Vogelkiekjes/XIX

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
XVIII. Vogelkiekjes (1910) van Jacob Daalder

XIX

XX.


[ 62 ]

XIX.


Bij de Boschduiven.


,,Roe-koe-roe-roe-koe!" 't Is het kirrend geluid van de Woudduif, dat zoo afwisselend klinkt tusschen de overige voorjaarsstemmen der natuur. De boeren dragen dezen vogels geen al te goed hart toe, omdat ze dikwijls [ 63 ] wat nemen van hun korenakkers, vooral in den broedtijd, wanneer de jongen gevoed worden met in den krop geweekte zaden. Maar wie het schoone der aarde wil behouden, die moet wat opofferen en een weinig door de vingers zien.

,,Klap-klap!" Wat nu, schrikt ge er van? Dat klappende geluid maken de Woudduiven steeds, wanneer ze opvliegen, en dikwijis vermaken ze zich, met gedurig klappend op te vliegen, en boogsgewijze weder neer te dalen.

De duif, uit onze nabijheid opgevlogen, was de doffer; zie, het wijfje zit daar op het eenvoudige takkenest. De morgenzon beschijnt de violette en metaalglanzige nekvederen, die zoo mooi afsteken bij het purpergrijs van den krop, het bruingrijs van de bovendeelen en het blauwachtig grijs van borst en buik. Een witte halskraag bezorgt deze soort den naam van Ringduif, terwijl de landlieden haar gaarne betitelen met den naam Koolduif. In het najaar, wanneer vele Woudduiven uit het Noordoosten naar hier komen, kunnen groote vluchten zich op de bouwakkers ophouden.

Hoe losjes is het nest gemaakt! Men kan zelfs de twee witte eieren door de takken heen zien, zoodat men zich onwillekeurig afvraagt, hoe het dier zóó voldoende warmte kan ontwikkelen voor het broeden.

Doch het gelukt zeer goed, het broedsel tot zijn recht te brengen, en wel vier of vijfmaal in één zomer. De Woudduif houdt niet van veel kinderen op eens. Het getal eieren is steeds twee. Doch meermalen moeten de jongen uit het eerste nest nog gevoederd worden, wanneer reeds in het tweede nest opnieuw twee eieren [ 64 ] gelegd zijn. Zoo is de sterke voorttelling van de Boschduiven dan ook gemakkelijk te verklaren. Toch gebeurt het wel, dat een nest verloren gaat, daar dit heel losjes gemaakt wordt op een horizontalen tak, waar het bij sterken wind wel afwaait. Slechts bij uitzondering wordt een nest op den grond gemaakt. In de duinen gebeurt dit meermalen, maar dan steeds op een duintop.

Hebben we dus de Woudduif (Columba palumbus L.) als stand- en trekvogel te beschouwen, niet is dit het geval met de veel kleinere Tortelduif (Turtur turtur L.), die alleen van April tot October bij ons woont, maar dan ook in de meeste boschjes en tuinen broedt.

Lieve vogeltjes zijn het, die zachter kirren dan de Woudduif, en mooie kleurtjes hebben ze aan den hals. Aan beide zijden er van heeft de Tortel vier rijen zwarte met blauwwit gezoomde vederen, wat gemakkelijk te herkennen onderscheidingsteekens zijn. De overige vederen komen eenigszins overeen met die van de Woudduif, doch de bruine rug- en vleugeldekvederen hebben rose zoomen.

En nu leeft er in ons land, hoewel in klein aantal, nog een derde Boschduif, de Columba oenas L. of Kleine Boschduif, die ook wel Holenduif genoemd wordt, omdat zij niet alleen haar nest maakt in boomholten, maar ook in verlaten konijnenholen. Ze gelijkt zeer op de Woudduif, doch is te herkennen aan het gemis van de witte halsringvederen. Heeft de groote soort nog eenig wit op de vleugels, ook dit ontbreekt bij Columba oenas, doch wel vindt men er eenige groote zwarte vlekken, terwijl de onderzijde aanmerkelijk donkerder is. Ook zij is standvogel voor ons land. Ze broedt evenwel lang niet overal. [ 65 ] Slechts in enkele provincies heeft men eenige paren broedende gevonden. De eieren, ook twee per legsel, zijn eveneens wit, maar de schaal is meer poreus en dan ook minder glad en doorschijnend dan die van Woud- en Tortelduif.

Van jagers hebben de Boschduiven in den laatsten tijd meer te vreezen dan vroeger. Vroeger was zoo'n Koolduif gewoonlijk het schot niet waard, doch men is het jagen op Woudduiven meer en meer interessant gaan vinden, en ook wordt de smaak van haar vleesch meer en meer geroemd. We willen hierbij hopen, dat de jacht op deze schoone vogels weidelijk zal worden uitgeoefend, opdat de gelederen niet al te sterk zullen dunnen. Want het gekoer van de Boschduiven past zoo mooi tusschen de natuurstemmen, dat we het er niet gaarne zouden missen. Elk jaar begroeten we het gaarne als teeken, dat de winter plaats gemaakt heeft voor een tijd, waarin alles groeit en bloeit, looft en verheerlijkt.

We gevoelen wel iets meer voor de duiven, dan voor vele andere vogels, daar zij zinnebeelden zijn van schoonheid en trouw, van onschuld en teederheid. Want ze zijn niet alleen fraai van vederen, maar ook steeds zindelijk. Een groot gedeelte van het jaar leven ze paarsgewijs en ze zijn innig aan elkander gehecht, terwijl ze met de teederste liefde hare kinderen voeden met in den krop geweekte zaden en ook verder verzorgen. En dat ze, vooral in vroegere tijden, als „briefdragers” gewichtige diensten hebben bewezen, is algemeen bekend. Deze postduiven stamden wel niet af van de bij ons wonende Boschduiven, doch toch ook van wilde soorten, vooral van de Rotsduif. Want in de verschillende werelddeelen [ 66 ] zijn wel 120 soorten duiven bekend, waarvan er maar 6 in Europa en slechts 3 in Nederland leven.