Verdrag inzake de betekening en de kennisgeving in het buitenland van gerechtelijke en buitengerechtelijke stukken in burgerlijke en in handelszaken

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Verdrag inzake de betekening en de kennisgeving in het buitenland van gerechtelijke en buitengerechtelijke stukken in burgerlijke en in handelszaken

De Staten die dit Verdrag hebben ondertekend,

Verlangend maatregelen te nemen die er toe kunnen leiden dat gerechtelijke en buitengerechtelijke stukken waarvan in het buitenland betekening of kennisgeving moet worden gedaan, tijdig ter kennis komen van degenen voor wie zij bestemd zijn,
Ernaar strevend tot dat doel de onderlinge rechtshulp te verbeteren door de daarbij te volgen procedure te vereenvoudigen en te versnellen;
Hebben besloten te dien einde een Verdrag te sluiten en zijn overeengekomen als volgt:

Artikel 1[bewerken]

Dit Verdrag is van toepassing in alle gevallen waarin in burgerlijke zaken of in handelszaken een gerechtelijk of buitengerechtelijk stuk ter betekening of kennisgeving naar het buitenland moet worden gezonden. Het Verdrag is niet van toepassing, indien het adres van degene voor wie het stuk is bestemd, onbekend is.

HOOFDSTUK I. GERECHTELIJKE STUKKEN

Artikel 2[bewerken]

Iedere Verdragsluitende Staat wijst een centrale autoriteit aan, die tot taak heeft de uit een andere Verdragsluitende Staat afkomstige aanvragen om betekening of kennisgeving overeenkomstig de artikelen 3-6 in ontvangst te nemen en af te doen. De aangezochte Staat wijst de centrale autoriteit aan en regelt tevens haar werkwijze.

Artikel 3[bewerken]

De daartoe volgens wet van de Staat van herkomst van het stuk bevoegde autoriteit of deurwaarder richt tot de centrale autoriteit van de aangezochte Staat een aanvrage, die moet overeenstemmen met het als bijlage aan dit Verdrag toegevoegde modelformulier. Ten aanzien van de aanvrage is geen legalisatie van stukken of een daarmede gelijk te stellen formaliteit vereist. De aanvrage moet vergezeld gaan van twee exemplaren van het gerechtelijke stuk of van twee afschriften daarvan.

Artikel 4[bewerken]

Indien de centrale autoriteit oordeelt dat de bepalingen van het Verdrag niet in acht zijn genomen, stelt zij de aanvrager hiervan onverwijld in kennis, met nauwkeurige vermelding van de tegen de aanvrage gerezen bezwaren.

Artikel 5[bewerken]

De centrale autoriteit van de aangezochte Staat belast zich met de betekening of de kennisgeving van het stuk of het doen betekenen of kennisgeven daarvan,

a) hetzij met inachtneming van de vormen, in de wetgeving van de aangezochte Staat voorgeschreven voor de betekening of de kennisgeving van stukken die in dat land zijn opgemaakt en bestemd zijn voor zich aldaar bevindende personen,
b) hetzij met inachtneming van een bijzondere, door de aanvrager verzochte vorm, mits deze niet in strijd is met de wet van de aangezochte Staat.

Behoudens in het geval bedoeld in het eerste lid onder b, kan het stuk altijd worden afgegeven aan degene voor wie het bestemd is, zo deze het vrijwillig aanneemt. Indien van het stuk betekening of kennisgeving moet worden gedaan overeenkomstig het bepaalde in het eerste lid, kan de centrale autoriteit verlangen dat het stuk wordt opgesteld of vertaald in de officiële taal of in een van de officiële talen van haar land. Het gedeelte van de aanvrage bestaande uit het als bijlage aan dit Verdrag toegevoegde modelformulier, dat aard en onderwerp van het te betekenen stuk weergeeft, wordt afgegeven aan degene voor wie het stuk bestemd is.

Artikel 6[bewerken]

De centrale autoriteit van de aangezochte Staat, of de daarvoor door die Staat aangewezen autoriteit, maakt een verklaring op die moet overeenstemmen met het modelformulier voor zodanige verklaringen, dat als bijlage aan dit Verdrag is toegevoegd.

De verklaring behelst dat aan de aanvrage uitvoering is gegeven en vermeldt tevens de vorm waarin, de plaats waar en het tijdstip waarop dit is geschied, alsmede de persoon aan wie het stuk is afgegeven. In voorkomend geval worden in de verklaring de omstandigheden vermeld die de uitvoering van de aanvrage hebben belet.

Indien de verklaring niet is opgemaakt door de centrale autoriteit of een rechterlijke autoriteit, kan de aanvrager verlangen dat zij door een van deze autoriteiten voor gezien wordt getekend. De verklaring wordt rechtstreeks toegezonden aan de aanvrager.

Artikel 7[bewerken]

Het te drukken gedeelte van het modelformulier, dat als bijlage aan dit Verdrag is toegevoegd, moet steeds in de Franse of in de Engelse taal zijn gesteld, doch kan daarenboven worden gesteld in de officiële taal of in een van de officiële talen van de Staat van herkomst der stukken. Hetgeen in de aansluitende witte vakken moet worden ingevuld dient hetzij in de taal van de aangezochte Staat, hetzij in de Franse taal, hetzij in de Engelse taal te worden gesteld.

Artikel 8[bewerken]

Iedere Verdragsluitende Staat is bevoegd betekeningen of kennisgevingen van gerechtelijke stukken aan zich in het buitenland bevindende personen rechtstreeks, zonder rechtsdwang, door de zorg van zijn diplomatieke of consulaire ambtenaren te doen verrichten. Een Staat kan verklaren dat hij zich tegen de uitoefening van deze bevoegdheid op zijn grondgebied verzet, tenzij van het stuk betekening of kennisgeving moet worden gedaan aan een onderdaan van de Staat van herkomst van dat stuk.

Artikel 9[bewerken]

Iedere Verdragsluitende Staat is bovendien bevoegd gerechtelijke stukken langs de consulaire weg ter betekening of kennisgeving toe te zenden aan de autoriteiten van een andere Verdragsluitende Staat die daarvoor door deze Staat zijn aangewezen. Indien buitengewone omstandigheden dit noodzakelijk maken, is iedere Verdragsluitende Staat bevoegd deze toezending langs de diplomatieke weg te doen geschieden.

Artikel 10[bewerken]

Dit Verdrag laat, tenzij de Staat van bestemming verklaart zich daartegen te verzetten, onverlet:

a) de bevoegdheid gerechtelijke stukken rechtstreeks over de post toe te zenden aan zich in het buitenland bevindende personen,
b) de bevoegdheid van de deurwaarders, ambtenaren of andere bevoegde personen van de Staat van herkomst gerechtelijke stukken rechtstreeks door de deurwaarders, ambtenaren of andere bevoegde personen van de Staat van bestemming, betekening of kennisgeving te doen verrichten,
c) de bevoegdheid van iedere belanghebbende bij een rechtsgeding betekeningen of kennisgevingen van gerechtelijke stukken rechtstreeks te doen verrichten door de deurwaarders, ambtenaren of andere bevoegde personen in de Staat van bestemming.

Artikel 11[bewerken]

Dit Verdrag belet niet dat twee of meer Verdragsluitende Staten over en weer toelaten dat ter betekening of kennisgeving van gerechtelijke stukken andere wegen worden gevolgd dan die, welke in de voorafgaande artikelen zijn geregeld, met name zich verstaan over rechtstreeks verkeer tussen hun wederzijdse autoriteiten.

Artikel 12[bewerken]

De betekeningen of kennisgevingen van uit een Verdragsluitende Staat afkomstige gerechtelijke stukken geven geen aanleiding tot betaling of terugbetaling van heffingen of kosten voor de diensten welke door de aangezochte Staat zijn verleend. De aanvrager is gehouden de kosten te betalen of terug te betalen, veroorzaakt door:

a) het optreden van een deurwaarder of van een volgens de wet van de Staat van bestemming bevoegde persoon,
b) de inachtneming van een bijzondere vorm van betekening of kennisgeving.

Artikel 13[bewerken]

De uitvoering van een aanvrage om betekening of kennisgeving overeenkomstig de bepalingen van dit Verdrag kan alleen worden geweigerd indien de aangezochte Staat oordeelt dat hierdoor inbreuk zou worden gemaakt op zijn soevereiniteit of veiligheid. De uitvoering kan niet worden geweigerd op de enkele grond dat de wet van de aangezochte Staat ten aanzien van de zaak waarop de aanvrage betrekking heeft, uitsluitende rechtsmacht voor die Staat opeist, dan wel een rechtsvordering als waarop de aanvrage betrekking heeft, niet toekent. Van de weigering een aanvrage uit te voeren stelt de centrale autoriteit de aanvrager, met vermelding van de redenen, onverwijld in kennis.

Artikel 14[bewerken]

Moeilijkheden die naar aanleiding van de toezending, ter betekening of kennisgeving, van gerechtelijke stukken mochten ontstaan, worden langs de diplomatieke weg geregeld.

Artikel 15[bewerken]

Wanneer een stuk dat het geding inleidt of een daarmede gelijk te stellen stuk ter betekening of kennisgeving overeenkomstig de bepalingen van dit Verdrag, naar het buitenland moest worden gezonden en de verweerder niet is verschenen, houdt de rechter de beslissing aan totdat is gebleken dat:

a) hetzij van het stuk betekening of kennisgeving is gedaan met inachtneming van de vormen in de wetgeving van de aangezochte Staat voorgeschreven voor de betekening of de kennisgeving van stukken die in dat land zijn opgemaakt en bestemd zijn voor zich op het grondgebied van dat land bevindende personen,
b) hetzij het stuk aan de verweerder in persoon of aan zijn woonplaats is afgegeven op een andere in dit Verdrag geregelde wijze, en dat de betekening of de kennisgeving, onderscheidenlijk de afgifte zo tijdig is geschied dat de verweerder gelegenheid heeft gehad verweer te voeren.

ledere Verdragsluitende Staat is bevoegd te verklaren dat zijn rechters in afwijking van het bepaalde in het eerste lid een beslissing kunnen geven, ook als geen bewijs, hetzij van betekening of kennisgeving, hetzij van afgifte is ontvangen, indien aan elk van de volgende voorwaarden is voldaan:

a) het stuk is toegezonden op een van de in dit Verdrag geregelde wijzen,
b) sedert het tijdstip van toezending van het stuk een termijn is verlopen die door de rechter voor elk afzonderlijk geval zal worden vastgesteld, doch die ten minste zes maanden zal bedragen,
c) in weerwil van alle daartoe bij de bevoegde autoriteiten aangewende pogingen geen bewijs kon worden verkregen.

Het bepaalde in dit artikel belet niet dat door de rechter in spoedeisende gevallen voorlopige of conservatoire maatregelen kunnen worden genomen.

Artikel 16[bewerken]

Wanneer een stuk dat het geding inleidt of een daarmede gelijk te stellen stuk ter betekening of kennisgeving overeenkomstig de bepalingen van dit Verdrag naar het buitenland moest worden verzonden en de verweerder bij verstek werd veroordeeld, kan de rechter, indien de termijn waarbinnen een rechtsmiddel had moeten worden aangewend is verstreken, de gedaagde een nieuwe termijn toestaan binnen welke hij het rechtsmiddel alsnog kan aanwenden, mits is voldaan aan elk van de volgende voorwaarden:

a) de verweerder heeft niet de gelegenheid gehad zich te verweren of een rechtsmiddel aan te wenden, doordat het stuk onderscheidenlijk de beslissing hem, buiten zijn schuld, niet tijdig heeft bereikt,
b) de grieven van de verweerder zijn, naar het aanvankelijk oordeel van de rechter, niet van elke grond ontbloot.

Het verzoek om verlening van een nieuwe termijn voor de aanwending van het rechtsmiddel is slechts ontvankelijk, indien het is ingediend binnen een redelijke termijn na het tijdstip waarop de gedaagde van de beslissing kennis heeft gekregen.

Iedere Verdragsluitende Staat is bevoegd te verklaren dat het verzoek niet ontvankelijk is, indien het is ingediend na het verstrijken van de in die verklaring genoemde termijn, welke echter niet korter mag zijn dan een jaar, te rekenen van de dag waarop de beslissing is gegeven. Het bepaalde in dit artikel is niet van toepassing op beslissingen betreffende de staat van personen.

HOOFDSTUK II. BUITENGERECHTELIJKE STUKKEN

Artikel 17[bewerken]

Buitengerechtelijke stukken, afkomstig van autoriteiten en deurwaarders van een Verdragsluitende Staat, kunnen ter betekening of kennisgeving in een andere Verdragsluitende Staat worden toegezonden op de wijzen en onder de voorwaarden als in dit Verdrag geregeld.

HOOFDSTUK III. ALGEMENE BEPALINGEN

Artikel 18[bewerken]

Iedere Verdragsluitende Staat kan naast de centrale autoriteit andere autoriteiten aanwijzen, wier bevoegdheden door die Staat worden geregeld. De aanvrager heeft echter steeds het recht zich rechtstreeks tot de centrale autoriteit te wenden. Bondsstaten zijn bevoegd meer dan een centrale autoriteit aan te wijzen.

Artikel 19[bewerken]

Dit Verdrag belet niet dat door de interne wet van een Verdragsluitende Staat voor de betekening of de kennisgeving in die Staat van uit het buitenland afkomstige stukken, andere wijzen van toezending worden toegelaten dan die, geregeld in de voorafgaande artikelen.

Artikel 20[bewerken]

Dit Verdrag belet niet dat twee of meer Verdragsluitende Staten overeenkomen af te wijken van het bepaalde in:

a) artikel 3, tweede lid, betreffende de toezending van twee exemplaren van de stukken,
b) artikel 5, derde lid, en artikel 7, betreffende de te bezigen taal,
c) artikel 5, vierde lid,
d) artikel 12, tweede lid.

Artikel 21[bewerken]

Iedere Verdragsluitende Staat geeft hetzij op het tijdstip van de nederlegging van zijn akte van bekrachtiging of toetreding, hetzij op een later tijdstip, het Ministerie van Buitenlandse Zaken van Nederland kennis van: a) de aanwijzing van de autoriteiten, bedoeld in de artikelen 2 en 18, b) de aanwijzing van de autoriteit bevoegd tot het opstellen van de in artikel 6 bedoelde verklaring, c) de aanwijzing van de autoriteit bevoegd tot het in ontvangst nemen van stukken die overeenkomstig artikel 9 langs de consulaire weg zijn toegezonden. In voorkomend geval geeft een Verdragsluitende Staat het Ministerie op een van de genoemde tijdstippen kennis van:

a) zijn bezwaren tegen de wijzen van toezending, bedoeld bij artikelen 8 en 10,
b) de verklaringen, bedoeld bij de artikelen 15, tweede lid, en 16, derde lid,
c) elke wijziging van de bovengenoemde aanwijzingen, bezwaren en verklaringen.

Artikel 22[bewerken]

Dit Verdrag vervangt in de rechtsbetrekkingen tussen de Staten die het hebben bekrachtigd, de artikelen 1-7 van het op 17 juli 1905 te 's-Gravenhage ondertekende Verdrag betreffende de burgerlijke rechtsvordering, onderscheidenlijk van het op 1 maart 1954 te 's-Gravenhage ondertekende Verdrag betreffende de burgerlijke rechtsvordering, al naar gelang bedoelde Staten partij zijn bij een dezer of bij beide Verdragen.

Artikel 23[bewerken]

Dit Verdrag belet noch de toepassing van artikel 23 van het op 17 juli 1905 te 's-Gravenhage ondertekende Verdrag betreffende de burgerlijke rechtsvordering, noch die van artikel 24 van het op 1 maart 1954 te 's-Gravenhage ondertekende Verdrag betreffende de burgerlijke rechtsvordering. Deze artikelen zijn echter slechts van toepassing, indien gebruik wordt gemaakt van eveneens in die Verdragen geregelde wijzen van toezending.

Artikel 24[bewerken]

Door de Verdragsluitende Staten in aansluiting aan de genoemde Verdragen van 1905 en 1954 gesloten overeenkomsten worden geacht eveneens van toepassing te zijn op het onderhavige Verdrag, tenzij de betrokken Staten dienaangaande anders zijn overeengekomen.

Artikel 25[bewerken]

Onverminderd het bepaalde in de artikelen 22 en 24 laat het onderhavige Verdrag onverlet de Verdragen, waarbij de Verdragsluitende Staten partij zijn of zullen worden, en welke bepalingen bevatten over door het onderhavige Verdrag geregelde onderwerpen.

Artikel 26[bewerken]

Dit Verdrag staat ter ondertekening open voor de Staten die waren vertegenwoordigd op de tiende zitting van de Haagse Conferentie voor internationaal privaatrecht. Het dient te worden bekrachtigd en de akten van bekrachtiging zullen worden nedergelegd bij het Ministerie van Buitenlandse Zaken van Nederland.

Artikel 27[bewerken]

Dit Verdrag treedt in werking op de zestigste dag na de nederlegging van de derde akte van bekrachtiging bedoeld in artikel 26, tweede lid. Voor iedere ondertekenende Staat die het nadien bekrachtigt, treedt het in werking op de zestigste dag na de nederlegging van zijn akte van bekrachtiging.

Artikel 28[bewerken]

ledere Staat die niet vertegenwoordigd is geweest op de tiende zitting van de Haagse Conferentie voor internationaal privaatrecht, kan tot dit Verdrag toetreden nadat dit overeenkomstig artikel 27, eerste lid, in werking is getreden. De akte van toetreding zal worden nedergelegd bij het Ministerie van Buitenlandse Zaken van Nederland. Het Verdrag treedt voor die Staat slechts in werking bij gebreke van verzet door een Staat die het Verdrag vóór deze nederlegging heeft bekrachtigd, van welk verzet moet worden kennis gegeven aan het Ministerie van Buitenlandse Zaken van Nederland binnen een termijn van zes maanden te rekenen van de datum waarop dit Ministerie laatstbedoelde Staat van de toetreding in kennis heeft gesteld;

Bij gebreke van verzet, treedt het Verdrag voor de toetredende Staat in werking op de eerste dag van de maand volgende op het verstrijken van de laatste van de termijnen bedoeld in het vorige lid.

Artikel 29[bewerken]

ledere Staat kan bij de ondertekening, bekrachtiging of toetreding verklaren dat de werking van dit Verdrag tevens zal gelden voor alle gebieden voor welker internationale betrekkingen hij verantwoordelijk is, of voor een, dan wel meer, van zulke gebieden. Deze verklaring wordt van kracht op het tijdstip waarop het Verdrag voor bedoelde Staat in werking treedt. Daarna moet van elke uitbreiding van de werking van het Verdrag kennis worden gegeven aan het Ministerie van Buitenlandse Zaken van Nederland. Voor de gebieden waarop de uitbreiding betrekking heeft, treedt het Verdrag in werking op de zestigste dag na de in het vorige lid vermelde kennisgeving.

Artikel 30[bewerken]

Dit Verdrag blijft gedurende vijf jaren van kracht, te rekenen van de datum van inwerkingtreding overeenkomstig artikel 27, eerste lid, ook voor de Staten die het later hebben bekrachtigd of die later tot het Verdrag zijn toegetreden. Dit Verdrag wordt, behoudens opzegging, stilzwijgend telkens voor vijf jaar verlengd. De opzegging moet ten minste zes maanden voor het einde van de termijn ter kennis worden gebracht van het Ministerie van Buitenlandse Zaken van Nederland. De opzegging kan zich beperken tot enkele der gebieden waarop het Verdrag van toepassing is. De opzegging heeft slechts gevolg ten opzichte van de Staat die haar heeft gedaan. Het Verdrag blijft van kracht voor de andere Verdragsluitende Staten.

Artikel 31[bewerken]

Het Ministerie van Buitenlandse Zaken van Nederland doet de Staten bedoeld in artikel 26, alsmede de Staten die zijn toegetreden overeenkomstig de bepalingen van artikel 28, mededeling van:

a) de ondertekeningen en bekrachtigingen bedoeld in artikel 26;
b) de datum waarop het Verdrag overeenkomstig de bepalingen van artikel 27, eerste lid, in werking treedt;
c) de toetredingen bedoeld in artikel 28, en de datum waarop deze van kracht worden;
d) de uitbreidingen bedoeld in artikel 29, en de datum waarop zij gevolg hebben;
e) de aanwijzingen, bezwaren en verklaringen genoemd in artikel 21;
f) de opzeggingen bedoeld in artikel 30, derde lid.

TEN BLIJKE WAARVAN de ondergetekenden, daartoe behoorlijk gemachtigd, dit Verdrag hebben ondertekend.

GEDAAN te 's-Gravenhage, de 15de november 1965, in de Franse en de Engelse taal, zijnde beide teksten gelijkelijk authentiek, in één exemplaar, dat zal worden nedergelegd in het archief van de Nederlandse Regering en waarvan een gewaarmerkt afschrift langs de diplomatieke weg zal worden toegezonden aan elk der Staten die vertegenwoordigd zijn geweest op de tiende zitting van de Haagse Conferentie voor internationaal privaatrecht.