Rotterdamsch welvaren 1550-1650/De Opstand 1572-1588

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

< Rotterdamsch welvaren 1550-1650

Na de aansluiting bij de zaak van den Prins Willem van Oranje nam het Rotterdamsche stadsbestuur, waarin de opengekomen vroedschapsplaatsen meerendeels door de voormannen der geuzenpartij werden ingenomen, terstond maatregelen om Rotterdam naar de waterzijde te versterken en de haven te beveiligen; tot de uitvoering van dit werk verleende de burgerij uit "liefde" hare medewerking en de onversterkte oude stads-vesten van Oost- en West-Nieuwland werden tot twee "groote schoone" binnenhavens gemaakt (Nieuwe Haven en Blaak), aan de Maaszijde met aarden wallen en bolwerken bevestigd.

De moeite, die de burgerij zich gaf, zou dadelijk hare belooning vinden. Sedert de Geuzen er in geslaagd waren, de macht te verkrijgen op de Zuiderzee en over de Maas- en Scheldemondingen, was de scheepvaart aangewezen op de geuzehavens. Niet langer als voorheen konden de kooplieden - aldus schrijft de syndicus der Hanse - hunner schepen naar Antwerpen en Amsterdam dirigeeren, maar zij waren verplicht deze te Enkhuizen, Rotterdam, Brielle of Vlissingen te doen binnenloopen. Zoolang Amsterdam de Spaansche zijde bleef houden, dreven vele Amsterdamsche kooplieden hunner koopmanschap van uit Rotterdam en lieten hunner schepen in deze haven binnenvallen; van hunner bedrijvigheid getuigen de staten van de Sonttol, welke voor de eerste jaren der troebelen een aanmerkelijke stijging der Rotterdamsche scheepvaart naar de Oostzee uitwijzen, vermeerdering, die het gevolg was van de verplaatsing der Amsterdamsche koopvaardij naar de Maashaven.

Veel bleven de oorlogsleeningen en verhoogde imposten van het draagvermogen der Rotterdamsche poorterij vergen, en de vrije ontwikkeling van het bedrijfsleven werd door den druk van den oorlogstoestand geducht belemmerd. In dezen zin liet de vroedschap zich uit in hare vergadering van 29 mei 1575, toen zij naar aanleiding van een volgens hare meening te hoog gestelden aanslag in eene oorlogsheffing, aan de Staten van Holland te kennen gaf: dat zij geen middel of raad zoude weten, waar de penningen te vinden, zelfs al wilde zij deze opbrengen, zonder de stad aan den rand van het verderf te brengen "gemerct doch alle incompsten derselver stede tot bevordering van de gemeene oorloge werden ontfangen, ende de neeringe van de draperye ende harinckvaert, wesende 't eenige middel des welvaerts der voorzegde steede, nu geheel cesseren ende stille staen, ende 't gunt aen coepmanschappen ofte coopvaerdie resteeren mach, werdt deselve coopmanschappe alleenlick gedaen bij vreemde coopluyden". De klacht, hier over het verval van de haringvisscherij en draperie geuit, werd in het jaar 1580 door de vroedschap herhaald.

Door den oorlog kreeg ook de koopvaardij haar aandeel bij te brengen in de belastingen tot bestrijding van de hooge onkosten der krijgsvoering. In 1573 was het begonnen met de betaling van het recht van licent, verschuldigd voor den export van victualiën naar 's vijands land, en weldra was daar bij gekomen een heffing in den vorm van een lastgeld van de lading der inkomende en uitgaande schepen; dat middel kwam bekend te staan onder den naam van convooygeld, daar de opbrengst ervan dienen moest tot het uitrusten van convoyeerende oorlogsschepen, welke de koopvaarders konden beschermen en de zee en stroomen beveiligen. Maar zelfs daarmede was de koopvaardij er te Rotterdam nog niet af in de periode October 1574-1575, toen het stadsbestuur volgens octrooi der Staten van Holland een uitvoerrecht hief op de koopmansgoederen, per schip naar het buitenland verhandeld; de opbrengst deze stedelijke heffing moest strekken "tot vermeerdering ende fortificatie derselve steede ende tot bescherminge ende bewaernisse van de schepen ende goederen, die aldaar havenen ende negotieeren": de belasting zou dus in de eerste plaats ten nutte van de Rotterdamsche scheepvaart zelve worden aangewend.

De nood der tijden en de veranderde staatsrechtelijke verhoudingen zouden daartegenover voor den Rotterdamschen handel en koopvaardij ook medebrengen, dat men van bestaande belemmeringen ontslagen raakte. Gedurende de troubles kon de handhaving van het oude Dordtsche Maasrecht metterdaad niet geschieden, zoodat het voor vreemde schepen mogelijk werd, voortaan ongehinderd langs den Maasmond te Rotterdam binnen te vallen. Eveneens verloor het Dordtsche stapelrecht zijn beteekenis, doordat de stapelordonnantie voorloopig buiten werking werd gesteld. Dezen maatregel heeft Rotterdam te danken gehad aan de bemoeiingen van Meester Johan van Oldenbarnevelt, die op het einde van 1576 tot pensionaris der stad was benoemd. Oldenbarnevelt wist te bewerken, dat de Staten van Holland op 28 augustus 1579 besloten de gewoone jaarlijksche executoirverklaring van de stapelrecht-ordonnantie niet te verleenen, ten einde "alle swaricheden, onrust ende dissidentie binnen deze landen, sonderlinge tot dezen tijd te verhoeden". Gedurende enkele jaren bleef deze opschorting duren en eerst in het jaar 1588 trad Dordrecht weder in het bezit van haar stapelrecht.

Het voornaamste, wat Oldenbarnevelt voor Rotterdam tot stand bracht tijdens zijn tien-jarig pensionarisschap - hij kreeg in Februari 1586 zijn ontslag in termen, die van de grootste erkentelijkheid der stadsregeerders getuigden - is in later dagen door hem als landsadvocaat op schrift gesteld; dit relaas, overgenomen door den samensteller der "Waerachtige Historie van Johan van Oldenbarnevelt", vermeldt nagenoeg hetzelfde als het vroedschapsresolutieregister uitvoeriger uitwijst. Van Rotterdams stijgend aanzien bleek onder andere toen de stad in het jaar 1581, krachtens de Ordonnantie op de Vergadering en Besoignes van de Staten van Holland, rang kreeg als zevende stad, onmiddelijk volgend op de zes steden, vroeger als "groote" aangeduid. Eveneens kreeg Oldenbarnevelt gedaan, dat aan de stad Rotterdam, gelijk de vóór haar zittende steden, het recht werd toegekend op sessie en stem in de vergadering der Staten-Generaal en van het College van Gecommiteerde Raden in Holland.

Nog op ander gebied van bestuur won Rotterdam in de jaren der troubles aan beteekenis; reeds bij den aanvang van den opstand had de Prins van Oranje, als hoofd van het zeewezen, de stad uitgekozen als de Maashaven, waar uitrusting van oorlogsschepen zou geschieden. In den zomer van 1574 vertoefde de Prins hier met de vergaderende Staten, om het ontzet van Leiden te bestieren(*).

(*)Hij hield destijds, zwaar ziek geworden, verblijf in de Sint Jorisdoelen

Reeds toen was voor het zeewezen te Rotterdam een equipagemeester werkzaam, die enkele jaren later het toezicht kreeg over een ammunitiehuis en scheepswerf. In de lijn van dezen feitelijken toestand lag de regeling van het bestuur van het zeewezen door de Staten van Holland, toen deze 1 November 1585 bij de vaststelling der instructie voor "Gecommiteerde Raden van de Admiraliteit in Holland" als ordinaris vergaderplaatsen van dit college naast Den Haag ook Rotterdam aanwezen. Een jaar daarop volgde de regeling, na welke Rotterdam voorgoed de Admiraliteit binnen haar poorten behield: in juli 1586 bepaalde de Graaf van Leycester dat het "College van Gecommiteerde Raden tot de Admiraliteit in het Zuider-kwartier van Holland" te Rotterdam zijn residentie zou nemen. Het Prinsenhof aan de Botersloot (het voormalige Agnietenconvent) werd door het hooge college als gebouw voor zijne samenkomsten in gebruik genomen.

Eene algemeene karakteristiek van het Rotterdamsche bedrijfsleven tijdens den opstand vinden wij in het dagboek van den geleerden Utrechtenaar Aernout van Buchell, die bij zijn bezoek aan Rotterdam in het jaar 1583 aanteekent: "Incolae nautae aut piscatores, quamvis et mercatura multum ibi florere ex Zelandia ob navigationeis commoditatem incipiat" en Rotterdam dus kenschetst als een stadje, bewoond door schippers en visschers, waar de koophandel door de gunstige ligging der stad voor de scheepvaart in de richting van Zeeland sterk aan het opkomen is. Gegevens, aan de archiefstukken te ontleenen, stellen ons in staat de karakteristiek uit te werken: duidelijk blijkt, dat in deze periode Rotterdam zijn oude bedrijfsleven heeft behouden, maar dat daarnaast de waterstad begonnen is zicht te ontwikkelen tot koopvaardijstad en de overzeesche scheepvaart tot een nieuwe bron van welvaren voor de poorterij is geworden.

De opkomst van de Rotterdamsche koopvaardij kan als een typisch geval van de ontwikkeling der oud-Hollandsche scheepvaartbeweging gelden. Hollandsch ligging in Europa tusschen Oosten en Westen, tusschen Sont en Straat van Gibraltar, "de oude palen des koophandels" - naar het woord van Hugo de Groot -, stelde in staat tot het drijven van een koophandel, die behalve de voortbrengselen der eigen haringvisscherij en zuivelbereiding ook de producten van het Oostzeegebied en de handelswaren van West- en Zuid-Europa omvatte; Rotterdamsch ligging in dit Holland bracht thans meede, dat de haringvisscherijstad in korten tijd kon groeien tot eene koopstad met eene levendige koopvaardij, welke van eminent belang zou wezen voor het welvaren der bevolking.

In de Rotterdamsche handelsbeweging bleef de uitvoer van haring en zuivel voorlopig nog de voornaamste plaats innemen. Op de beteekenis van de haring voor den Rotterdamsche koophandel vinden wij in eene vroedschapsresolutie van het jaar 1583 wederom nadrukkelijk gewezen: aan de Gedeputeerden ter Dagvaart werd opdracht gegeven bij de vaststelling van de lijst der convooy-rechten hun uiterste devoir te doen, "omme de haring ende de neeringe van dien so weinich te laten bezwaren als eenigszins mogelijk is".

Rotterdam onderhield in deze jaren een druk verkeer op de Noord-Fransche havens, (vooral Rouaen) en op het Oostzeegebied; ook dreef de stad handel op Engeland en Schotland en geschiedde er uitvoer naar Spanje-Portugal. Als de voorbeelden van normale handelsbeweging uit deze jaren vermelden wij de uitvoer naar Noord-Frankrijk van haring, visch, kaas, tarwe en zeep, en den aanvoer vanuit Frankrijk van wijn, zout en olijfolie; naar de Oostzeehavens werd haring verhandeld, terwijl men als retourwaren uit het Oostzeegebied (met name Dantzig) rogge, tarwe, asch en vlas betrok. De ruimere vorm van koopvaardij, die met den handel in de landseigen voortbrengselen het verkeer tusschen Oosten en Westen vereenigde, wordt uitnemend weergegeven door een bevrachtingscontract van December 1587, waarbij de schipper van den Sint Pieter aannam, geladen met haring van Rotterdam te zeilen naar Rouaen en daar te lossen; zout in te nemen te Brouage, terug te varen en het zout te lossen te Dantzig of Konigsbergen; aldaar rogge en tarwe in te nemen en met dezen last weder naar Rouaen te zeilen.

De toenemende handelsbeweging deed de behoefte ontstaan aan inrichtingen, welke ten opslag van koopmansgoederen konden dienen; tot nu toe had de Rotterdamsche handel het kunnen stellen met haringpakkerijen en -loodsen, thans ging men aan het bouwen van eigenlijke koopmanspakhuizen (of spijkers, zooals zij destijds te Rotterdam genoemd werden), waartoe de nieuwe havenbuurt overvloedig ruimte bood.

In het Rotterdamsche bedrijfsleven begon met de opkomst der koopvaardij de figuur van den koopman meer naar voren te komen; in de voorafgaande periode had men zoowel den koopman als den groothandel te Rotterdam gekend, maar onder "coman" werd verstaan de winkelier in mercerye-cramerye, en de groothandel bleef bepaald tot enkele bedrijven als dat van: haringkooper, kaaskooper, graankooper, houtkooper; het eigenaardige van de nieuwe groot-koopman was nu juist hierin gelegen, dat hij niet aan een bepaalde handelswaar gebonden bleef, maar dat alle soorten van koopmansgoederen van zijn gading waren.

Tot de vermeerdering van het betrekkelijk geringe aantal Rotterdamsche kooplieden hadden vooral bijgedragen de nieuwe burgers, die aangelokt door de gunstige en beveiligde ligging der stad, zich te Rotterdam waren komen vestigen. Dank zij dezen toevoer kon het bevolkingscijfer stijgende blijven en bleek het noodig, voor meerdere woongelegenheden in de stad door geleidelijke huizenbouw zorg te dragen. Onder de nieuwe, van buiten gekomen arbeidskrachten, kunnen wij onderscheiden de nieuwelingen voor de waterstad- en die voor de landstadbedrijven. Voor de waterstad Rotterdam was van belang de vestiging van stuurlieden der haringvisscherij, haringkoopers-reeders, zeilmakers enz. afkomstig uit de kleine watersteden en de kustdorpen als: Delfshaven, Schiedam, Brielle, Goedereede, Katwijk, Zandvoort, enz.; voor den landstad (handel in koren, zaden, meekrap) kwam de aanvoer van versche krachten uit de Schielandse dorpen, het Puttensche gebied en andere Hollandsche eilanden, zooals uit Rhoon, Poortugaal, Zuidland (Blenckvliet), Goudswaard, Sommelsdijck, Middelharnis, enz. Ook kwamen reeds in deze jaren tal van uit: geweken Vlamingen en Brabanders zich te Rotterdam neerzetten; zij hielpen mede om een breederen grondslag te geven aan het bedrijfsleven, dat tot nu toe zoo goed als geheel door Hollandsche werkzaamheid gedragen werd.

Met de ontwikkeling van het bedrijfsleven ging samen die van het maatschappelijk leven, dat buitendien den weerslag ondervond van de verandering, welke in den politieken toestand der opstandige gewesten was ingetreden. De waardigheid van het stadsbestuur steeg, sedert Rotterdam als lid der Staten van Holland en West-Friesland in 1572 stem had gekregen in de leiding der hooge regeerings-aangelegenheden, en deze stijging bracht vanzelf mede eene vermeerdering van het verantwoordelijkheidsgevoel en van het daarmede samengaande besef van eigenwaarde bij de stadsbestuurders.

Het ingang vinden van nieuwe zeden is onder andere merkbaar in het toenemend gebruik van achternamen (geslachtsnamen) aan te nemen. Buiten den kring der rijkheid, der regeering, trof men in het toenmalige Rotterdam nog maar weinig geslachtsnamen aan; de gewone burger noemde zich, naar ouden trant, met de doopnaam en vadersnaam(*).

(*)Aan den aangenomen achternaam werd trouwens niet de beteekenis gehecht, die wij thans aan den geslachtsnaam toekennen: er zijn tal van gevallen aan te wijzen, dat zoons zich niet met den achternaam van hun vader noemden. Dergelijk niet-overnemen kwam in het bijzonder voor, wanneer kinderen bij den doop vernoemd waren naar den grootvader van moederszijde en deze voorvader een geacht man was geweest, wiens achternaam reeds een goeden klank had in Rotterdam: de benoemde kleinzoon nam dan niet den geslachtsnaam van zijn vader over, maar ging met den voornaam ook den achternaam van dien grootvader dragen. Eveneens geschiedde het wel, dat broeders bij aanneming van een naam ieder een andere geslachtsnaam kozen, zoodat ook door den dragers van verschillende achternamen toch tot eenzelfde familie (in patriarchalen zin) konden behooren.'

De gewoonte der naamsaanneming sloeg van de rijkheid op de andere bevolkingsgroepen over. In de keuze van den achternaam ging men veelal met eenigen zin te werk: men ontleende deezen aan de plaats van herkomst, aan een grondbezit, aan zijn beroep of een beroepswerktuig, aan zijn woonhuis, aan zijn schip; ook koos men wel den naam van eene elders woonachtige familie; dikwijls bleef het patronymicum als achternaam bestaan of wel behield men zijn alias, waartoe meest een lichamelijke of karaktereigenaardigheid de aanleiding was geweest. Even als zulks het geval was bij de keuze van een naam, placht men ook zin te leggen in het familiewapen, dat men voeren ging, hetwelk daardoor herhaaldelijk aanwijzingen verschaft over de herkomst of het bedrijf van den oorspronkelijke bezitter. Het verband, dat er bestond tusschen bevolking en bedrijf, leeren wij het best kennen uit de sociale geschiedenis van de eenigszins welgestelde geslachten, die te Rotterdam hebben geleefd en gewerkt. Deze genealogische gegevens wijzen vooreerst uit het veelvuldig voorkomen van een familiebedrijf of familieberoep. Regel was, dat van de zonen één of meer het beroep van hun vader gingen uitoefenen. Te eer was dit de oplossing der beroepskeuze, wanneer men een bloeiende zaak bezat en er dus alle reden bestond, zijn neering door het nageslacht te doen voortzetten. Hetzelfde verschijnsel valt ook herhaaldelijk waar te nemen bij de ambachten of nijverheidsberoepen, in welke een zekere vakkundigheid werd vereischt; hier werkte het gildewezen mede tot bestendiging van het familieberoep en tevens tot het op peil houden der vakbekwaamheid. Daarenboven vallen de tallooze gevallen op, dat zonen en dochters van bedrijfs- of vakgenooten met elkander in het huwelijk traden; op die wijze kreeg men niet slechts uitgebreide complexen van families, die zich groepeerden om één zelfde bedrijf of neering. De neiging om het familiebedrijf te bestendigen komt ook uit in de talrijke gevallen, waarin, bij gebreke van zonen, schoonzoon als opvolger in de zaak optrad: zoodoende gelukte het soms, geslachten lang een zaak te continueeren.

Eenzelfde onderscheiding als bij de bespreking der Rotterdamsche neeringen werd toegepast, toen wij twee groote groepen van bedrijven als landstadbedrijven en waterstadbedrijven aanduidden en daaraan een derde rubriek van neutrale bedrijven toevoegden, zou eveneens bruikbaar zijn bij de karakteriseering van tal van Rotterdamsche geslachten. Menig geslacht toch zou men, al naarmate zijn leden in een waterstad- of landstadbedrijf een bestaan vonden, kunnen bestempelen als "waterstad-" of "landstadgeslacht". In deze richting voortgaande, zou men, met nog engere preciesering, vele geslachten kunnen etiquetteeren met den naam van de grondstof of handelswaar, met welke de leden der familie plachten doende te zijn. Wij vinden bijvoorbeeld verschillende geslachten, welker werkzaamheid zich beweegt om voorwerpsnamen als: haring, bier, graan, wol, laken, hout, teer, leder, enz., en wier geschiedenis door één dezer zaken bepaald wordt. Met grote duidelijkheid blijkt dit in de vele gevallen, waarbij de grondstof ons de aanwijzing verschaft over de opkomst van een geslacht. De gang van zaken was dan meest deze, dat iemand die zich met visscherij, nijverheid of ambacht geneerde, daarmede ging combineren den handel in de grondstof of het artikel, dat men door zijn beroep goed had leeren kennen. Zoo werkten haringkuipers of stuurlieden ter haringvisscherij (die dus met het artikel haring vertrouwd waren geraakt) zich op tot haringkooper, zeilmakers begonnen handel te drijven in teer en pek, kuipers en timmerlieden gingen over tot den houthandel, bakkers richtten eene bierbrouwerij op of vingen aan in graan te handelen, lakenarbeiders trachtten over te gaan tot den lakenhandel, schoenmakers tot de leerlooierij of huidekooperij, herbergiers en wijnkoopers tot den wijnhandel, grofsmeden tot den ijzerhandel en zoo voorts.

De combinatie waterstad-landstad-nijverheidstad vinden wij terug in de samenstelling der stadsregeering. Onder de 32 vroedschappen, waarop in het jaar 1580 het vroedschapsgetal gebracht was, komen voor: 6 kooplieden (van wie twee voornamelijk haringhandel dreven) +4 poorters, die een waterstadbedrijf uitoefenden: touwslagerij, scheepsbouw, teerstoverij; vervolgens één geneesheer, die tevens een bierbrouwer en nettentaanderij bezat. De landstad is vertegenwoordigd door 4 bierbrouwers benevens 9 poorters, die hun bestaan vonden in een ander landstadbedrijf, namelijk als: bakker, olieslager, handelaar in landbouwproducten en agrariër. De overige 8 vroedschappen vormden de derde groep, die van de neutrale neeringdoenden; zij bestond uit: lakenkoopers, lakenverwers en drapeniers, en had dus alleen vertegenwoordigers voor de wolneering cum annexis.

Zie hier het bedrijf der mannen aan wie, bijgestaan door Oldenbarnevelt als stadspensionaris, in de moeilijke tijden van den opstand het bestier der stadhuishouding was toevertrouwd. Dat zij ook in dagen van bekommering den moed er in wisten te houden, kan ons blijken uit een resolutie, genomen in hunner vergadering van 4 September 1585, zéér kort dus na den val van Antwerpen; onze steedelijke regeering nam in deze zitting het autoritaire besluit, uit de vroedschap te zullen zetten en door een nieuw lid te vervangen dengene, die voortaan zoude voorstaan "metten Coninck van Spanjen ofte zijne adherenten in eenige handelingen ofte reconciliatie te treden".