwde hem in 't gezicht. 'Daar is niets van gekocht; daar hebben mijn voorouders voor gevochten!'

'Als 't ni mier is!' riep Pallieter, 'wille w' er dan ook is veur vichte?'

De graaf stond op bezag hem kwaad van kop tot teen, en vroeg uitdagend: 'Spot gij met mijn voorgeslacht?'

'En mè ij!' zei Pallieter.

'O mijn eer!' kreet de jonge edelman. 'Ik moet voldoening hebben. Ik daag u uit!' en een zijner geglansde handschoenen in Pallieters lachend gezicht kletsend, siste hij 'Welke wapens kiest ge?'

'Het kanon,' zei Pallieter ernstig.

'Hoe?... wat?... Hoe wilt ge?...' vroeg de graaf verbluft.

'Zoe!' riep Pallieter, en met een kattenrapte, [ 23 ] zette hij de graaf in gebogen houding naar het huis, en vóór deze zich had opgericht, hief Pallieter het rechterbeen op, riep ‘Vlam!’ en liet een grooten wind.

Tafels vielen, pinten braken, en Fransoo viel van het lachen op den grond.

De graaf sprong kressend op als waarlijk getroffen, wilde met zijne karwats Pallieter te lijf, maar Bruur vloog haastig lijk een bieken in zijn hondenkarretje, riep ‘dju!’ en ginder rolde hij over de kasseien weg, en moest de handen op den buik duwen om van het danig lachen niet open te scheuren.

Afkomstig van Wikisource NL, de Vrije Bron. "https://nl.wikisource.org/w/index.php?title=Pallieter/II&oldid=74256"