Vogelkiekjes/XX

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
XIX. Vogelkiekjes (1910) van Jacob Daalder

XX

XXI.


[ 66 ]

XX.


Wilde eenden.


't Is vroeg in den morgen, en de Junizon heeft nog niet de dauwpareltjes opgetrokken. Ze schitteren nog als diamanten flonkersterretjes, wanneer we reeds het moeras naderen, om een bezoek te brengen aan eenige vogelsoorten uit het geslacht Anas.

De slootflora doet zich weldra op haar voordeeligst voor, en tusschen de rijkbloeiende waterbloemen bevinden zich slangvormige gangetjes, het werk van wilde eenden. Zie, daar zwemt er een, en ze bevindt zich te midden van haar kroost. Alleen bij langzame nadering zullen we het gelukkige moedertje met haar rijken schat kunnen waarnemen, want doen we ze opschrikken, dan vliegt de oude vogel bij klapperende vleugelslagen weg, en de kleintjes verspreiden zich in alle richtingen. Zachtjes aan dus!

Wat is zoo'n eendenwijfje toch een toonbeeld van eenvoud en liefde, en wat vormt ze een contrast met haar heer echtgenoot! Eenvoudig is haar kleed, roestgeel en versierd met zwarte vlekken. Zoo'n pakje past haar, wanneer ze zich op het nest bevindt, want dan komt de kleur met die der omgeving overeen, en moeielijk is het, voor menschen zoowel als voor roofvogels, om haar dan te ontdekken. Trouw broedt ze op hare— [ 67 ] gewoonlijk—12 eieren, 28 lange etmalen, en slechts af en toe verlaat ze het legsel, dat ze dan zorgvuldig met droog gras en donsvederen toedekt. En nauwelijks zijn de kindertjes uit de groenwitte schalen te voorschijn gekomen, of moeder eend trekt van het nest weg, om er niet weer te keeren. Zacht kwakkerend begeeft ze zich te water, en de kleintjes zwemmen haar dadelijk overal na, en bijna voortdurend blijft de moeder bij haar kroost, totdat het vluchtig geworden is.

En de woerd? Hij was een trouw echtgenoot eenigen tijd vóór en gedurende den legtijd. En wat was hij toen mooi! Het goudgroen van kop en hals gaf, wanneer de zon er op scheen, tal van schitterende schakeeringen te zien, en de witte halsring stak daar rein bij af. Een groenen weerschijn van metaalglans zag men op de dekvederen van stuit en staart, waarbij schitterend afstaken de met wit en zwart omzoomde metaalblauwe vleugelspiegels. Mooi purperbruin is ook de krop van zoo'n woerd, en geelbruin is de rug, en verder bestaat het vederkleed hoofdzakelijk uit een witachtigen grond, waarop talrijke donkere zigzaglijntjes en des zomers draagt hij een sierlijk naar voren gebogen krulletje boven den staart. Slechts kort duurt de teederheid van heer woerd, want nauwelijks heeft zijn vrouwtje het laatste ei gelegd, of hij verlaat echtgenoote en kroost, om er niet weder naar om te zien. Als heer der schepping vermaakt hij zich, zorgeloos en tevreden, met andere mannetjes van broedende eenden in den plas. Het wijfje is zorgend van den vroegen morgen tot den laten avond, en des nachts vinden de kleintjes warmte en beschutting onder hare vleugels.

En toch worden niet alle kleintjes volwassen, want [ 68 ] het eendenvolkje heeft vele vijanden. Onder water loert de snoek, die soms zoo'n donsvogeltje met huid en veeren naar binnen slikt; op den wal schitteren vaak de oogjes van het bloeddorstigste aller karnivoortjes, het welbekend hermelijntje, en gretig zwelgt hij dikwijls het bloed van een eendenkuikentje. Dan zijn er nog roofdieren, die uit de lucht nederschieten, en roofmenschen, die slachtingen aanrichten met buksen en in de vernuftig uitgedachte eendenkooien.

Zoo gaat een groot procent van de eenden in het eerste levensjaar verloren.

Zie, in gindsche sloot zwemmen twee prachtige groote eenden, wit en zwart en rood gekleurd, en ook zij hebben jongen bij zich, die zilverkleurig schitteren, wanneer ze duiken. De eene heeft een knobbel op den karmijnrooden snavel, waaraan het mannetje te kennen is; het wijfje, dat een lange broedperiode achter den rug heeft, is wat matter gekleurd.

't Zijn Bergeenden (Tadorna tadorna), die ook wel holeneenden genaamd worden, omdat ze gaarne broeden in oude konijnengaten. Wie zoo'n broedgelegenheid zien wil, gaat maar kijken boven de zebra-stallen in Artis. De heer Steenhuizen heeft daar een stuk duin zoo mooi nagemaakt, dat het aan de voorzijde niet van echt is te onderscheiden. Bovendien biedt het kunstwerk nog dit voordeel, dat men aan den achterkant de groote, glanzige eieren in het nest kan zien liggen, wat in natura niet zoo gemakkelijk gebeurt. Daar toch moet eerst een stuk duin afgegraven worden, tenzij men kunstholen heeft aangelegd, waarbij men door het wegnemen van een zode bij het nest kan komen.

[ 69 ] De Bergeenden geven een beter voorbeeld van huwelijkstrouw, dan de straks bezochte Wilde Eenden. Die trouw kunnen we ook opmerken bij het paartje Zomertalingen (Anas querquedula), daar midden in het moeras; ook die kleine eendjes, waarvan de mannetjes toch ook een schitterend vederpakje dragen, zorgen trouw te zamen voor nest en jongen. Zoo heeft alleen de Wilde Eend (Anas boschas) zich als een minderwaardig echtgenoot doen kennen, doch alleen het mannetje.