Verdrag van Genève voor de verbetering van het lot der gewonden en zieken, zich bevindende bij de legers te velde 1929

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Verdrag van Genève voor de gewonden en zieken van 1929

Type Multilateraal
Ondertekening 27 juli 1929 in Genève
Inwerkingtreding 19 juni 1931
Brontaal Frans
Vertaling Officiële Nederlandse
Vervangt Verdrag van Genève voor de gewonden en zieken van 1906
Vervangen door Eerste Geneefse Conventie van 1949
Leden 60
Bron Rodekruis.nl
Auteursrecht Publiek domein
Logo Wikipedia
Meer over Verdrag van Genève voor de gewonden en zieken van 1929 op Wikipedia

Verdrag van Genève voor de verbetering van het lot der gewonden en zieken, zich bevindende bij de legers te velde

Genève, 27 juli 1929

(Aanduiding van de verdragsluitende Mogendheden)

Gelijkelijk bezield met den wensch om, voor zoover het van hen afhangt, de onafscheidelijk aan den oorlog verbonden rampen te verzachten en met dit doel de op 22 Augustus 1864 en 6 Juli 1906 te Genève voor de verbetering van het lot der gewonden en zieken, zich bevindende bij de legers te velde, gemaakte bepalingen willende verbeteren en aanvullen,

Hebben besloten daartoe een nieuw Verdrag te sluiten en hebben tot hunne Gevolmachtigden benoemd:

(volgen de namen der gevolmachtigden)

Hoofdstuk I – Van de gewonden en de zieken[bewerken]

Artikel 1 De militairen en de andere officieel aan de legers verbonden personen die gewond of ziek mochten zijn, zullen onder alle omstandigheden moeten worden ontzien en beschermd; zij zullen zonder onderscheid van nationaliteit door den oorlogvoerende, die hen in zijne macht zal hebben, met menschlievendheid worden behandeld en verzorgd.
Echter zal de oorlogvoerende, die genoodzaakt is om gewonden of zieken aan zijnen tegenstander over te laten, voor zoover de militaire noodzaak het zal gedoogen, een deel van zijn geneeskundig personeel en materieel bij hen laten om tot hunne verzorging bij te dragen.

Artikel 2 Behoudens de hun krachtens het vorig artikel te verleenen zorgen zullen de gewonden en zieken van een leger, die in de macht van den anderen oorlogvoerende zijn gevallen, krijgsgevangenen zijn en zullen de algemeene regelen van het volkenrecht betreffende gevangenen op hen toepasselijk zijn.
Evenwel zullen de oorlogvoerenden vrij blijven om ten gunste van gewonden of zieke gevangenen en boven de bestaande verplichtingen zulke bepalingen te maken die zij nuttig zullen oordeelen.

Artikel 3 Na elk gevecht zal de partij, die meester is gebleven van het slagveld, maatregelen nemen om de gewonden en de gesneuvelden op te zoeken en hen tegen berooving en slechte behandeling te beschermen.
Elken keer dat de omstandigheden zulks zullen toelaten, zal een plaatselijke wapenstilstand of onderbreking van het vuur worden overeengekomen om het weghalen toe te laten van de gewonden, die tusschen de linies zijn blijven liggen.

Artikel 4 De oorlogvoerenden zullen elkander in den korst mogelijken tijd in kennis stellen met de namen der opgenomen of aangetroffen gewonden, zieken en gesneuvelden, evenals met alle gegevens, welke tot de vaststelling van hunne identiteit kunnen leiden.
Zij zullen de overlijdensacten opmaken en deze aan elkander doen toekomen. Zij zullen verzamelen en eveneens aan elkander toezenden alle voorwerpen dienende tot persoonlijk gebruik welke op de slagvelden of op de gesneuvelden zijn gevonden en in het bijzonder de helft van het identiteitsplaatje der gesneuvelden, terwijl de andere helft aan het lijk vastgehecht moet blijven.
Zij zullen er voor zorgen, dat aan het begraven of het verbranden der gesneuvelden een nauwkeurig en, zoo mogelijk, geneeskundig onderzoek der lijken voorafga, ten einde den dood en de identiteit vast te stellen en daarvan rekenschap te kunnen geven.
Zij zullen er bovendien voor zorgen, dat zij eervol begraven worden, dat hunne graven worden ontzien en deze altijd kunnen worden teruggevonden.
Tot dat doel zullen zij aan het begin der vijandelijkheden van overheidswege een dienst voor de graven organiseeren, ten einde eventueele opgravingen mogelijk te maken en de identificatie der lijken te verzekeren, welke ook de achtereenvolgende ligging der graven zijn moge. Dadelijk na het einde der vijandelijkheden zullen zij de lijst der graven en die der in hunne begraafplaatsen en elders begraven dooden uitwisselen.

Artikel 5 De militaire overheid zal een beroep kunnen doen op de menschlievendheid der inwoners om, onder haar toezicht, gewonden en zieken, die zich bij de legers bevinden op te nemen en te verzorgen, zulks onder verleening van een bijzondere bescherming en zekere faciliteiten aan de personen, die aan dat beroep gevolg hebben gegeven.

Hoofdstuk II – Van de geneeskundige formaties en inrichtingen[bewerken]

Artikel 6 De mobiele geneeskundige formaties, namelijk die, welke bestemd zijn om de legers te velde te begeleiden, en de vaste inrichtingen van den geneeskundigen dienst moeten door de oorlogvoerenden worden ontzien en beschermd.

Artikel 7 De aan de geneeskundige formaties en inrichtingen verschuldigde bescherming zal ophouden, als men er gebruik van maakt tot het verrichten van voor den vijand nadeelige handelingen.

Artikel 8 Als redenen, welke eene geneeskundige formatie of inrichting de bescherming, door artikel 6 verzekerd, doen verliezen, zullen niet worden beschouwd:

  • 1. het feit, dat het personeel van de formatie of de inrichting gewapend is en van zijne wapenen gebruik maakt tot verdediging van zich zelf of van zijne gewonden en zijne zieken;
  • 2. het feit, dat, bij gebrek aan gewapende ziekenverplegers, de formatie of de inrichting wordt bewaakt door een piket of door schildwachten;
  • 3. het feit, dat in de formatie of de inrichting draagbare wapens en munitie worden gevonden, die aan de gewonden en aan de zieken zijn ontnomen en nog niet aan den daartoe bevoegden tak van dienst zijn afgeleverd;
  • 4. het feit, dat zich in de formatie of de inrichting personeel en materieel van den veeartsenijkundigen dienst bevinden zonder daarvan een integreerend deel uit te maken.

Hoofdstuk III – Van het personeel[bewerken]

Artikel 9 Het personeel, uitsluitend aangewend tot het weghalen, het vervoeren en het behandelen der gewonden en zieken, alsmede met het beheer der geneeskundige formaties en inrichtingen en de aan de legers verbonden veldpredikers en aalmoezeniers zullen onder alle omstandigheid ontzien en beschermd worden. Indien zij in handen van den vijand vallen, zullen zij niet als krijgsgevangenen worden behandeld.
De militairen, die speciaal zijn opgeleid om, wanneer het geval zich voordoet, te worden gebruikt als hulpziekenverplegers of hulpziekendragers bij het weghalen, het vervoeren en het behandelen der gewonden en zieken, en die van een identiteitsbewijs zijn voorzien, zullen, indien zij gevangen genomen worden terwijl zij deze werkzaamheden verrichten, aan hetzelfde regime onderworpen zijn als het vaste geneeskundige personeel.

Artikel 10 Met het in het eerste lid van artikel 9 bedoelde personeel wordt gelijkgesteld het personeel der behoorlijk door hare Regeering erkende en bevoegd verklaarde vrijwillige vereenigingen tot hulpbetoon, dat tot dezelfde werkzaamheden als die van het in genoemd lid bedoelde personeel wordt gebruikt, onder voorbehoud dat het personeel van deze vereenigingen onderworpen zij aan de militaire wetten en reglementen.
Iedere Hooge Verdragsluitende Partij zal aan de andere, hetzij reeds in tijd van vrede, hetzij bij den aanvang of gedurende de vijandelijkheden, in elk geval alvorens er eenig werkelijk gebruik van te maken, de namen der vereenigingen mededeelen welke zij bevoegd heeft verklaard om, onder hare verantwoordelijkheid, aan den officieelen geneeskundigen dienst van hare legers medewerking te verleenen.

Artikel 11 Eene erkende vereeniging van een onzijdig land zal de medewerking van haar personeel en van hare geneeskundige formaties slechts aan een oorlogvoerende mogen verleenen met voorafgaande goedkeuring van haar eigen Regeering en de machtiging van den oorlogvoerende zelf.
De oorlogvoerende, die de hulp zal hebben aangenomen, zal gehouden zijn om, alvorens daarvan eenig gebruik te maken, zijnen vijand er mede in kennis te stellen.

Artikel 12 De in de artikelen 9, 10 en 11 aangewezen personen zullen, nadat zij in de macht van de tegenpartij geraakt zijn, niet mogen worden aangehouden. Behoudens overeenkomst waarbij het tegendeel wordt bepaald, zullen zij teruggezonden worden aan den oorlogvoerende, waartoe zij behooren, zoodra een weg tot hun terugkeer zal worden geopend en die terugkeer niet in strijd is met de militaire eischen.
In afwachting van hunne terugzending zullen zij voortgaan hunne werkzaamheden onder leiding van de tegenpartij te verrichten; zij zullen bij voorkeur worden aangewend tot de verzorging der gewonden en zieken van den oorlogvoerende, waartoe zij behooren. Bij hun vertrek zullen zij de hun toebehoorende voorwerpen, werktuigen, wapens en transportmiddelen medenemen.

Artikel 13 De oorlogvoerenden zullen aan het personeel, bedoeld in de artikelen 9, 10 en 11, zoolang het in hunne macht is, hetzelfde onderhoud, hetzelfde onderkomen, dezelfde vergoedingen en dezelfde soldij waarborgen als aan het overeenkomstig personeel van hun leger.
Dadelijk bij het begin der vijandelijkheden zullen zij zich verstaan ten aanzien van de overeenkomst der rangen van hun geneeskundig personeel.

Hoofdstuk IV – Van de gebouwen en het materieel[bewerken]

Artikel 14 De mobiele geneeskundige formaties, welke deze ook zijn, zullen, als zij in de macht van de tegenpartij vallen, haar materieel, haar vervoermiddelen en haar besturend personeel behouden.
Evenwel zal de bevoegde militaire overheid het recht hebben, zich er van te bedienen voor de verzorging der gewonden en zieken; de teruggave zal plaats hebben onder de voorwaarden bepaald voor de terugzending van het geneeskundig personeel, en, voor zooveel mogelijk, tegelijkertijd.

Artikel 15 De gebouwen en het materieel der vaste inrichtingen van het leger zullen aan de oorlogswetten onderworpen blijven, maar zullen niet tot een ander doel kunnen worden bestemd, zoolang zij voor de gewonden en zieken noodig zijn.
Evenwel zullen de bevelhebbers van de opereerende troepenafdeelingen er over kunnen beschikken, ingeval zulks voor dringende militaire belangen noodzakelijk is, mits zij van te voren zorgen voor de veiligheid der gewonden en zieken, die daarin worden behandeld.

Artikel 16 De gebouwen der vereenigingen tot hulpbetoon, welke tot de bij het Verdrag geregelde bevoorrechte positie zijn toegelaten, zullen beschouwd worden als particulier eigendom.
Het materieel van deze vereenigingen, waar ook de plaats zij waar het zich bevindt, zal eveneens als particulier eigendom worden beschouwd.
Het aan de oorlogvoerenden door de wetten en gebruiken van den oorlog toegekende vorderingsrecht zal slechts worden uitgeoefend in gevallen van dringende noodzakelijkheid en wanneer eerst voor de veiligheid der gewonden en zieken is gezorgd.

Hoofdstuk V – Van de geneeskundige transporten[bewerken]

Artikel 17 De voor de geneeskundige evacuatie uitgeruste voertuigen, welke afzonderlijk of in konvooi rijden, zullen behandeld worden op gelijke wijze als de mobiele geneeskundige formaties, behoudens de volgende bijzondere bepalingen:
De oorlogvoerende, die afzonderlijk of in konvooi rijdende geneeskundige transportvoertuigen onderschept, zal, indien de militaire noodzakelijkheid zulks vordert, deze kunnen aanhouden, het konvooi ontbinden, mits hij zich in alle gevallen belast met de zorg voor de gewonden en zieken, die het bevat. Hij zal de voertuigen slechts kunnen benutten in het gedeelte van het operatiegebied, waarin zij zijn onderschept en uitsluitend voor geneeskundige behoeften. Wanneer deze voertuigen aan hunne plaatselijke bestemming hebben voldaan, zullen zij moeten worden teruggegeven onder de in artikel 14 genoemde voorwaarden.
Het militaire personeel, dat voor het transport wordt gebezigd en dat tot dit doel van een regelmatig mandaat is voorzien, zal worden teruggezonden onder de in artikel 12 voor het geneeskundig personeel genoemde voorwaarden en onder voorbehoud van het laatste lid van artikel 18.
Alle voor de evacuatie bepaaldelijke ingerichte transportmiddelen en het tot de uitrusting van deze transportmiddelen, voor zoover deze van den geneeskundigen dienst afkomstig zijn, behoorend materieel zullen overeenkomstig de bepalingen van Hoofdstuk IV worden teruggegeven.
De militaire transportmiddelen, welke niet tot den geneeskundigen dienst behooren, zullen met hunne bespanningen kunnen worden buitgemaakt.
Het burgerpersoneel en alle van requisitie afkomstige transportmiddelen zullen aan de algemeene regelen van het Volkenrecht onderworpen zijn.

Artikel 18 De als geneeskundige transportmiddelen gebezigde vliegtuigen zullen de bescherming van het Verdrag genieten gedurende den tijd, waarin zij uitsluitend zijn voorbehouden tot evacuatie der gewonden en zieken en tot het vervoer van het geneeskundig personeel en materieel.
Zij zullen wit geverfd zijn en zullen op duidelijk zichtbare wijze op hunne onder- en bovenvlakken naast de nationale kleuren het in artikel 19 aangegeven onderscheidingsteeken dragen.
Behoudens wanneer eene bijzondere en uitdrukkelijke vergunning is verleend, zal het overvliegen van de vuurlinie en van de zône, welke voor de groote geneeskundige sorteeringsformaties is gelegen, evenals in het algemeen van elk vijandelijk gebied of door den vijand bezet gebied verboden zijn.
De geneeskundige vliegtuigen zullen aan elke vordering om te landen moeten gehoorzamen.
Zoowel in geval van gedwongen als in dat van toevallige landing op vijandelijk of op door den vijand bezet gebied zullen de gewonden en zieken evenals het geneeskundig personeel en materieel, het vliegtuig daaronder begrepen, de door de bepalingen van dit Verdrag geregelde bevoorrechte positie genieten.
De bestuurders, de helpers en de radiotelegraphisten, die gevangen genomen zijn, zullen op voorwaarde, dat zij tot het einde der vijandelijkheden slechts nog voor den geneeskundigen dienst zullen worden gebruikt, teruggezonden worden.

Hoofdstuk VI – Van het onderscheidingsteeken[bewerken]

Artikel 19 Als hulde aan Zwitserland wordt het heraldieke teeken van het roode kruis op wit veld, gevormd door de onderlinge verwisseling der bondskIeuren, als emblema en kenteeken van den geneeskundigen dienst der legers behouden.
Evenwel zijn voor de landen die reeds in de plaats van het roode kruis, de roode halve maan of den roode leeuw en zon op wit veld als kenteeken bezigen, deze emblemata eveneens in den zin van dit Verdrag toegelaten.

Artikel 20 Het emblema zal zich met vergunning van de bevoegde militaire overheid bevinden op de vlaggen, op de armbanden evenals op al het materieel, dat tot den geneeskundigen dienst behoort.

Artikel 21 Het krachtens de artikelen 9, eerste lid, 10 en 11 beschermde personeel zal een aan den linker arm vastgehechten band dragen welke voorzien is van het kenteeken en afgegeven en gestempeld is door eene militaire autoriteit.
Het in artikel 9, eerste en tweede lid, bedoelde personeel zal voorzien zijn van een identiteitsbewijs bestaande hetzij uit een aanteekening in het militaire zakboekje, hetzij in een afzonderlijk stuk.
De in de artikelen 10 en 11 bedoelde personen, die geen militaire uniform hebben, zullen door de bevoegde militaire autoriteit voorzien worden van een identiteitsbewijs met photographie, dat hunne hoedanigheid als geneeskundig personeel uitdrukkelijk vermeldt.
De identiteitsbewijzen moeten in elk leger gelijkluidend en van hetzelfde model zijn.
In geen geval zal het geneeskundig personeel ontbloot mogen worden van zijne kenteekenen noch van de hem toekomende identiteitsbewijzen.
In geval van verlies zal het het recht hebben om daarvan een duplicaat te verkrijgen.

Artikel 22 De onderscheidingsvlag van het Verdrag zal slechts gevoerd kunnen worden op de geneeskundige formaties en inrichtingen, welke krachtens hetzelve worden beschermd, en met toestemming der militaire overheid. In de vaste inrichtingen zal naast haar moeten, en in de mobiele formaties zal naast haar kunnen worden geheschen de nationale vlag van den oorlogvoerende, waartoe de formatie of de inrichting behoort.
Evenwel zullen de geneeskundige formaties, welke in de macht van den vijand zijn gevallen, zoolang zij zich in dien toestand zullen bevinden, geen andere vlag dan de vlag van het Verdrag mogen voeren.
De oorlogvoerenden zullen, voor zoover de militaire noodzaak het zal toelaten, de noodige maatregelen nemen om de onderscheidingsteekens, welke de geneeskundige formaties en inrichtingen aangeven, duidelijk zichtbaar te maken voor de vijandelijke strijdkrachten te land, in de lucht en ter zee, ten einde de mogelijkheid van elke aanvallende daad buiten te luiten.

Artikel 23 De geneeskundige formaties der onzijdige landen, welke onder de voorwaarden in artikel 11 bedoeld, gerechtigd mochten zijn om hare diensten te verleenen, zullen naast met de vlag van het Verdrag de nationale vlag moeten voeren van den oorlogvoerende dien zij ter zijde staan.
Zij zullen het recht hebben om, zoolang zij hare diensten aan een oorlogvoerende verleenen, eveneens hare nationale vlag te voeren.
De bepalingen van het tweede lid van het vorige artikel zijn op haar toepasselijk.

Artikel 24 Het emblema van het roode kruis op wit veld en de woorden “Roode Kruis” of “Kruis van Genève” zullen zoowel in tijd van vrede als in tijd van oorlog slechts gebruikt kunnen worden ter bescherming of ter onderkenning van de geneeskundige formaties en inrichtingen, van het personeel en van het materieel welke onder bescherming staan van dit Verdrag.
Hetzelfde zal het geval zijn, wat betreft de in artikel 19, lid 2 bedoelde emblemata, voor de landen die hen bezigen.
Anderzijds zullen de vrijwillige vereenigingen tot hulpbetoon, bedoeld in artikel 10, van het onderscheidingsteeken overeenkomstig hare nationale wetgeving gebruik kunnen maken voor hare menschlievende werkzaamheid in tijd van vrede.
Bij wijze van uitzondering en met de uitdrukkelijke machtiging van een der nationale vereenigingen van het Roode Kruis (Roode Halve Maan, Roode Leeuw Zon), zal van het emblema van het Verdrag in tijd van vrede gebruik gemaakt kunnen worden om de plaats aan te geven van hulpposten, welke uitsluitend bestemd zijn om kosteloze verzorging aan gewonden of zieken te verleenen.

Hoofdstuk VII – Van de toepassing en de uitvoering van het Verdrag[bewerken]

Artikel 25 De voorschriften van dit Verdrag zullen door de Hooge Verdragsluitende Partijen onder alle omstandigheden worden geeerbiedigd.
In het geval dat, in tijd van oorlog, een oorlogvoerende geen partij bij dit Verdrag mocht zijn, zullen niettemin zijne bepalingen verbindend blijven tusschen alle oorlogvoerenden die aan het Verdrag deelnemen.

Artikel 26 De opperbevelhebbers der oorlogvoerende legers zullen voor de bijzonderheden betreffende de uitvoering der voorgaande artikelen evenals voor de niet voorziene gevallen voorzieningen moeten treffen, volgens de voorschriften hunner respectieve Regeeringen en overeenkomstig de algemeene beginselen van dit Verdrag.

Artikel 27 De Hooge Verdragsluitende Partijen zullen de noodige maatregelen treffen om hare troepen, en in het bijzonder het beschermde personeel, met de bepalingen van dit Verdrag bekend te maken en ze ter kennis van de bevolking te brengen.

Hoofdstuk VIII – Van het tegengaan van misbruiken en inbreuken[bewerken]

Artikel 28 De Regeeringen der Hooge Verdragsluitende Partijen, wier wetgeving thans nog niet voldoende mocht zijn, zullen de noodige maatregelen nemen of deze aan hare wetgevende lichamen voorstellen ten einde te allen tijde te verhinderen:

  • a. het gebruik door particulieren of door niet krachtens dit Verdrag daartoe gerechtigde vereenigingen van het emblema of van de benaming van “Roode Kruis” of “Kruis van Genève”, evenals van elk teeken en van elke benaming, welke een nabootsing daarvan uitmaakt, onverschillig of dit gebruik plaats heeft met een commercieel of met een ander doel;
  • b. met het oog op de aan Zwitserland door de aanneming van de onderling verwisselde bondskleuren gebrachte hulde, het gebruik door particulieren of door vereenigingen van het wapen van den Zwitserschen Bond of van teekens, welke eene nabootsing daarvan uitmaken, hetzij als fabrieks- of handelsmerk of als onderdeelen van die merken, hetzij met een aan de

goede trouw van den handel strijdig doel, hetzij onder omstandigheden die het Zwitsersche nationaal gevoelen zouden kunnen krenken.
Het onder letter a bedoeld verbod van het gebruik van teekens of benamingen, welke eene nabootsing van het emblema of van de benaming van “Roode Kruis” of “Kruis van Genève” uitmaken, evenals het onder letter b bedoeld verbod van het gebruik van het wapen van den Zwitserschen Bond of van teekens, welke eene nabootsing daarvan uitmaken, zal van kracht zijn vanaf het door iedere wetgeving aangegeven tijdstip en uiterlijk vijf jaar na de inwerkingstelling van dit Verdrag. Dadelijk na deze inwerkingstelling zal het niet meer geoorloofd zijn een fabrieks- of handelsmerk in strijd met deze verboden aan te nemen.

Artikel 29 De Regeeringen van de Hooge Verdragsluitende Partijen zullen, in geval van onvoldoendheid van hare strafwetten, eveneens de noodige maatregelen nemen of deze aan hare wetgevende lichamen voorstellen om in tijd van oorlog elke met de bepalingen van dit Verdrag strijdige daad tegen te gaan.
Zij zullen elkander door tusschenkomst van den Zwitserschen Bondsraad de bepalingen, welke op dit tegengaan betrekking hebben mededeelen uiterlijk vijf jaar van de ratificatie van dit Verdrag af.

Artikel 30 Op verzoek van een oorlogvoerende zal een onderzoek moeten worden ingesteld, overeenkomstig de tusschen de betrokken partijen vastgestelde wijze, aangaande elke beweerde schending van het Verdrag; wanneer de schending is vastgesteld, zullen de oorlogvoerenden aan die schending een einde maken en zullen haar zoo snel mogelijk onderdrukken.

Slotbepalingen[bewerken]

Artikel 31 Dit Verdrag, dat den datum van dezen dag zal dragen, zal tot den eersten Februari 1930 kunnen worden geteekend uit naam van alle op de Conferentie, die op den 1sten Juli 1929 te Genève is geopend, vertegenwoordigde landen, evenals van de niet op deze Conferentie vertegenwoordigde landen, die deelnemen aan de Verdragen van Genève van 1864 of van 1906.

Artikel 32 Dit Verdrag zal zoo spoedig mogelijk worden geratificeerd.
De akten van bekrachtiging zullen te Bern worden nedergelegd.
Van de nederlegging van elke akte van bekrachtiging zal een proces-verbaal worden opgemaakt, waarvan een voor eensluidend gewaarmerkte afdruk door den Zwitserschen Bondsraad zal worden toegezonden aan de Regeeringen van alle landen, uit welker naam het Verdrag zal zijn geteekend of de toetreding tot dat Verdrag zal zijn medegedeeld.

Artikel 33 Dit Verdrag zal in werking treden zes maanden nadat ten minste twee akten van bekrachtiging zullen zijn nedergelegd.
Verder zal het voor elke Hooge Verdragsluitende Partij in werking treden zes maanden na de nederlegging van hare akte van bekrachtiging.

Artikel 34 Dit Verdrag zal in de verhoudingen tusschen de Hooge Verdragsluitende Partijen de Verdragen van 22 Augustus 1864 en van 6 Juli 1906 vervangen.

Artikel 35 Van den datum van zijne inwerkingstelling af zal dit Verdrag open staan voor toetredingen, welke uit naam van elk land, uit welks naam dit Verdrag niet zal zijn geteekend, worden gedaan.

Artikel 36 De toetredingen moeten schriftelijk aan den Zwitserschen Bondsraad worden medegedeeld en zullen van kracht worden zes maanden na den dag, waarop zij den Bondsraad zullen hebben bereikt.
De Zwitsersche Bondsraad zal van de toetredingen kennis geven aan de Regeeringen van alle landen, uit welker naam het Verdrag zal zijn geteekend of de toetreding tot dat Verdrag zal zijn medegedeeld.

Artikel 37 De oorlogstoestand zal onmiddellijke werking verleenen aan de akten van bekrachtiging en de toetredingen, welke door de oorlogvoerende Mogendheden voor of na den aanvang van de vijandelijkheden zijn nedergelegd of zijn medegedeeld. De kennisgeving van bekrachtigingen of van toetredingen, welke ontvangen worden van zich in oorlogstoestand bevindende Mogendheden, zal door den Zwitserschen Bondsraad langs den snelsten weg worden verricht.

Artikel 38 Elke der Hooge Verdragsluitende Partijen zal de bevoegdheid hebben dit Verdrag op te zeggen. De opzegging zal eerst een jaar, nadat de mededeeling daarvan schriftelijk aan den Zwitserschen Bondsraad zal zijn gedaan, gevolg hebben. Deze zal van deze mededeeling kennis geven aan de Regeeringen van alle Hooge Verdragsluitende Partijen.
De opzegging zal slechts gelden ten aanzien van de Hooge Verdragsluitende Partij, die haar zal hebben medegedeeld.
Bovendien zal deze opzegging geen gevolg hebben in den loop van een oorlog, waarin de opzeggende Mogendheid mocht zijn betrokken. In dit geval zal dit Verdrag in werking blijven, boven den termijn van een jaar, tot aan de sluiting van den vrede.

Artikel 39 Een voor eensluidend gewaarmerkte afdruk van dit Verdrag zal door de zorgen van den Zwitserschen Bondsraad nedergelegd worden in de archieven van den Volkenbond. Eveneens zal van bekrachtigingen, toetredingen en opzeggingen, welke aan den Zwitserschen Bondsraad zullen worden medegedeeld, door hem kennis gegeven worden aan den Volkenbond.

Ten blijke waarvan de bovengenoemde gevolmachtigden dit Verdrag hebben onderteekend.

Gedaan te Genève den zeven en twintigsten Juli negentienhonderd negen en twintig, in een enkel exemplaar, dat in de archieven van den Zwitserschen Bond bewaard zal blijven en waarvan voor eensluidend gewaarmerkte afdrukken aan de Regeeringen van alle tot de Conferentie uitgenoodigde landen zullen worden toegezonden.