Tweede reize door de Majorij van 's Hertogenbosch/Eerste brief

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Naschrift Tweede reize door de Majorij van 's Hertogenbosch van [[Auteur:|Onbekend]]

Eerste brief

Tweede brief


[ 1 ]
 

Tweede reize door de Majorij Paginaversiering.png

 

EERSTE BRIEF.

 Waarde Vriend!

Toen ik in den afgeloopenen harden winter eenige weeken zeer genoeglijk en aangenaam in uwe wooning sleet; toen ik het grootst gedeelte van denzelven, dewijl mijne bezigheden stil stonden, en ook de uwe zeer gestremd waren, bij U doorbragt, spraken wij dikwijls over de Majorij van 's Hertogenbosch; wij herlazen de Brieven, welke ik U, in het voorige jaar bij mijne omwandeling door dat land, toegezonden had. Gij betuigde mij, dat U dezelve zeer bevallen hadden; doch ik houde mij verzekerd, dat Gij dezelve veel gunstiger beoordeelde, dan zij verdienden, maar hieröver wil ik thands niet twisten. Gij spoorde mij zelfs aan, om nog eens een reisjen in dat bijgeloovig en vervolgziek land te onderneemen. Gij wilde gaarne met mij eens, wen het uwe zaaken toelieten, daarin omzwerven, doch dit niet kunnende weezen, bood Gij mij aan, om de reiskosten te willen draagen, als ik mij der moeite wilde troosten, om nog eens die streeken [ 2 ] in te stappen, en U dan alles, wat mij bejegende, van tijd tot tijd te schrijven.

Uw edelmoedig aanbod, verzeld van mijnen sterken lust tot reizen, haalde mij schielijk over, om weder die streeken in te treeden en te zien, of mij thands meer verdraagzaamheid, meer liefde zou ontmoeten, dan bij mijne voorige reize. – Ik zal mij toeleggen, om nu die plaatzen te be zigtigen, welke ik in het voorleden jaar niet bezocht heb; op de andere Dorpen, waar ik mij toen opgehouden heb, zal ik nu niet lang vertoeven, noch 'er U iets van melden, ten zij ik 'er iets verneem, dat nieuw is, of 'er nog iets mogt ontdekken, dat mij toen ontglipt is.

Toen ik van .... scheep ging, trof mij hetzelfde ongeluk als in het voorige jaar, het was zelfs nog erger, want 'er was niemand op het schip, met wien ik behoorlijk kon spreeken. Onder de reizenden bevond zich eene gevlugte Bagijn uit een Klooster, zo ik wel onthouden heb, te Weert, eene stad in Opper-Gelderland, of meer bepaald: in het Graaffchap Hoorn. Zij scheen eene zuster van de natte gemeente te weezen, want zij dronk in zeer korten tijd eene gansche flesch jenever, waaröp zij, eenen grooten roozen-krans voor den dag haalende, haare gebeden begon te prevelen, dat het een lust was, om te zien. – Intusschen ergerde mij dit geweldig, want ik zie niet gaarn, dat iemand, hij zij wie hij wil, onëerbiedig te werk gaat in zijn bidden; ik houde dit nog erger, dan eene openbare bespotting van het weldoend Opperwezen.

[ 3 ] Dewijl mij deeze dronken biddende Bagijn of Non zeer verveelde, en het overig gezelschap niet behaagde, zoo liet ik mij bij Gorinchem uitzetten met een bootjen naar Sleewijk. Van daar wandelde ik voorbij Woudrichem den Maas-dijk langs naar Heusden, waar ik mij thands bevind. Ik zal U van deeze Stad niets melden; geen woord zal ik 'er van reppen, want dezelve behoort niet tot de Majorij, dus gaa ik alles, wat dezelve betreft, stilzwijgende voorbij; dit alleen moet ik U zeggen, dat ik op deeze wandeling van heden nog hier en daar aklige overblijfsels zag van den geduchten Watervloed des afgelopenen laatsten winters. Voorzeker! eene treurige beschouwing voor elken sterfling, wien het geluk zijner natuurgenooten ter harte gaat!! – Deezen nacht zal ik hier doorbrengen, en morgen vroeg gaa ik verder, denklijk naar Waalwijk. – Ik schreef deeze weinige letteren nog deezen namiddag, omdat de post morgen van hier vertrekt, dan hebt Gij ten minsten schielijk genoeg tijding van mij, dan weet Gij, dat ik reeds aan het wandelen ben, en derhalven zijt Gij nu verwittigd, dat Gij van tijd tot tijd eenige Brieven van mij te wachten hebt. Leef wel, gelukkig en te vreden; denk nu en dan eens aan uwen wandelenden Vriend, en wees verzekerd, dat, hoe verder ik van U mij verwijder, hoe naauwer onze vriendschapsband zal toegehaald worden, en even hieröm mag ik mij met alle recht onderschrijven en noemen uwen getrouwen

 Vriend.