Theo van Doesburg/Moderne wendingen in het kunstonderwijs/5

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Moderne wendingen in het kunstonderwijs
Auteur(s) Theo van Doesburg
Datum Juni 1919
Titel ‘Moderne wendingen in het kunstonderwijs (vervolg bl. 68, Stijl 6)’
Tijdschrift De Stijl
Jg, nr, pg 2, 8, 91-94
Genre(s) Proza
Brontaal Nederlands
Bron Digital Dada Library
Auteursrecht Publiek domein

[91]

MODERNE WENDINGEN IN HET KUNSTONDERWIJS (VERV. BL. 68, STIJL 6).

DOOR THEO VAN DOESBURG.

II.

In de op blz. 66—67 (Stijl No. 6) aangehaalde gedeelten uit des heeren Wattjes rede hebben wij, mede op gezag van het zuiver wijsgeerig denken (Hegel) begrepen, dat de menschelijke geest, zoowel in kunst als in techniek, doch dan op andere wijze, de eerste met utilitaire oogmerken, de tweede belangeloos-esthetisch zich van alle gebondenheid tracht te bevrijden om tot zich zelf te komen, om zich zelf voorwerpelijk te maken.
Wij moeten dit grondig doordenken en dit kardinale punt goed in het oog houden om de inconsequentie in des heeren Wattjes betoog klaar voor ons te zien.
Op blz. 6 trekt de heer Wattjes het kunst-zijn van de bouwkunst in twijfel en wel uit oorzake harer wetenschappelijke, technische en utilitaire gebondenheid 1). Het heet daar:
      „De bouwkunst toch heeft enkele eigenaardigheden (alle spatieëeringen zijn van
      „mij, v. D.) die haar plaats en beteekenis eenigszins onduidelijk maken. Het is juist
      „bij deze kunst, dat het de vraag kan zijn of zij wel een kunst of zij een
      „kunstvak of wel een technisch vak is”.
——————
1) Men begrijpe goed dat ik deze kwestie hier objectief stel en er geen beslissing in nemen wil, tenzij deze: dat ik wel weet dat in de bouwkunst met hare gebondenheid het kunstmoment aanwezig kan zijn, terwijl in de schilderkunst, in de muziek enz. zonder die gebondenheid het kunstmoment afwezig zijn kan.


[92]

De hier gestelde „eigenaardigheden” betreffen haar verhouding tot wetenschap, techniek en utiliteit.
Ofschoon het niet mijn bedoeling is in deze beschouwing mij met detail-critiek bezig te houden — gevoeglijk zou hier de begrips-inconsequentie kunnen worden aangetoond, welke uitkomt in een zin als deze: het is juist bij deze kunst de vraag of zij wel een kunst is, — kan de vraag, die in dezen zin besloten ligt en reeds meermalen (ook in „De Stijl”. Zie „Bouwkunst en normalisatie bij den massabouw” door J.J.P. Oud, blz. 77, 1e Jaarg.) de aandacht der architecten had, het best beantwoord worden met daartegenover de vraag stellen of de schilderkunst, de beeldhouwkunst, de muziek wel „kunst” zijn.
Hoe komt het, kan immers gevraagd worden, dat deze vraag ten aanzien der andere kunsten nimmer gesteld is? Zooals de heer Wattjes deze vraag stelt zou hiermede bewezen zijn, dat de menschelijke geest zich in deze minder gebonden uitdrukkingsvormen gewilliger voorwerpelijk maakt, dan in de bouwkunst met hare veel-vertakte gebondenheid o. m. aan de natuurwetten als statica, zwaartekracht, draagvermogen, enz waaraan de bouwkunst, noch de beeldhouwkunst op de wijze der natuur ontkomen en welke wetten in de muziek en de schilderkunst b.v. slechts in het afgetrokkene, dus meer geestelijk, optreden.
Trekken wij echter de consequentie van des Heeren Wattjes gedachteninhoud door, in verband met zijn eigen definitie van kunst:
      „Kunst is die werkzaamheid van den menschelijken geest, die gericht is op het teweeg
      „brengen van schoonheid” (blz. 15) dan zou dit een aanslag op de bouwkunst-als-kunst beteekenen, aangezien de bouwkunst haar oorzaak heeft in de practische behoefte (het utilitaire) en niet in de behoefte naar het geestelijke (het belangelooze).
Den genadeslag brengt de heer Wattjes de bouwkunst-als-kunst tot op blz. 16:
      „De kunst daarentegen, maakt datgeen wat noch nuttig, noch noodzakelijk is, wat noch
      „bruikbaar 1) noch verbruikbaar is. Zij schept zonder daartoe gedwongen te zijn, zij beraamt
      „hare vormen vrij. Daarin getuigt de kunst van vrijheid. Zij maakt datgeen, wat van
      „een verheffende bekoring is en den geest ontheft aan de alledaagsche zorg voor het
      „nuttige en het noodige”.
En iets verder:
      „Die werkzaamheid, die uitsluitend uit drang naar het schoone voortvloeit en het door
      „die werkzaamheid voortgebrachte heet zuivere kunst” (blz. 16).
Hiermede is, dunkt mij, de bouwkunst-als-kunst als scheppende werkzaamheid van den menschelijken geest „om schoonheid teweeg te brengen” dan radicaal afgemaakt. Hiermede wordt toegegeven aan de meermalen geopperde opvatting, dat de bouwkunst buiten het kader der vrije zuivere scheppende kunsten valt. Wil men dit vonnis uit den mond van den haar Wattjes zelf hooren, zoo leze men op blz. 18:
      „De werken der bouwkunst, de gebouwen, ontstaan niet uit drang naar het schoone,
——————
1) Dit is uit een materialistisch oogpunt beschouwd. Men kan zich ook geestelijk bruikbare voorwerpen voorstellen. De bruikbaarheid, nuttigheid of noodzaakheid van een voorwerp behoeft immers niet direct met onze stoffelijke behoeften samen te vallen.


[93]

      „zooals de werken der zuivere kunsten, zij hebben een bepaald doel, zij dienen ter
      „voorziening in bepaalde behoeften”.
Heel opmerkelijk is het nu wel — en daarin bestaat de groote contradictie in heel dit betoog — dat de heer Wattjes, na dit alles, zich aan het einde van zijn rede, zoo weet te wenden en te draaien, te keeren, dat de bouwkunst zoo superieur is aan de andere kunsten, dat deze alle, zonder uitzondering zich aan haar ondergeschikt moeten maken en wel uit hoofde van juist diezelfde eigenschappen waarop in het begin gezinspeeld werd en waardoor de bouwkunst gebonden was tegenover de andere vrije kunsten n.l. haar technischen, wetenschappelijken en utilitairen kant.
Wil men de tegenstrijdigheden (zoo niet verwardheden) uit den mond van den heer Wattjes zelf vernemen zoo vergelijke men ook nog de volgende uitspraken met elkaar. Zij betreffen de verhouding der bouw- tot de andere kunsten:
      „Tot de beeldhouw- en de schilderkunst verhoudt zich de bouwkunst als een gebruiks-
      „kunst tot zuivere kunsten, als de onvrijheid der nuttigheid en
      „dienstbaarheid tot de vrijheid van het scheppen louter om de zaligheid van het
      „scheppen. Zoo zijn de beeldbouw- en schilderkunst ten opzichte van de bouwkunst
      „hoogere kunsten”.
Iets verder:
      „De schilder- en beeldhouwkunst kunnen als sierkunsten uitgeoefend worden, zij kunnen
      „daarbij naast andere gebruiksdingen ook gebouwen versieren.
      „Als sierkunst in de bouwkunst optredend, dienen zij zich aan het bouwwerk onderge-
      „schikt te maken”.
Hier moeten dus de „vrije” „hoogere” kunsten zich ondergeschikt maken aan de onvrije dienstbare kunsten: bouwkunst en „andere gebruiksdingen” om dan in de verschijning van een surrogaat: sier-kunst een aanhangsel van beide te zijn!
Dit is dan de oplossing betreffende de verhouding van de vrije, zuivere, scheppende, hoogere kunsten tot de onvrije, gebonden, gebruikskunsten! Dat de eerste zich aan de laatste ondergeschikt moeten maken!
Maar, bedenkt de heer Wattjes, schilder- en beeldhouwkunst hebben zich niet tot de sierkunst bepaald. Zij hebben ook beelden en schilderijen gemaakt en in wat nu volgt wordt de kwestie geheel ten gunste der architectuur omgedraaid:
Zij hebben als vrije kunsten beelden en schilderijen voortgebracht van gelijke kunstwaarde als de schoonste gebouwen” 1).
M. a. w.: de vrije kunsten hebben toch wel producten voorgebracht, die het toch wel kunnen uithouden tegen de schoonste producten der architectuur.
Na deze zwenking, — die wellicht aan de Edelgrootachtbare Heeren Curatoren, Hooggeleerde Heeren Professoren, Lectoren en Privaat-docenten, Assistenten en Studenten ontgaan is — is het geen wonder dat aan het einde dezer rede de bouwkunst in plaats van de meest
——————
1) We hebben hier terloops nog op te merken, dat die schoonste gebouwen b.v. kathedralen enz., voor ¾ uit beeldbouw-schilderkunst bestaan. Neemt men deze aesthetische „woekeringen” weg, hoeveel schoone bouw-kunst-als-zoodanig blijft er dan, enkele gevallen uitgezonderd, over? Neen, gebouwen die reeds uit zichzelve, van constructie uit schoon zijn, moeten nog komen.


[94]

onbeperkte aller kunsten gegeven wordt, een kunst waaraan alle overige kunstvormen ondergeschikt moeten blijven (blz. 23).
      „Doch de bouwkunst beperkt zich niet tot verband alleen met de beeldende kunst.
      „Heel het menschelijk geestelijk leven speelt zich haast uitsluitend binnenshuis,
      „dat is in gebouwen af, dat de bouwkunst in nauw verband staat met heel de kultuur.
      „Geen andere techniek of kunst is in die mate bij heel het menschelijk leven in al zijn
      „uitingen betrokken. Door de onderscheiden bestemming van gebouwen hangt de bouwkunst
      „samen met het huiselijk leven, de gezondheidsleer, de zedelijkheid, de opvoedkunde, met
      „nijverheid, handel en verkeer, met wetenschappen, kunsten en godsdienst”.
Alles wat in de vorige hoofdstukken werd aangevoerd als het gebondene der bouwkunst tegenover het „vrije”, ongebondene der andere kunsten, wordt nu ineens omgekeerd in zijn tegenovergestelde en aangevoerd om de onbeperktheid, onbegrensdheid der bouwkunst te bewijzen.
Het spreekt vanzelf dat dit geen oplossing is om het wezen der bouwkunst te bepalen en de leerlingen een „ruim inzicht” te geven betreffende de verhouding van de bouwkunst tot wetenschap, techniek en kunst. Behalve dat hier een verouderd begrip van deze verhouding: n.l. als sierkunst wordt geponeerd, zouden er nog vele commentaren betreffende verschillende punten te maken zijn. Zoo worden in deze rede gedurig de begrippen: geest, vestand en vernuft verward. Op blz. 7 worden de drie functies van den menschelijken geest: wetenschap, techniek en kunst genoemd inplaats van: wijsbegeerte, kunst en godsdienst. Hieruit blijkt een onjuist inzicht betreffende het begrip: geest.
Waar de heer Wattjes zulke heldere inzichten toont te bezitten in het wezen der techniek is het te betreuren, dat hij het wezen en de verhouding der bouwkunst tot de andere kunsten niet uit de consequenties dezer inzichten ontdekt heeft. Hierin schuilt m.i. de reden waarom de heer Wattjes zulke gevaarlijke sprongen maken moest aan het slot en resumé van zijn rede, om de bouwkunst welke hij in den aanvang als kunst om hals bracht een „onbeperkt” leven te schenken.
Zooals den heer Wattjes zich de verhouding der bouwkunst tot de andere kunsten voorstelt n. l. deze laatste (volgens den heer W. de „vrije”) onder het gezag der eerste (volgens den heer W. „gebondene”) zou er van een monumentalen stijl geen sprake kunnen zijn. De verwezenlijking van eenheid der kunsten tot stijl, kan m.o. slechts tot stand komen door alle beelding in een begrip samen te vatten: KUNST.