Schouburg/Deel III/Naamrol 248-281

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
< Schouburg/Deel III/Naamrol 234-247 Schouburg/Deel III/Naamrol 248-281 Schouburg/Deel III/Naamrol 282-293 >


Plaat L p248 25-Mathys Wulfraat 26-Augustinus ter Westen.

248
af, en bevuilt het weer. De vrouw inmiddels inkomende, vraagde met verwonderen,
wat doeje?wat ik doe, antwoorde hy: het kind heeft my bescheeten, en ik beschyt
het weer, dus beschyten wy malkander. Dog dit was maar na geaapt. Adriaan
Brouwer heeft dergelyke vieze Pots 't eerst gespeelt.
Ik heb opgemerkt dat in dien tyd en vroeger het plegen van on voeglyke bedryven,
en inzonderheid 't overdadig wynzwelgen, onder de Konstschilders byster in zwang
ging, en gelyk als een mode ingekropen was: maar heb ook opgemerkt dat het
zedert allengs heeft afgenoomen, zoo datmen thans tot roem van de Konstenaren
zeggen kan: dat 'er nu byna geen onder de Konstschilders van naam getelt kan
werden die een dronkaart is. Zeker Dichter zeit:
De zorg der onderen maakt dat kinderen iet leeren,
Maar 't beurt niet zelden, dat hun driften elders keeren,
Dan tot het geen hun docht, dat nut, en dienstig was.
De neiging der natuur ontdoet zig haast, zoo ras
't Begryp de dingen in haar aart leert onderscheiden.
[Mathys Wulfraat]
Onder deeze was ook M A T H Y S W U L F R A A T , geboren te Aarnhem, op
Nieuwjaars nacht, tusschen 12 en 1 uur in 't jaar 1648. Zyn Vader herkomstig uit
Duitsland, geoeffent in talen, en Geneeskunde, wilde ook zyn zoon tot dier gelyke
oeffeningen hierom aankweken. Des bestelde hy hem in de Latynsche School. Hy
die meer genegenheid had tot de Teekenkonst (schoon hy nooit de wyze van
behandelinge daar van

t.o. 248

249
gezien had) behartigde het laatste, met verzuim of verwaarloozing van 't eerste,
waarom hy ook met de plak gedreigt, en ook gestraft werd. Dog dit holp niet, want
hy kogt stil voor zyn speelgeld Prenten, Teekeningen, en teekengereedschap om
aan zyn lust te voldoen.
Het driftvuur aangedrongen,
Door neyging van natuur,
Word, als het blakend vuur,
Bezwaarelyk bedwongen.
'T geen hem nog te meer zyn drift styfde, en het vuur dede op wakkeren was, dat
hy kennis kreeg aan Abraham Diepraam, (van wien wy gesprooken hebben) die zig
te Aarnhem een tyd lang onthield. Deze des Jongelings drift, en teekeningen ziende,
die zonder gronden van de Konst geleert te hebben, egter wel behandelt waren,
toonde hem zyne geneigtheid, door 't aanwyzen van sommige algemeene
Konstregelen. Van welken tyd af hy niet meer naar de Latynsche Schoole heen
wilde, zoo dat zyn vader hem, die reeds drie schoolen doorgeworstelt was, eyndelyk
(hoewel tegen zyn wil) moest zetten aan het leeren van de Konst en door voorspraak
van zyne vrienden bestellen by gemelden Abraham Diepraam, die een braaf meester
in de Konst was, en tot Aarnhem (daar nog wel de beste van zyne werken zyn)
grooten opgang maakte.
Door des zelfs onderwys kwam hy in korten tyd zoo veer dat hem niet meer noodig
was als zig voorts naar 't leven te oeffenen, waar by hy zig wel bevont.

250
Toen zette hy zig t' Amsterdam neer, waar ook veele van zyne penceelwerken onder
de konstlievenden verspreit zyn Behalven vele Historystukken en Gezelschappen
van Juffrouwen en Heeren heeft hy ook een meenigte van pourtretten in 't kleen
geschildert, daar hy zig eenige jaren herwaart toe overgegeven heeft: inzonderheid
in de jaren als hy zig te Frankfoort onthield, daar hy gelegenheid vont om vele
Persoonen van aanzien, zoo buitenlanders als inboorlingen, te schilderen, zoo
datmen hem onder de gelukkige Schilders tellen mag, en zoo veel te meer om dat
hy een vergenoegder aart als anderen bezit; en door het regt gebruik der rede
geleert heeft, alle rampen (gelyk 'er hem een niet zonder doots gevaar te Frankfoort
aantrof) met een getroost gemoet te dragen, als komende van de hand des Heeren,
wiens willekeur men zig zonder morren willig onderwerpen moet; om te konnen
zeggen met den zededichter Kamphuizen:
'T is wel goedheids Fontein, 't is wel al wat gy doet.
De yver tot de Konst, schoon zyne jaren hoog geklommen zyn, blyft hem egter by,
zoo dat hy zig nog dagelyks daar in oeffent, door welk doen hy ten spoor tot yver
aan zyn Dochter (die reeds een grooten sprong in de Konst gedaan heeft) verstrekt,
die wy op haar beurt, met verdienden roem bekranst, ten Toneel zullen brengen.
Zyn Beeltenis gevolgt naar 't geen hy zelf geschildert heeft, is te zien in de Plaat
L. 25.
Hoe de Konstdrift zig vint gespoort, wanneer zy anderen met wyde stappen ziet
voorgaan, is gebleeken in den konstigen Paarde- en Batalje Schilder

251
[Johan van Hugtenburgh]
JOHAN VAN HUGTENBURGH, geboren tot Haarlem in 't jaar 1646. Deze een
byzondere goede kennis van Jan Wyk, zyn stad- en buurgenoot, drie jaren en eenige
maanden ouder, dan hy, is door leyding van zyn Vader al vroeg in de Konst
gevordert: en hebbende geleegenheid van hem dagelyks te zien schilderen, werd
hy hier door zoodanig in zyne konstzucht opgewakkert, dat hy eerst de teekenpen,
naderhand het penceel aangreep, en zoo gelukkig in de Schilderkonst vorderde,
dat hy voornemens wierd een reis naar Italie te doen, 't geen hy ondernam omtrent
den jare 1667, te meer om dat hy daar een Broeder had Jakob van Hugtenburgh
genaamt, die een braaf Schilder was van Roomsche gezigten met beesjes; hebbende
by Nicolaas Berchem de Konst geleert. Dog dees stierf op zyn 30 jaar, maar te
Parys gekomen raakte hy gevallig by den Konstschilder vander Meulen, onder wien
hy zig voort oeffende, en naderhand op zig zelven schilderde, tot dat hy op 't laatst
van 't jaar 1670 weder in Holland kwam, daar hy sedert dien tyd een groot getal van
konststukken gemaakt heeft, die hem geroemt maken.
In den jare 1708, of 1709 raakte hy in dienst van Prins Eugenius.
In 't jaar 1711 werd hy met een Goude Medailje en keten van Fredrik Willem,
Keurvorst van de Palts, beschonken.
Dat de driften van 't gemoed, als ook de geneigtheid van 's menschen geest, wel
kan gedooft maar niet geheel overwonnen worden, is door veel waereldwyzen
bevestigt. 't Een en 't ander hebben wy den Lezer reeds door voorbeelden aan-

252
getoont. Thans dient ons voorwerp weder om het laatste gezegde te bestempelen.
[Jakob Moelaert]
J A K O B M O E L A E R T geboren te Dordrecht in 't jaar 1649, op den 15 van
Herfstmaand, werd, tot zyn jaren gekomen, zoodanig door een onverzettelyke
natuurdrift, tot het leeren van de Schilderkonst gedreven, dat zyn ouders genoodzaakt
wierden hem in dien yver te laaten voortgaan, gelyk zy dan gevolglyk hem bestelden
by den Konstschilder Nicolaas Maas, daar hy in weinig jaren zoodanig toenam dat
hy een goed pourtret konde maken. Maar door zeker geval werd hy daar van
afgescheurt en naar Amsterdam verzonden, om zyn ooms winkel op te passen;
daar hy vele jaren in dien slaafschen dienst zyn tyd sleet, tot dat hy kwam te trouwen,
waar door hy egter van den winkellast wel niet ontheft wierd (want hy dat beroep
bleef aan de hand houden) maar toen zyn buytentyd vry, en tot zyn wil had, om dien
aan de Konstoeffening en Konstbehandelinge te besteden. En het is te verwonderen,
hoe veer hy 't zelve nog in zyn gestoolen uuren gebragt heeft.
De Printkonst van alle berugte meesters op te gaderen was steets zyne
verlustiging. Hier door werd zyn oordeel van tyd tot tyd ryper; en door zoo veel brave
voorwerpen gespoort, sloeg hy meer als eenmaal de hand aan 't verbeelden van
voorname Historien, als daar Pharao met zyn volk in 't Roode meir verdrinkt, daar
Moses, door 't slaan met zyn staf op de rots, een waterbron uyt de zelve doet
ontspruiten om het byna van dorst versmacht Israël in de dorre woesteny te drenken
enz.
Thans woont hy te Dordrecht daar hy zyn meesten tyd doorbrengt in zyn
konstkabinet, alwaar yder konstboek hem strekt tot een lusthof, vol

253
van de beste, Italiaansche, Fransche, en Nederduitsche konstbloemen.
[Jan Luiken]
JAN LUIKEN, geboren den 16 April, in 't jaar 1649. heeft de schilderkonst geleerd
by Martinus Zaagmolen. Zyne Schilderyen ziet men zelden, want hy al vroeg het
schilderen (veel ligt om dat de zelve hem geen voordeels genoeg aanbragt) heeft
afgelaten, en zig tot het etsen van Platen voor de Boekverkoopers begeven, 't geen
hem wonder wel gelukte. Want hier door heeft hy een menigte van fraaije Boeken
groot cieraad bygezet, inzonderheid de Joodse en Mozaise Oudheden van Goeree,
en een onnoemelyk getal van andere Boeken. In den lentetyd zyns levens was hy
los en ongebonden; en dit melde ik om geene andere reden, als om tot verwondering
aan te toonen, hoe hy door de liefde tot deugt en godvrugt naderhand zyn aart en
levenswyze verandert heeft, ja zoo, dat hy tot een opmerkelyk voorbeeld van
mededeelzaamheid omtrent arme en behoeftige menschen strekte.
Wy konnen ook niet voorby gaan te zeggen, dat hy niet alleen 't penceel voor de
etsnaald, maar ook voor de pen verwisselde, en al een goed getal fraaije Boekjes
geschreven, met Konstplaatjes verciert, in druk heeft laten uitgaan, die den weg tot
de Deugt, Liefde tot God, Begeerte tot het zalige leven, als ook zulke, die de
zeedeplichten zoo in 't algemeen, als de kinderpligten omtrent hunne ouders, in 't
byzonder betreffen. Waarlyk proeven van een geheiligden geest, en verbetert leven,
waarom hy ook zyn Boekje, 't geen hy in zyn jeugt berymt had, genaamt DUITSE
LIER, vol van verliefde gedichten, en dartele minnezangen, alzins by de
Boekverkopers,

254
zelf tot hoogen prys ging opkoopen, om deze ydelheden uit de waereld te helpen
en te vernietigen. Dit is 'er een staal van:
Een straal uit Leonoraas oogen,
Nog bruiner dan de Diamant;
Stak door een heimelyk vermogen
Myn jeugdig hart in lichten brant.
Blaas uit, blaas uit, ô Leonore!
Blaas uit de vlam die my verteert;
Een vlam uit uw gezicht geboren,
Gezicht dat zon en maan braveert.
Dog hy werd schandig bedrogen; want dit Boekje was in stilte nagedrukt, en werden
hem, de afdruksels met 4, 6, 10 of 12 stuks door baatzugtige menschen aangebragt,
daar hy niet agterdenkende van werd, dan wanneer hy bevont dat hy 'er meer
ingezamelt had, dan hy 'er had laten drukken; wanneer hy ook den inkoop schorte,
wyl zyn goed voornemen hier door verydelt was; en het smartte hem, ziende dat de
eerlykheid zoo veer verbannen werd. Zoo dat Jeremias de Dekker reden vond, om
te zeggen:
Zoo schaarsheid de waardy der dingen ryzen doet,
Zoo is een eerlyk man een onwaardeerlyk goedt.
Maar hoe bedrieglyk de verbeelding is, inzonderheid in 't stuk van den Godsdienst,
zulks heeft de bevinding geleert, zelf omtrent mannen van een bekwaam oordeel
en begrip.
J . L u i k e n oeffende zig in zynen buitentyd in de Boeken van Jakob Bohme en
Antonette Bourignon, en hield byna met niemant, als

255
zulke, die aan der zelver dweeperyen vast waren, zamenspraak, en ommegang.
Verders ging hy des namiddag om een wandeling alleen, en was voorts stil by zig
zelf in huis, altyd met opgespannen gedagten, als opgetogen en mymerende, zoo
dat hy den genen, die hem over 't maken van eenig plaatwerk kwamen spreeken,
dikwils voorquam als een simpele knecht. Om kort te gaan, hy kwam door 't leezen
der gemelde boeken zoo ver dat hy zig ontsloeg van alle werk, en de Boekverkopers
Mortier, vander Sys, en andere, daar hy veel voor te doen had, 't zelve op zeide,
zyn goederen verkocht, een klein deel behield, en de rest aan den armen gaf, en
van Amsterdam, vertrok om stil door 't geloof met zyn oude Meid, die hem overleefde
en naderhand nog part in zyne nalatenschap gehad heeft, te gaan leven: maar
bevond in korten tyd dat zyn geloof niet sterk of kragtig genoeg, en zyne verbeelding
op een zandgrond gebouwt was. Overzulks werd hy door nood gedrongen weder
te keeren, en de Etsnaald weder op te vatten om zig door dat middel zyn nootdruft
te bezorgen. Ondertusschen nam hy maar van zyne winsten, zoo veel als dienstig
was, om zyn leven op de soberste wyze te onderhouden. Het overige gaf hy aan
den armen. Zoo dat wanneer hy kwam te sterven, zyn Zoons vrouw en Zoontje naar
den Grootvader genoemt hunne vingeren niet blaau telden aan hun erfgeld. Maar
wat zal ik zeggen? geld scheen hem ligt te gering. Men zegt dat hy zyn Zoons kind
een Boekje met opgeplakte printjes, onderschreven met zedespreuken en
godvrugtige leydingen, naliet.

256
Hy stierf in het zelve gevoelen als van Bohme voorheen gemeld, in den jare 1712
den 5 April in den Ouderdom van 63 jaren.
Vander Sys, die veel agting voor hem in zyn leven gehad hadde, liet hem gestorven
zynde afteekenen, met voornemen om des zelfs wezen (ter gedagtenisse voor de
nakomelingen) in koper te laten snyden gelyk ook geschied is; en ik ook in myn
Lofdigt, dat diende om de Printverbeelding te verzellen, daar aldus op zinspeel:
Dit is de Beeltenis vanL U I K E N , om 's mans groot
Vernuft en vindingen geteekent na zyn doodt.
Hy was een Waereldling, daar na heel ingetogen.
Van leven, en gedrag, een voorbeeld van medogen
En mededeelzaamheid, aan d'armen steets betoont,
Waarom zyn beeld verdient met eeuw'ge lof gekroont.
De Schouburgh vertoont zoo wel de loffelyke daden der vromen, als de hatelyke
bedryven der goddeloozen; beide op dat de waereld zig daar aan spiegelende,
t'effens zig een denkbeeld van het goede, en een afkeer van het kwade zoude
inprinten. Dit spoor hebben wy ook gevolgt; om dat het wit van 't zuiver blank
geweten, tegens het zwart van een gekrenkt gemoed te kragtiger zoude afsteken.
Te regt zegt zeker Schryver:
Zoo flikkert steets een Diamant in 't duister.
Zoo onderscheid m'een Wolfpest uit een Schaap.
Zoo praalt de Deugdt met ryker glans en luister.

257
[Romein de Hooge]
R O M E I N D E H O O G E , die somwyl nevens de etsnaald het penceel gevoert
heeft, hebben wy meê een plaats ingeruimt onder de Konstschilders, om op zyn
beurt meê op ons Toneel te verschynen; schoon zyn penceelhandeling zoo zeer
niet, als wel zyne geestige vindingen en ryke Ordinantien, te pryzen zyn.
Onder zyne voornaamste penceelwerken in olyverf word geteld de beschilderde
zaal der Borgermeesteren op het Raathuis te Enkhuizen: en onder veele andere
werken een groot zyvertrek op het lusthuis van den Heer Matheus vanden Broek,
op Dubbeldam, buiten Dordrecht, waar men tegens den grooten muur op doek
verbeelt ziet: hoe Claudius Civilis, Broeders van Julius Paulus, d'eerste Hollandse
edelen, de voornaamste Hoofden der stamhuizen, en Borger ter maaltyd onthaald
in 't Schaakerbosch, aan en onder die vrolykheid door een breed vertoog aantoont,
hoe zy in hunnen ouderdom, tegen het verdrag met de Romeinen aangegaan, door
hunne stedehouders en Hopmannen wierden gedrukt en mishandelt: hoe de tyd
geboren scheen (aangezien de Romeinsche benden hier te land zynde verzwakt,
en de overige veer van honk waren om dien toeleg te verhinderen) om zig van dit
lastige juk voor altyd te konnen ontslaan, en dus den eersten steen te leggen tot de
Hollandse vryheid, zoo zy hem trouw en bystand wilden zweren; welk laatste wel
inzonderheid daar in word vertoont. Gelyk het Kornelis Tacitus beschryft in 't 4 Boek
zyner Historien aanvang nemende met het jaar 17 na Christus geboorte. Vorder
zyn d' andre vakken van 't zelve vertrek gevult met vertooningen van diergelyken
aart.

258
Vorder konnen wy uit preuven zeggen: dat hy een man was uitsteekend in groot
vernuft en vindingen, en die ik niet weet dat zyns gelyk in vaardigheid van
ordeneeren, in rykheid van veranderingen in de Etskonst gehad heeft, waar van het
oneindig getal van Boektytels en andere Printen, getuygenis geven: maar hy was,
in opzigt van zyn gedrag en wyze van leven, een slechte knaap, en een tweede
Aretyn. Ja 't is om te bejammeren dat een man van zoo groot vernuft in zulk een
schrikkelyken dwaling steekt, dat hy het alderwaardigste niet agten wil of kennen,
maar in tegendeel daar den spot meê dryft, schoon hy wel bemerkt dat zyn
levensdraad begint in te krimpen, doende als Anakreon. Deze, (dus luid de vertaalde
Griekse text in de Mooyerianapag. 151) als hem gezeit werd: Neem den Spiegel,
en zie eens, hoe gy geen hairen hebt, en hoe kaal uw voorhoofd is, antwoorde: Ik
weet daar niet van, of ik hairen heb en ofze verdweenen zyn. Maar dit weet ik, dat
het een oud man past, hoe hy nader aan de doot is, hoe hy vermakelyker te boerten
heeft.
Zulke en diergelyke onzuivere paarlen (die den Lezer al meer zullen ontmoeten)
zetten de Schilderkroon weinig luister by. Maar wat zal ik zeggen? de aakelige
distelen hebben zig al vroeg in de lente van de waereld onder het goede kruid op
den akker verspreid, en den Bouwman verdrietelykheid aangedaan.
Hy vertrok van Amsterdam, dog het moest zoo wezen om zyn ergerlyk
levensgedrag, en om 't maken van stekelige Pasquillenen ontuchtige en schandelyke
printverbeeldingen, welke vuiligheid hy de losse jeugt voor schoon geld verkogt.
Ontmoeten u dan diergelyke verfoeilyke, levens-

259
wyzen, zoo moet gy weten, dat zy niet dienen tot voorbeelden om na te volgen:
maar om elk, en de Schilderjeugt in het byzonder, een afschrik en walging daar van
te doen hebben. Onze predikanten hebben dat zelve oogwit, wanneer zy de
ondeugden op hun predikstoel met een zwarte kool afschilderen; om de deugd daar
by te schooner te doen afsteken, en den deugdelyken en voorbeeldigen wandel te
meer beminnelyk te maken. Gun my de vryheid, Lezer, dat ik door een kleene
uytweidinge de Schilderjeugt waarschouw voor aanstootelyk gedrag en vuile
verbeeldingen, gevaarlyker klippen dan Scilla en Charibdis, daar de eerlykheid en
goede naam (de grootste roem van een man) schipbreuk op lyden kan: op dat zy
de zelve voorzigtig leere myden en door bespiegelingen van eindelyke gevolgen,
die daar uytspruiten, een afschrik kryge. Hier toe geeft my Florent le Comte
aanleiding, die sprekende van Annibal Carrats, en Julio Romano, zig aldus (in
Neerduits vertaalt) laat hooren:
Aan ANNIBAL CARRATS, om van dezen grooten man iets te zeggen, en een
volmaakt denkbeelt van zyn bekwaamheid te geeven, moet men weten dat de
Schilderkonst, zoo als zy thans is verbetert, by uytnementheid verschuldigt is; om
dat dezen verheven geest de herstelling der Konst, die in verval gekomen was,
moet toegeschreven worden, aangezien hy het regte natuurlyk Coloryt gevonden
heeft: en behoudende de kragt der verwen, de zelve heeft weten te vereenigen, en
door een zagte vleijentheid, de harde oudtytsche wyze van schilderen met de
zagtheid van de natuur te paren, tragtende altyd 't samen te voegen het denkbeeld
van een vol-

260
maakte schoonheid met het geen de natuur aan hem deed zien. Maar hy is al te
vry geweest in zyne verbeeldingen. Men beschuldigt niet minder de levendheid van
zyn geest, als het misbruiken van zyne kostelyke gaven, met voorwerpen te maken,
die de schaamte, en eerbaarheid niet toelaat te beschouwen, of zy moet het met
veragting aanzien, en den maker teffens met het maaksel verfoeyen.
MARC ANTOON van BOLOGNE heeft 20 printen in koper gebragt naar de
Teekeningen van Julio Romain, en Pieter Aretin maakte de byschriften in vaerzen
daar onder, alzo geil en onbeschoft als de verbeeldingen. Maar indien Julio Romano
zig niet tydig uit Rome voortgemaakt had, de gramschap van den Paus zou hem
voor zyn moeite betaalt hebben; want zoo haast Klement de VII. daar de lucht van
kreeg, liet hy alles in beslag nemen wat hy daar van konde magtig werden, en liet
Marc. Antoon in de gevangenis werpen, daar hy zyn leven verlooren zou hebben,
indien hy geen middel gevonden had waar door hy behendig ontvlugtte, neffens de
voorspraak van den Kardinaal de Medicis, en Baccio Bandinelle, die hem voor
meerder vervolging bevryden.
De toeleg van deze redenvoering loopt daar niet op uit, om den Konstoeffenaaren
in hunne wyze van verkiezingen paalen te zetten, maar inzonderheid om den
aankomelingen te raden, zoo zy al geneegenheid kreegen tot zaken en bedryven
die in losse dartelheid bestaan, dat zy dog geene onkuisse of geile handgreepen
ontdekken, veel min de schaamdeelen bloot verbeelden, maar de zelve wat
bewimpelen. Ten minsten behoort dat geen, waar van een eerbaar oog af keer
heeft, zoo klaar

261
niet verbeeld te worden, als La Fagie, Budart, O. de Lairesen anderen meer gedaan
hebben. Arnobius sprekende van het Teellit, dat op de Eleusinia, (ingestelt wegens
het omzwerven van Ceres, zoekende haar geschaakte Dochter) omgedraagen werd,
zeit: dat het zelve met zulk een naauwe toezigt gedekt bleef, dat weinigen het gezigt
daar af verworven. Lees ook van de zelve toegedekte geheimen, Horatius, 3. B. 2.
Lierd.
Voor een voorbeeld, om aan te toonen dat diergelyke verbeeldingen, of
vertoonselen, die een eerbaar gezigt kwetsen, wel wat bedekt konnen behandelt
worden, zonder nogtans de Beeltenissen hunne beteekenisse, of het kenbaare te
ontrooven, dient onze printverbeelding van den Tuingod Priapus in 't 2 deel onzer
Zinnebeelden Plaat 17, (hier nevens ingevoegt) afgebeelt in zulk een gedaante als
hy ons voorquam in de Roomsche Oudheeden met een lang riet, of lies op zyn
hoofd, om door der zelver gestadige beweging de vogelen af te schrikken, of weg
te dryven, op dat zy de vrugten niet beschaadigden. De ploojen van zyn kleed (waar
van de sleep van de zwaarte der vrugten neer weegt) geven duidelyk te kennen
genoeg, dat een styve schacht daar onder schuilt, waar by de Teelkragt word
aangeduid, gelyk door het snoeimes de Tuinoeffening. Daar zyn duizentderhande
voorwerpen, in welker bespiegelingen zig het menschelyk vernuft en Konstpenceel
oeffenen kan, zonder een eerbaar oog t' ontstigten, of een jeugdig hart aanritselingen
tot onbehoorlyke genegenheid te baren.
De gantsche natuur, en hare ontelbare verschynselen, die zy by beurtwisselingen
(ten bewys van haar wonderbaar vermogen) doet zien, zyn, tot de

262
minste toe, voorwerpen, daar zig 't penceel stom op arbeiden kan, zonder der zelver
volmaaktheid door een evengelyke vorm en koleur na te bootsen.
Wat doet zy niet op haar Saayzoenen telkens veranderingen in de bloemen, het
ciersel der Hoven, zien! waar op vele van onze Konstschilders en Schilderessen,
zoo oudtyds als nog, verlokt, hun vlyt hebben te werk gestelt, om der zelver
schoonheid, tederheid, en pragtige koleuren na te bootsen.
Kan het Gevogelte, dat met zyn snelle wieken door de dunne lucht snort, het
woud op zyn lieffelyk gezang doet schateren, en huppelende van tak tot tak elkander
vervolgt, uw Schilderlust niet bekoren? of konnen de weerlooze veltdieren,
Schaapjes, Geitjes, en Lammertjes, daar zy by dreven het bedoude morgengras
afweiden, of daar zy drinkende zig in de bron spiegelen, uw penceellust niet voldoen
tot nabootsinge?
Kan de Oceaan die door zeekasteelen bebouwt word; kunnen de veranderlyke
voorwerpen die de wisselbare zee, en de bulderende noorden wind daar aan geeven,
of de bevloerde binnewateren, daar met beeltwerk gecierde en vergulde
Speeljachten, en menigerhande ander kleen vaartuyg zig op doet zien, tusschen
de groene wallen, welke ten schutting strekken voor de landbuurten, u niet verlokken
tot nabootsen? nog ook de Wilde zwyne en hartejacht (de lust der grootste
waereldvorsten) nog de zwier dier toerusting, nog de hoflyke nasleep uw Schilderdrift
niet gaande maken?
Zyn dusdanige voorwerpen te gering om uw vlyt daar aan te besteden? Wel aan,
daar is stof genoeg. Verbeeld een veltknaap met zyn Buurmeit onder de

263
lommer van een dikgetroste Linde, of aan een ruissend beekje by het wollig vee; of
doe hem op zyn hardersfluit een minnedeuntje voor zyn liefhart kwelen: zoo vint het
penceel spelens, om van dat voorwerp tot de byvoegselen Osjes, Schaapjes, Geitjes,
kruiden op den voorgront, boomen, en groene dreven van een veer doorgezicht, te
weiden.
Is dit voor een hoogvliegend vernuft te laag? Sla de Roomsche geschichtboeken,
of den Bybel op; deze zullen u overvloedig keurstoffen verschaffen, om vernuft en
penceel te oeffenen.
Kan dit u meê niet bekoren, om dat het meeste van die, Treurstoffen, of ernstige
verbeeldingen op leveren? kan uw geest zig tot die naaugezetheid, of aan de letter
van een Historische beschryving niet bepalen?
Wy willen niemant in zyn genegenheid dwarsboomen: maar voor my, ik heb 'er
altyd meer voor geweest als voor het potsige; om dat ik daar in meer gelegenheid
vond tot het verbeelden van velerhande kragtige hartstogten: dog heb egter altyd
een afschrik gehad om menschenslachtingen af te beelden in dat punt des tyds als
de bloedstorting geschiet, wel als de voorbereidselen daar toe gereed aan de hand
waren, en de veege het keelmes op den strot, en de slachtbyl opgeheven ziet. Gelyk
ik dus verbeeld heb voor den Heer van Heemskerk, in 's Gravenhage, Orestes en
Pylades, hun toeleg door 't Orakel verklapt, hen van Thoas aangegrepen, als
Kerkroovers voor 't outaar gebragt; om voor 't oog van 't volk geslacht te worden,
maar door hunne wederzydse getrouwe liefde voor malkander gered. Want

264
De waare Orestes, om zyn Pylades verlegen,
Riep met een luide stem: De prins heeft u misleidt,
Ik ben Orestes, ik. Maar d'ander sprak hem tegen.
Wat zou de Koning doen in deze onzekerheid?
Maar ik heb altyd vermyd bloedstortingen te vertoonen, als zynde voorwerpen, daar
men straks een rilling in 't bloed van gewaar word, als men die ziet.
Ik heb de onthalzing van Holofernes door Judith van Rubbens en de onthoofden
romp van Goliat door David Spanjolet, als ook den wonder konstig geschilderden
Proteus door den zelven gezien: maar voor my, ik zag liever, als ik keur moest
nemen, een moedernaakte Eva zonder vygenblad, een konstig geschildert
Venusbeeld bloot staan, of een zachtslapent Veltnimfje, daar een snoeplustige
Boxvoet op loert, om het te betrappen, zoo het niet bewaakt wierd, gelyk in de print
hier tegens over verbeeld staat. Men dekke met de Gordynen zulke schrikkige
vertoonselen, waarom ook dusdanige Tooneelspeelen thans van den Schouburg
afgeweert worden.
Dus mag Medea voor het volk haar kroost niet dooden,
Nog Atreus, om op 't vlees der kinderen te nooden,
Hunn' eigen vader, die den hals afsnyen, braân,
En kooken voor het oog.
Maar gy zult ligt meer zugt hebben tot vrolyke wezens, dan gekreukte voorhoofden
te verbeelden. Zeker daar zyn luststreelende en vreugdige voorwerpen genoeg aan
de hand, om het penceel te oeffenen, 't zy dat gy veltnimfen verbeeld ten reye
gaande naar Ceres pronkbeeld, of daar zy

265
met de Boxvoeten hand aan hand, om het zelve een rondendans maken, of een
Bachus feest. De Konstoeffenaar knikt my toe. 'T schynt dat ik 't eyndelik geraden
heb.
Daar zyn menschen(zeit Gratiaan) die ik weet niet met wat een ongemeene
beleeftheid begaaft zyn, die hen by elk aangenaam maakt, en wel doet ontfangen.
'T eerste en aangenaamste deel van deze loffelyke gaven bestaat in de algemeene
kennis van alles wat 'er in de waereld geschied is, een opmerking van al de loffelyke
bedryven der vorsten, de ongemeene voorvallen der wonderheden van de natuur,
en de buitenspoorigheden der Fortuin, en past die toe op den rechten tyd. Door het
middel van deze kundigheid, en zedelyke ontleding kan hy gezont van zaken
oordeelen, en d' agting met de voetmaat meten van de waarheid. Voor al maakt hy
een naaukeurige verzameling van alle goede spreuken, van alle de geestigheden,
zoo deftige als kortswylige puntdichten, en spreuken der wyzen; aangenamen
voorraad om bevallig by de waereld te wezen.
[Jan van Nikkelen]
Deze gaven bezat de konstige Chassenette- en Landschapschilder JAN VAN
NIKKELEN geboren tot Haarlem, die zig daar van als uit den uitslag gebleken is,
wonder wel heeft weten te bedienen.
Zyn Vader die een fraay Kerkschilder was op de wyze van van Vliet, en die hem
naderhand de Bouw- en Doorzigtkunde en behandelinge van het penceel leerde,
bragt hem eerst tot de Franse en Latynsche scholen, om in de taalkunde onderwezen
te worden, daar hy door zyn vernuft en kloek onthoud gelukkig in vorderde. Voorts

266
lees -en weetlustig oeffende hy zig in de Historien, Reisbeschryvingen,
Natuurweetkunde, in den Bybel en gronden van den Godsdienst, verkeerende
dagelyks in de oeffeningplaatsen, en met zulke menschen die men onder de
Mennoniten of Socynsgezinden Disputanten noemt, waar door zyn verstand meer
en meer gescherpt werd.
Hy onvermoeit in 't naspeuren van velerhande wetenschappen ontdekte dan 't
een en dan 't ander. Ook vond hy een weergalooze harde Fernis uit, daar hy
Kabinetten, Gerridons enz. zoo goet als de Indianen, meê verlakte. Naderhand vond
hy tot de Fabriek of Weevery iet ongemeens uit, zoekende konfraterschap met
menschen die veel geld bezaten, en Octrooy of voorrecht by de Heeren Staten.
Maar daar kwam niet van. Des begaf hy zig tot het schilderen van Landschappen,
Bloemen en andere cieraden op dunne zyde, dienende tot Chassenetten voor de
glazen, als ook Lakwerk enz. Hy was, wanneer hy een glas met wyn meer dan naar
gewoonte gedronken had, vol van allerhande potseryen en grappen, en wist wonder
wel den rol van een kwaker te spelen: verstont zig ook op een knipvaersje voor de
vuist (als het spreekwoord zeit) te maken.
Hy wist zig hier te Amsterdam zynde door zyn fluweele tong zoodanig in de gonst
van den Konstschilder vander Meyn in te dringen, dat de zelve ontboden zynde van
den Keurvorst van de Palts, hem op fortuin meê nam, daar hy straks den Heer
Douve Hofschilder en Konstbewaarder van den Vorst tot zyn vrient kreeg, gelyk hy
zig van den zelven ook by tyds zoo wel wist te bedienen, dat hy hem naderhand
niet meer noodig had. Hy wist de eerstemaal dat hy gemelden Douve sprak,

267
zyn belangens zoo wel voor te doen, dat die hem straks eenige Chassenetten buite
kennis van den Vorst liet maken, en dezelve zette op een plaats, daar de Vorst voor
by passeeren moest, om hem dus met die cieraden te verrassen, daar de Keurvorst
bevallen in nam, welke voort orde gaf om eenige van zyne Landhuizen met hunne
groene dreven, Tuinen, Fonteinen enz. naar 't leven af te teekenen en dus te
schilderen, daar hy dan tot meerder vercieringen eenige Jachteryen in te pas bragt,
of een Harder en Harderin,
by 't ruissen van een bron,
En zilv're stroomen, daar voor 't steken van de Zon,
Het boomgaardryke dal verstrekt een koele lommer.
'T gebeurde dat de Vorst hem een stukje van den Konstschilder Adr. vander Werf
liet zien, om zyn oordeel daar over te geven, en t'effens een pourtret van Douve.
Het eerste prees hy naar zyn waarde, dog met beklag dat aan vander Werf nadeel
gedaan werd, met het pourtret van Douve daar by te stellen, dat zoo kragtig en
natuurlyk geschildert was. Dus sloeg hy een dubbelden slag, daar de laatste geen
ondienst meê geschiede. Zeker hy stond door zyn fyn geslepen tong, ruim zoo breed
aan 't Hof, als vander Meyn door zyne brave penceelkonst.
Na de dood van dezen Keurvorst, quam hy aan 't Hof van Hessenkassel.
[Augustinus Terwesten]
Wy zagen de voorgaande eeuw sluiten, door het ontsteken van het groote konstlicht
Antoni van Dyk. Deze halve eeuw van zestien hondert loopt meê niet ten eynde, of
de Konstgodes ontsteekt een ligtende konstfakkel, om de tweede helft van de 16de
eeuw, door den glans der zelve te bestralen, en

268
voor te lichten in AUGUSTINUS TERWESTEN, geboren den 4 van Bloeimaand
1649, in 's Gravenhage. Zyn lentejaren bragt hy door eerst met teekenen naar printen
en pleister, naderhand met bootseeren in was, dat hem aanleyding gaf tot de
Dryfkonst, waar van hy verscheiden stalen zoo in goud als zilver, met veel roem
bewerkt heeft. Hy met dezen lof niet vernoegt, wyl zyn geest op grooter
ondernemingen doelde, ontdekte zyn voorneemen (nu ontrent twintig jaar geworden)
aan zyn Ouders in dezer voegen: dat hy vast had voorgenomen, of te trouwen, of
hun ter keur te stellen, wat zy liefst wilden dat hy doen zoude. Zyn Ouders die van
twee het beste keurden, stonden hem toe de Schilderkonst te laten leeren. Gelyk
zy hem ook bestelden by den berugten Konstschilder Wielin. Dog deze tot Hofschilder
beroepen van Fred. Willem Keurvorst van Brandenburg, genoot hy maar twee jaren
zyn onderwys in de Konst, waar na hy zig begaf, om de menging der verwen en
penceelhandel voort te leeren by Willem Doudyns, voor den tyd van twee jaren, in
welke jaren hy zoo veer in de Konst gevordert was, dat hy, om tot meerder
volmaaktheid in de Konst te geraken, besloot een reis door Duitsland naar Italie te
doen, daar hy drie agtereenvolgende jaren bleef, zig naarstig oeffenende naar de
beste voorbeelden, daar men om naar Rome gaat; als de berugte marmere Antiken,
en penceelkonst van Rafael, waar van hy uitvoerige afteekeningen maakte, om
naderhand zig daar van te bedienen.
Na dat hy zig dan nog eenige maanden te Venetien had laten ophouden, nam hy
zyn te rug reys door Vrankryk, en over Engeland naar zyn

269
geboorteplaats, hebbende in 't geheel zes jaren met die reys door gebragt, wanneer
hy t' huis kwam in 't jaar 1678.
Verscheiden groote Konstwerken, zoo zalen als zolderstukken, heeft hy zoo op
zyn reys, als naderhand, gemaakt; nevens andere Konststukken, daar men een
gansche lyst (aangezien hy wonder vaardig met het penceel wist om te gaan) van
zoude konnen opstellen.
My gedenkt nog, dat als hy te Dordrecht de zaal van den Heere Baarthout van
Slingeland, naderhand Borgermeester en Opperschout, in 't rond met Historien uit
Ovidius beschilderde, ik, verzeld met den Konstschilder Arent de Gelder, en den
braven Beeldsnyder Henrik Noteman, hem daar ging bezoeken, met voornemen
van hem tot een wandeling uit te lokken. Maar hy sloeg 't beleeft af, onder
voorwending dat hy nog iets te doen had, 't geen noodzakelyk moest gedaan wezen,
met verzoek of wy zoo goet wilden weezen van na 't verloop van een uur of twee
weder te komen. Wy deden 't en vonden toen tot verwondering een schoorsteenstuk
met drie of vier beelden, 't geen, als wy 'er de eerste maal kwamen, alleen met kryt
afgeschetst was, in 't geheel met zyn koleuren aangeleit.
Hy is een der voornaamste yveraars geweest, die de Haagsche Academie, of
hooge school der Konstoeffeningen, in verval geraakt, in den jare 1682 en 83, weder
hielpen opbouwen, en aankweken, als een zaak van groote nutbaarheid voor de
Konstoeffenaren en min bedrevenen, of aankomelingen: waarom hy ook naderhand,
een Hoogeschool op 's Vorsten Beurs deed opregten, die al veel gelyk-

270
heid had naar die van Parys, waar van wy straks nog iets meer zeggen zullen.
In 't jaar 1690 werd hy van den Keurvorst van Brandenburg (naderhand Koning
van Pruissen) tot zyn Hosschilder te Berlyn beroepen. 'T eerste voornaam werk dat
hy daar maakte, was op Oranjenborg in de beroemde Porçeleinzaal, gelyk hy ook
naderhand in de meeste Vorstelyke huizen zoo binnen als buiten Berlyn, zyne
uitstekende penceelkonst, in Gaanderyen, Oranjeryen, en op beschoten Zolderingen
van ruime zalen heeft doen zien, tot groot genoegen van den Vorst, en den grooten
Konstbeminnaar den Heere Dankelman voorzitter in den Vorstelyken Hofraad.
Wanneer hy nu zag dat hy des Vorsten Konstliefdigheid door zyn loffelyke Konst
deed opwakkeren, nam hy dien slag waar (als men zeit) en stelde den Vorst het
oprechten van een Academie op die wyze, als men in Vrankryk heeft, zoo smakelyk
voor, dat 'er straks toezegging op kwam, en t'effens de bouw, en het bestier aan
Terwesten opgedragen, die ten eersten zyn werk daar van maakte, en voorts alles
bezorgde 't geen daar toe dienstig was. Hier in kwam hem zyn Broeder Elias, anders
de Paradysvogel, die twee jaren jonger was, een braaf bloem-, fruit-, en
beesteschilder, en die te Rome woonde, wel te pas. Deze bezorgde hem de
keurlykste afgietsels van de beste Antiken. Als ook het gansche beroemde
Beeldhouwery-konstkabinet van Peter Belori, het geen zonder merkelyke schade
in kisten over kwam.
Ondertusschen werden 6 vertrekken tot de Academie aangeleid, en tot elks
onderscheiden gebruik vervaardigt, en tot ieder Kamer een Opzichter of onderwyzer
aangestelt.

271
De eerste kamer diende om de jeucht in de beginselen der Teekenkonst te
onderwyzen.
De tweede om naar pleister te teekenen.
De derde tot vergaderplaats voor de Regenten.
De vierde om de jeucht, in de Deurzigtkunde, Meetkunde, Bouwkunde, en
Vestingbouwkunde te onderwyzen.
De vyfde om in de Anatomie of Menskunde, als ook in 't plooyen der kleederen
onderwezen te worden.
De zesde of hoogste school was een groote ovale zaal, in 't rond bezet met
gemelde Beelden, die dus gestelt waren, dat elk op zyn voetstuk gedraait, of zonder
veel moeite kon verplaatst worden. Dit nu alles in zulk een geregelde orde geschikt
en 1697 voltooit zynde, verzogt onze Patrysvogel, (dus was hy in de Bent gedoopt)
den Vorst en 't Hofgezin, dit werk te bezigtigen, die daar in groot genoegen namen,
en de Heer Everard Dankelman eerste President werd aangesteld tot Directeur der
Academie.
Drie malen heeft hy eerste Professor van deze Academie geweest, wanneer hy
kwam te sterven in den jare 1711, op den 21 van Loumaand; totgroot verlies der
opkomende Konststarren van dat vorstendom. Zyn Beeltenis kan men zien in de
Plaat L. 26.
Met deezen sluiten wy het Toneelgordyn, voornemens om den Lezer, door een
zedig vertoog, de nutbaarheid der Schilderkonst, als in een spiegel, te doen
aanschouwen.
De maker van 't heel Al heeft de Natuur een vermogen ingeplant, om menigvuldige
ontelbare, in vorm en koleur verschelende Schepsels voort te brengen, en elk der
zelve op hun tyd te doen

272
verschynen voor d'oogen der menschen; om dat zy zig in die menigerhande
aangename verschynselen zouden verlustigen, uit het veroorzaakte, de oorzaak
der dingen na sporen, en de verwonderlyke wysheid van den Schepper in de
schepselen verheerlyken.
En op dat de verwondering, die, na dat men de dingen kent, ophoud, niet om dat
zy dan min van waarde zyn, maar om dat de nieusgierigheid staag naar verandering
zoekt, niet zoude ophouden, heeft de Natuur de voortbrenging der zelve tot
onderscheiden tydstanden bepaalt, en in zoo menige veranderingen verdeelt dat
de verwondering altyd blyft; aangezien zy alle die schoone vertoonselen niet teffens,
maar by beurtwisseling na den anderen doet verschynen.
Wanneer ik nu de Schilderkonst aanmerk als naaapster van de natuur, leid my
die aanmerking straks op den weg om de verschillige geneigtheden der
Konstoeffenaaren, omtrent de veranderlyke keur, en verkiezing hunner voorwerpen,
na te sporen, welke zekerlyk door een verborgen werking (waar van de wyze en
ons bekend is) daar toe worde bestiert.
Dit begrip zal min vremt geschat worden, wanneer men uit klare bestempelingen
ziet, dat des waerelds Bouwheer (op dat de cieraden van zyn Heyligen Tabernakel
konstig met lofwerk zouden geborduurd worden, als ook het Hoogepriesterlyk
gewaad, en kruiken, voorts alle toerustingen tot den Godsdienst behoorende konstig
gewrogt zouden worden) Bezaleel en Ahaliab op een boven gewone wyze met den
Konstgeest overstort heeft, en bekwaam gemaakt tot allerhande Konstwerken, gelyk
Moses dit aangeteekent heeft in het

273
Boek des Uittochts, in het XXX Hoofdstuk. Op zulke wyze gelooven wy ook dat de
Propheet Ezechiel de teekenkonst geleert heeft, waar door hy, op een Tichelsteen,
een grontbewerp van de Stad Jeruzalem, en de beschansingen der vyanden, met
hun Stormgereetschappen, afschetste. Zie Kap. 4.
En gelyk de Natuur tracht naar de volmaaktheid die de Schoonheid maakt, zoo
hebben ook menigte Konstoeffenaars van ouds af, en nog getragt de Natuur in hare
verbeeldingen zoo na te komen als hun immers door 't penceel doenlyk was, waar
door het des te meerder verwonderinge baart voor den aanschouwer. Ja men zou
ook mogen denken, dat de zugt tot het verbeelden van verschillige voorwerpen,
inzonderheid zulke welke kort van duur zyn, ook door een verborgen werking bestiert
word; op dat door de Konst de dingen, wanneer de Natuur zig inhout, zouden konnen
gezien worde, en dus den opmerkenden door zulke beschouwingen nooit voorwerpen
ontbreken, om den Schepper in die wonderlyke veranderingen der schepselen als
in een spiegel te beschouwen.
Onder alle Schepselen der Waereld munt des menschen Beeld, inzonderheid dat
van de Vrouwe, uyt, in welker maatschikkelyke omtrek van ledematen een volmaakte
schoonheid opgesloten leit. Deze in vele voorwerpen verdeelt, en door stadig yveren
van vernuftelingen, in een enkel voorwerp samen gebragt, doet ons verwondert
staan, en t'effens besluiten: dat het eerste geschapen vrouwenbeeld, wanneer het
versch uit de hand des Scheppers hervoort kwam, volmaakt schoon zal geweest
hebben, van welke

274
bedenking de groote Joost van den Vondel meê niet vreemt was, als hy de schoone
stal van Eva, door Apollion, ( in zyn Tooneelspel van Lucifer) zoo aanminnig
afschildert, dat de Hemelboo zelf, op dat schoone beeld verslingert, Adam dit geluk
misgunt. Hoe de Dichter aan dit begrip komt dat hy Engelen, enkel geestelyke
wezens, menschelyke neigingen, hartstogten, en lichamelyke hoedanigheden en
bedryven toevoegt, daar de schrift van zwygt, dat laat ik daar. En schoon hier omtrent
een misvatting is, nogtans word volgens den zwier der Dichteren, door het bycieraad
het voorname, te weten Eva, te kragtiger, en met meerder luister vertoont. Ten
minsten js het zo eigen aan de Historie als dat een Tempelier voor alle toehoorders
zeit: Ende Adam ontwaakt uit den slaap, ziende Eva, dagt by zig zelven, dit is recht
een kolfje naar myn hand.
De mindere Schepsels die in ontelbare getallen zig op het Waereldrond, in de
lucht en de Wateren vertoonen, hebben meê hunne meer en minder schoonheid,
in Stal en Koleur: en de Konstenaars, die de zelve natuurlykst en welstandigst
hebben weten te verbeelden, hebben den grootsten roem behaalt, als in 't verbeelden
der Wilde Dieren R. Savry en Jan Hendrik Roos.
In Jachtdieren P. Snyers, en Ab. Hondius,
In 't verbeelden van Slachtdieren N. Berchem, P. Potter Adriaan vanden
Velde, Jacob en Sim. vander Does.
In Paarden Phil. Wouwerman, H. Verschuring.
In Vogelen Melchior de Hondekoeter, en Adriaan van Emont.
In Vissen, Izaak van Duinen.

275
Welke alle en elk in 't byzonder natuurlyk en Konstig verbeeld, het oog des
aanschouwers niet alleen verlustigen, maar de zelve ook verwondert doen staan
over de menigvuldige veranderinge der Schepselen, en hunne verwonderbare
verschillige samenstellinge hunner ledematen. Zelf deze aarde is op verscheiden
plaatsen van verschillige gestalte en vorm.
Daar is zy met een wyde uitgestrekte vlakte, die de Lantman met het kouter
doorploegt op hoop van een ryken graanoegst: gins met diepe valeyen, daar de
Echo met dubbele klanken het geluit nabaaut. Elders ziet men steile bergen die met
hun kruinen tot de starren schynen op te groejen, beplant met boomen van allerlei
stal, en gedaante van loof. De Eyken die eeuwen verduuren, Linden die met hunne
digt getroste kruinen, ten schuil strekken voor Veldeling en zyn blaetend Vee om
onder te schuilen voor 't brandende kreeftvuur, trotse Ceders die oudtyds Libanon
cierden; Cypressen en dergelyke meer hebben hunne nabootsers by menigten
onder de Konstoeffenaars zoo hier als elders van tyd tot tyd gevonden. En geen
wonder. Israëls Harpenaar heeft de voorzorg van den Almachtigen daar in
bespiegelende, waardig gedagt daar aan te gedenken in zyn 104 Tempelgezang,
gevolgt van H. Dullaart aldus:
Zie ik de hooge Bergen aan,
Gy drenkt haar lommerryke toppen,
Waar om de Wolken weem'len gaan,
Met verschen douw of regendroppen.
Des morgens als de starrenroem,
Zoo schoon uit 't oosten aan komt brallen,

276
Dan laat gy in een yder bloem
Gesmolten diamantjes vallen.
Dus is 't ook met de stille Wateren, en woeste Zee, zelf daar zy in haar meeste
woede en oploopentheid, de rotsen en zantduinen met stoot op stoot rammeit, en
den Landman voor een geweldige overstrooming doet beven. Waarlyk die in alzulke
verbeeldingen zyn opmerkingen wat veerder doet weiden als op de bloote Konst
van het geschilderde tafereel, en zig in bespiegelingen met den naaukeurigen
Oordeelaar van Balthazar Gratiaan, Spaans Jesuit, nederzet op een rots, van waar
hy beschout de gevankenis, waar in de Zee word besloten, en hoe dit verschrikkelyke
monster zoo gerustelyk omringt word van zoo zwakke palen, en wederhouden door
zoo zagten toom als het zant, en het Aartryk geen andere muuren heeft dan de
stranden tegen dien woelenden vyant, ziet hy de Goddelyke voorzorg daar in
uitblinken, en besluit: Is deze uitwerkinge of dit veroorzaakte zoo wonderbaar, hoe
verwonderlyk moet derzelver oorzaak in zig zelve wezen?
Inzonderheid wanneermen met onzen puikdichter in 't zelve koorliet, de zelve
beschout met te rugdenking op haar grondbeginzel, aldus:
De waat'ren als een mollig kleed,
Die op haar rand verspreit vast ruisten,
Met losse golven wyd en breed
Rontom de hooge bergen bruisten.
Gy spraakt maar slegs een enkel woord,
De Zee die deisde in haare stranden,
Zoo ras uw adem was gehoort.

277
De gemeene menschen(zeit Ant. de Guevara) aanschouwen de dingen alleen om
hunne oogen te verlustigen; maar de wyze doorzien dezelve, om de verborgenheid
daar af te weten.
Wend men het oog van het nare Zeestrant tot de grazige Beemden, groene
Waranden, en Lusthoven welker grond als met een bloemtapyt overspreit is, dat
aan alle kanten een oegst van geurige bloemen vertoont, alle onderscheidentlyk en
konstig door de natuur met allerhande koleuren beschildert, ieder voorwerp is een
verwonderenswaardige zaak. Ik was byna verdwaalt(zeit Andrenius, in den
Oordeelaar van Gratiaan) in dezen aangenamen Doolhof der verwonderlykheden.
Aan alle kanten plukte ik bloempjes, getrokken door haar aangenamen geur en
glans. Ik plukte een voor een, en maakte een naauwkeurige ontleding van hare
zamenstelling.
Zeker die zulke veld- en tuincierselen te gering achte om door het konstpenceel
verbeeld te worden, zou zig tegens het begryp van Koning David kanten, die op zyn
zilvere harpsnaren Godt de voorzorg daar over toeschryft, aldus:
Gy laat de Bronnen langs een padt,
Zeer heim'lyk door de bergen vlieten,
Om zoo den schoon' maar vluggen schat
Der Bloemryke akkers te begieten.
Tot het verbeelden van deze aangename voorwerpen heeft de Konstgodes al van
ouds af hare scholieren gevleit, op dat een aandagtige beschouwer, behalven de
Konst van 't nabootsen dier schoonheden, t'effens zig ook verwonderen zoude over
het onbegrypelyk vernuft van haren maker.

278
De voornaamste nabootsers van deze cierlyke verschynselen, die, wanneer de
Lusthoven met ys en sneeuw bedekt zyn, dezelve door de penceelkonst in den
zelven luister en schoonheid herschept, in de Konstkabinetten doen zien, zyn oudtyds
Jan Breugel, Dan. Segers, naderhand Ev. van Aalst, vander Elst, Jan en Korn. de
Heem, en andere hunne tydgenooten geweest. Thans (behalven Juff. Ruisch, anders
Pool, waar aan wy voorheen gedagt hebben) munt uit de Konstschilder Jan van
Huisum.
Ik ben tot geen keurmeester gestelt, maar neem egter de vryheid om te zeggen:
dat de twee laatste de eerst gemelde in Konst zoo veer overtreffen als het daglicht
in helderheid de maneschyn. Verder moet ik niet gaan, 'k vermag 't ook niet te doen,
uit hoofde van het eng bestek 't geen ik my zelf in opzigt van de nog levende
Konstenaars en Konstenaressen heb voor gestelt, te weten hun brave Konst alleen
de Waereld voor te dragen, zonder daar van te oordeelen, of eenige vergelyking
van des eenen met des anderen Konst te maken. Indien ik zulks had ondernomen,
'k had wis den haat en tegenspraak niet konnen ontgaan; daar ik nu in tegendeel
zulke menschen die genoegen in hun eigen doen scheppen in die verheuging niet
stoor, maar ieder in zyn yver, en naar mate van zyn penceels vermogen prys, waarom
ik ook allen die my voorgekomen zyn, zonder eenig onderscheid daar in te maken,
op hun tyd heb geboekt, en in mynen Schouburgh der Konstschilders en
Schilderessen plaats vergunt, tegens het begryp der Thebaners. Want binnen
Theben werd op de Schilders zoo

279
naauw agt genomen, dat'er geene mogten binnen de muuren banken, dan die
uitsteekende geesten waren, en een roemruchtigen naam hadden: ja die gene,
welke eenige botte of onverstandige Tafereelen maakten, vervielen in een zware
boete, of moesten de stad ruimen: want de overheid wilde niet gedogen dat de eene
Ezel voor den anderen zou zitten te kladden, en een edelgeagte Konst niet vuil
besmeerde doeken in 't voetzant helpen.
Zeker eene al te strenge wet, en die in een land waar yder vry is geen grond vint.
Vry, in opzigt dat yder doen mag met het geen zyn eigen is wat hy wil, zoo het niet
tot schade van anderen strekt: gelyk het dus gelegen is met zulken die uit
genegenheid tot de Konst het penceel voeren, schoon zy altyd als het veil in de
laagte kruipen; om dat zy een goede leiding missen om hen op te beuren: of in het
warnet van hunne verbeelding blyven hangen. Schoon men zulk yveren voor
vrugteloos uitkreet, wat kan 't helpen, of wat regt heeft men daar toe? daar 't hun
eigen doeken zyn die zy bekladden. Daar en boven kan 't gebeuren dat de minst
bedreven in Konst het zelve genoegen in zyn doen vind als de meest bedreven, en
zyne verdiensten met de elle van blinde eigenliefde breed uit meet. Nu kan ligt
afgenomen worden hoe breed hy daar by staan zou, die zig ondernam als
Keurmeester te oordeelen wie in de Konst boven streefde, en hem d eerkroon op
't hooft plantte. Zeker ik hou myn handen t'huis, en laat Flora met de veltnimfen over
de bloemkrans twisten. Volg dit rym, lezer, en gy zult met my het besluit aan 't end
goed keuren.

280
Juist als de lieve Lente een schoone veltlievrei
Had aangetoogen, om de aanlokkelyke Mei
In Floraas bloemprieel vol vreugts te wellekomen,
Daar 't westewindje speelde al zagtjes door de boomen,
Verscheen 'er in het wout een herderinnestoet
Die dartelende in 't groen, verheugt en wel te moed
Festoenen vlochten om het veltaltaar te cieren
Der Bloemgodes, wier feest ze al dansend wilden vieren.
De nimfjes springen, zaam verblyt, door 't jeugdig kruit
Op 't juichend feestmuzyk van rinkelbom en fluit,
Tot dat zy wat vermoeit in schaduwe der Linden,
Zig nedervlyn om een luttel rusts te vinden,
Alwaar ze een bloemekroon ontdekken in het gras,
Als of die * door Glicere oudtyds gevlochten was.
Zoo geestig wist de kunst de bloemen te schakeeren;
Vrouw Venus mogt ze aan haar' Adonis vry vereeren.
Elk vat dit bloemkleinood met zuivre vingren aan.
De Bloemgodes bleef zelf als opgetogen staan,
Koomt, roept een nimfje, laat ons dit den Tuingod schenken,
Een ander: laat ons hier de hofjeugt meê bedenken,
Die is het waardig; maar vrouw Flora keurt dit af.
Aan wie men dit juweel als heilig overgaf,
Het geven aan Priaap zoude ik geensins gehengen:
Zoo zegt ze, de offervlam zou 't frisch gebloemte zengen.
En schenke ik 't aan de jeugt, 'k vrees haar onagtsaamheid.

  • Glicere, Huisvrouw, of beminde van Pausanias.


281
Zy zou 't mishande'len, 't geen dan vruchtloos wierd beschreit.
Het veiligst is dat wy 't den schildergeesten wyden.
Die, die vereeuwigen myn schoonheid t' allen tyden.
Wat godheid is 'er die my meerder gunst bewyst?
Schoon al wat adem heeft myn' schoonheid viert en pryst.
Zelfs als de wintervorst het Aertryk houd bevroozen,
Zie ik gebloemte en kruid nog even jeugdig bloozen
Op 't dierbaar kunstpaneel, dat elk die 't ziet verbaast,
Zoo leevendig dat zelfs het bietje daar op aast.
Dies wilt u naar myn keur, en billik oordeel voegen.
Ik schenkze aan d'eed'le Konst, maar om alle ongenoegen,
Te myden, wie ze zal verkrygen, laat zulks aan
Die zig den waartsten schat in Konst van schild'ren, staan.
Wie dan natuur best weet in haar gedaante en zwieren
Te volgen, mag zyn kruin met dezen krans vercieren.
Het Jaar 1650. vrugtbaarder in 't voortbrengen van Konstenaren als wel andere
jaren, zal ons Toneel stoffe opdissen voor alle smaken, door de veranderingen der
toebereidselen, welke een zelven kost op nieuw smakelyk maakt. Dus daar wy
voorheen twee, drie, Konstschilders, min of meer op hun geboortejaar doen
verschynen, willen wy nu eens van wyze veranderen, en hen verzelt met een goed
getal hunner tydgenooten, welker geboorte wy niet hebben konnen naspooren, te
gelyk ten Toneel voeren, en in verscheiden bedryven doen uitkomen.