Vragen van den dag/Jaargang 14/Overzicht der wereldgeschiedenis in het jaar 1898. Deel I

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Overzicht der wereldgeschiedenis in het jaar 1898. Deel I
Auteur(s) L. D. J. Reeser
Datum Januari 1899
Titel Overzicht der wereldgeschiedenis in het jaar 1898. Deel I
Tijdschrift Vragen van den dag
Brontaal Nederlands
Bron Koninklijke Bibliotheek - Tijdschriften 1850 - 1940
Auteursrecht Publiek domein
Overzicht der wereldgeschiedenis
in het jaar 1898.

_________

door

L. D. J. Reeser.

In aansluiting bij de beide vorige jaren willen wij ons overzicht van de belangrijkste gebeurtenissen in 1898 voortzetten.

Een merkwaardig jaar ligt achter ons!

Het steeds toenemend gewicht der koloniën, de behoefte voor den handel aan nieuwe afzetgebieden, trad scherper belijnd dan ooit binnen den politieken horizon. Wat zwakke handen niet langer konden vastbonden, werd gegrepen door sterkere. Moge het tot heil der menschheid zijn!

Diep treurige toestanden op politiek gebied, als de degeneratie der Romaansche volkeren, diep aangrijpende op maatschappelijk gebied, als de ellende der arbeidende klassen, trokken de aandacht, beklemden de gemoederen.

Nu en dan scheurde echter het wolkengordijn en gleed een zonnestraal over de bekommerde gezichten.

Herlevendigde de vredesboodschap van den Czar aller Russen niet het geloof in het goede? Verschenen niet de teekenen en voorboden van nieuwe en beter tijden aan de kimmen? Moge de 19de eeuw vóór haar scheiden ons nog menige overwinning brengen van het altruïsme op het egoïsme! Intusschen zij, ondanks alles, herinnerd aan het woord van Ulrich von Hütten: „Het is eene lust om te leven, want de geesten beginnen te ontwaken!”

*
  *   *  

Wenden wij eerst den blik naar Engeland.

Daar eindigde in het laatst van Januari eindelijk de groote werkstaking in het machinevak, die aan het land ongeveer een ƒ 36 millioen heeft gekost. De strijd was indertijd door de arbeiders begonnen om invloed op het beheer der fabrieken te verkrijgen, en om den 8 uurs werkdag in te voeren. Intusschen verkreeg hij hoe langer hoe meer het karakter eener worsteling tusschen de ambachts- en de patroonsvereenigingen, waarbij ten langen leste de eersten het onderspit moesten delven. De partijen hebben elkanders krachten leeren kennen en zullen zich voortaan stellig voor overijlde beslissingen wachten. De arbeiders konden nu bovendien uit deze „strike” de leering putten, dat eene algemeener en steeds nauwer aaneensluiting noodig is.

Hoever Engeland intusschen op arbeidersgebied andere landen weer vooruit is, bleek o. a. op het 31e Jaarcongres der „Trade-unions,” dat den 30sten Augustus te Bristol gehouden weid. Na de begroeting door den hoogsten Anglikaanschen geestelijke en den burgemeester van Bristol hield de voorzitter van dit uit 480 afgevaardigden bestaande Congres, hetwelk 1¼ millioen arbeiders vertegenwoordigt, eene merkwaardige rede, waarin het doel der Engelsche arbeidersbeweging om onder het bestaande economische systeem tot lotsverbetering te komen op heldere en welsprekende wijze werd uiteengezet. Hier werd o. a. de wenschelijkheid betoogd bovengrondsche arbeid eerst na het 12de, ondergrondsche eerst na het 14de levensjaar te doen beginnen. Verder werd gewezen op de noodzakelijkheid van algemeen kiesrecht, bezoldiging der Parlementsleden, en naasting van spoorwegen door den Staat, terwijl uit den ongunstigen afloop van de werkstaking in het machinevak de leer werd geput, dat de organisatie der arbeiders nog altijd niet krachtig genoeg is. Ook de Engelsche Coöperators moeten zich aansluiten. Breeder vlucht nam het Congres, waar men het schoone ideaal verkondigde eener internationale verbroedering van de arbeiders. 't Zou zijn de Unie van den arbeid tegenover het kapitaal!

Uitbreiding tot alle arbeiders van de „Workmen's Compensation Act” van Juli '97, regelend de schadevergoeding door den werkgever uit te keeren voor ongelukken den werkman overkomen, werd zeer noodig gevonden. Hier zij echter opgemerkt dat in Engeland ook vele stemmen opgaan tegen die wet, welke voor kleinere patroons soms ruineerend is. Eene ernstige schaduwzijde is het zeker dat hoe langer hoe meer ongehuwde arbeiders in dienst worden genomen, omdat de schadevergoeding, aan hen bij ongelukken uit te betalen, veel geringer is.

Het Congres wees verder op een gebiedenden eisch des tijds, waar eene nieuwe regeling van de grondbelasting gevraagd werd, op grondslag der tegenwoordige waarde van den grond, in plaats van die van 1692.

Het Congres kenmerkt zich in alles door eenen praktischen geest. Men streeft naar onmiddellijk bereikbare hervormingen, van onpraktische bespiegelingen onthoudt men zich; in allen leeft min of meer het besef, dat zij zelve den gedroomden toekomststaat van sociale rechtvaardigheid met beleven zullen.

Van het terrein van den arbeid zij hier nog herinnerd aan de werkstaking in de kolenmijnen van Zuid-Wales, die reeds eenige maanden voortduurt, en reden geeft tot ernstige bezorgdheid.

Ook op kerkelijk gebied heerscht strijd. De beweging van den heer Kensit wierp een helder licht op de sterke ritualistische strooming in de Anglikaansche Kerk. Wel verklaarde de aartsbisschop van York de nieuwe ceremoniën onwettig, maar niettemin verheugde hij zich in de „wederopleving eener rijke symboliek”. Dat niet allen dit doen, bleek uit het optreden van Kensit die gedurende eene godsdienstplechtigheid, waarbij de Katholieke gebruiken weer eene hoofdrol speelden, opstond en riep: „In naam van God. protesteer ik tegen deze afgodendienst in de Engelsche Kerk”!

Ook in het Lagerhuis kwam deze kwestie te sprake. De regeering beweerde, dat het zoo erg niet was, maar zeer velen gingen daar niet in mee. Sir William Harcourt herinnerde er o. a. aan, hoe een Anglikaansch geestelijke gezegd had dat de Anglikaansche geestelijken waren: „Priesters der Katholieke kerk Gods .

Overigens bleek op een Kerkelijk Congres in September te Bradfort gehouden, dat zeer veel Anglikaansche geestelijken den arbeidersstad een goed hart toedragen. Veel instemming vond de rede van een der geestelijken, die den godsdienst schetste van de toekomst, een godsdienst, die noch Protestant, noch Katholiek, maar eenvoudig „Christelijk” zou zijn.

Ook hier evenals op sociaal gebied een zoeken naar nieuwe vormen!

Wat het gebied der wetgeving betreft, valt vooreerst te wijzen op eene wet, waarbij aan den vaccinedwang haar algemeen karakter ontnomen wordt. Wie binnen 4 maanden na de geboorte van het kind bij eede verklaart, in gemoede overtuigd te zijn dat de inenting voor de gezondheid van het kind schadelijk zou werken, is van de vaccinatie er van vrijgesteld en wordt niet gestraft. Godsdienstbezwaren zijn door deze bepaling gedeeltelijk buitengesloten. Heel wat hartstochten zijn door die bepaling weer in beweging gebracht. Het is een treurig maar onloochenbaar feit dat de voorstanders van vaccinatie op dit punt zeer lauw zijn terwijl de tegenstanders voortdurend werkzaam blijven.

Men is maar al te zeer geneigd eene krachtige propaganda voor de vaccinatie als niet langer noodig te beschouwen, terwijl toch het idee van de noodzakelijkheid der vaccine nog allesbehalve gemeen goed van allen geworden is.

Hooge ingenomenheid verdient de ingevoerde plaatselijke zelfregeering in Ierland, waardoor een toestand geschapen werd van Home Rule niet veel verschillend. Deze regeling kon alleen onder een conservatief bewind ingevoerd worden, want dit alleen vermocht den tegenstand der Pairs te overwinnen. Met dezen maatregel heeft Engeland weer een deel van de schuld aan Ierland afgedaan.

Dat bij de verkiezingen voor den Londenschen graafschapsraad de Progressisten eene meerderheid kregen van 20 à 22 stemmen viel aan de regeering, met het oog op de voorgenomen hervorming van het plaatselijk bestuur in Londen, niet mee.

Een lang verwacht feit was het neerleggen van Sir William Harcourt van het leiderschap der liberale partij. De groote partij is sedert Gladstone's laatste regeeringsjaren hoe langer hoe meer verdeeld geraakt. De Home Rule kwestie, noch de hervorming van het Hoogerhuis konden de partij bij elkaar houden. Nog minder vormden de wenschen op sociaal gebied een band tusschen de verschillende fracties. Een aangewezen leider is er bij de heerschende verdeeldheid niet, ook Harcourt nam, zooals wij inderdaad opmerkten, slechts door den nood gedwongen de leiding op zich. Waarschijnlijk zal Asquith als woordvoerder der partij in het Lagerhuis optreden, want de heer John Morley is in veler oogen te vooruitstrevend.

De groote „liberalendag” te Birmingham op 16 Dec. bracht in den toestand geene verandering. Voor de regeering ware het te wenschen, dat de oppositie zich andermaal krachtig organiseerde. Intusschen is het niet onwaarschijnlijk, dat Lord Roseberry zich alsnog tot de leiding der partij vinden laat.

Diepe verslagenheid wekte in Engeland het heengaan van den „grand old man” Gladstone. Na een werkzaam leven van 88 jaar is de nobele grijsaard in Mei te ruste gegaan. Meer dan 100,000 menschen brachten nog een bezoek aan Hawarden Castle, voordat het lijk naar Londen werd gevoerd. Langs den weg, waar de rouwtrein langs stoomde, stonden op verscheidene punten tot in den nacht menschen geschaard, die op deze wijze nog eene laatste eerbiedige hulde wilden brengen aan den edelen doode. Den 28en Mei werd Gladstone op eenvoudige maar diep aangrijpende wijze in Westminster Abbey ter aarde besteld.

„Requiescat in pace”.

Nog 2 andere groote mannen heeft Engeland dit jaar te betreuren gehad, de oud-minister Spencer Walpole, die op 92 jarigen leeftijd overleed, en de wereldberoemde Sir Henry Bessemer, bekend o. a. om zijne methode tot het harden van staal. Hij was 85 jaar en sedert 1879 van adel. Herinnerd zij nog aan het Hovley-schandaal; ook hier bleek gezegde van kracht: „there is something rotten in the State.”

Wat Engeland's buitenlandsche politiek betreft, zij herinnerd aan het streven naar nieuwe markten voor de Britschen handel en industrie. Waar de koloniën tegenwoordig in de politiek steeds meer den doorslag gaan geven, moest de verhouding tot het Chineesche Rijk natuurlijk ook in Engeland in hooge mate de aandacht trekken. In de eerste plaats moest het hoofd geboden worden aan Russische invloeden en daarvoor scheen eene nauwere aansluiting bij Duitschland, maar vooral aan het stamverwante Noord-Amerika hoogst gewenscht. Zich niet op den achtergrond laten dringen, monopolies van anderen bestrijden, blijft voor en na doel der Engelsche politiek. Een zonderling effect maakt de rede van Lord Salisbury in den conservatieven Primrosebond waar hij onomwonden Verklaarde, dat „door noodzakelijkheid gedwongen of onder een menschlievend voorwendsel, de levende volkeren zich gaandeweg zullen indringen op het gebied der stervende.”

Was men aanvankelijk met het beleid van den ouden Salisbury in zake buitenlandsche politiek niet erg tevreden, de stemming veranderde gansch en al toen in de Fashoda-kwestie (zie beneden) Salisbury eene houding aannam, zooals men die vroeger van hem zoo dikwijls had gezien. Over het geheel toonde Engeland m het afgeloopen jaar dat het onmiddellijk bereid is een oorlog te beginnen, waar de Britsche handel en invloed ook maar in het minst ernstig bedreigd worden.

*
  *   *  

Wat Frankrijk betreft treedt op den voorgrond de Dreytuskwestie. Wij stippen alleen het voornaamste even aan.

Na het bekend worden van Esterhazy's vrijspraak begin Januari schreef Zola zijn beroemd geworden artikel J'accuse.[1]

Voor eenige daarin vervatte beschuldigingen, die Zola in gebreke bleef te bewijzen, voor het Hof van Assises te Parijs ter verantwoording geroepen, zag hij zich en de gerant van de l'Aurore veroordeeld tot 1 jaar gevangenisstraf en 3000 frs. boete (23 Februari).

Het was toen dat minister Méline in de Kamer de bekende woorden sprak: „Er is geen Dreyfus-zaak meer”. Spoedig bleek het dat hij zich vergist had. Vooreerst vernietigde het Hof van Cassatie bet heele Zola-geding, omdat de aanklacht van den Krijgsraad in plaats van den Minister van Oorlog had moeten uitgaan. Toen nu de Krijgsraad bij het Hof van Versailles eene aanklacht tegen Zola en Perreux indiende, werd eerst door Zola de bevoegdheid van dat Hof betwist, en toen dat niet hielp cassatie aangeteekend tegen het zich bevoegd verklaren van dat Hof (23 Mei).

Intusschen was men geheel en al afgeweken van den rechten weg die door Scheurer-Kestner bewandeld was. Men had zich tot den Minister van Justitie moeten wenden en de wettig voorgeschreven voorwaarden om tot revisie te komen moeten vervullen. Zoolang de wettig voorgeschreven voorwaarden voor revisie niet aanwezig zijn, heeft de overheid in Frankrijk van oudsher diepen eerbied voor het gewijsde. Misschien valt daar zeer veel voor te zeggen.

Intusschen was te midden van de algemeene opwinding, waarbij de hertog van Orleans ruimschoots gelegenheid tot intrigeeren vond, het tijdstip der nieuwe verkiezingen aangebroken.

Een succes waren deze voor de regeering niet; toch zag het ministerie-Méline, het langste dat sedert 1870 in Frankrijk bestond, daar het reeds 2 jaar aan het bewind was, de toekomst niet al te donker in. Al dadelijk had men echter in de Kamer heftige tooneelen bij de presidentsverkiezing. Deschanel en Brisson stonden tegenover elkaar, totdat de eerste het met 3 stemmen van zijn tegenstander won. Nog geen 14 dagen later of bij eene discussie over de binnenlandsche staatkunde der regeering kreeg het ministerie een votum van wantrouwen en trad af (15 Juni). Na zeer lange weifeling werd eindelijk de op het Elysée niet geziene Brisson met de formatie van een nieuw kabinet belast, waarmede hij 29 Juni voor de Kamer optrad. Cavaignac was in dit kabinet Minister van Oorlog. Als zoodanig las hij, die als een eerlijk rechtschapen man bekend staat, eene verklaring voor, waaruit de schuld van Dreyfus vrij overtuigend blijken kon. Doch dezelfde minister moest in het laatst van Augustus erkennen, dat hem gebleken was, dat het stuk hetwelk hij had voorgelezen, door kolonel Henry vervalscht was. Deze pleegde daarop den 31en Augustus in de gevangenis zelfmoord.

De vervalsching deed twijfel ontstaan omtrent de echtheid der andere stukken. Toen de Ministers Brisson en Sarrien nu stappen wilden doen tot herziening van het Dreyfus-proces, trad Cavaignac, die zich overtuigd verklaarde van Dreyfus schuld, uit het ministerie en werd vervangen door generaal Zurlinden, die reeds na enkele dagen, den 16den September eveneens aftrad, toen de Ministerraad besloot de eerste stappen tot herziening te doen, door de zaak aan de voorgeschreven commissie van zes voor te leggen. Wel staakten in de commissie van zes de stemmen, maar de Ministerraad gelastte niettemin den 26sten September de herziening. Het Hof van Cassatie kreeg daarmede de zaak in handen en gelastte den 29sten October een aanvullend onderzoek. Daarvan zal het afhangen of tot algeheele herziening van het proces besloten wordt. Intusschen is de straf niet geschorst, doch wel verzacht. Ook is Dreyfus op de hoogte gebracht van wat er te zijnen gunste gebeurt.

In verband met deze kwestie zij hier nog herinnerd aan het optreden tegen Esterhazy, diens vlucht, en aan de arrestatie van Picquart.

Het conflict dat naar aanleiding van dit laatste tusschen de militaire en de burgerlijke overheid ontstond, kostte aan het ministerie Brisson het leven.

Aanleiding gaf het onverwachte aftreden van generaal Chanoine, die in de eerste zitting der weder bijeengeroepen Kamer zijne portefeuille nederlegde. Moeielijke oogenblikken heeft het ministerie Brisson doorleefd. Nadat eene groote werkstaking in Parijs die bij den overspannen toestand der gemoederen hoogst bedenkelijk had kunnen worden, vrij gelukkig was geëindigd, verspreidde zich plotseling het gerucht van eenen staatsgreep. De namen van generaal Boisdeffre, Zurlinden en van den Jesuietenoverste Dulac werden openlijk genoemd. Het merkwaardigste is niet dat het gerucht verspreid, maar dat het door velen geloofd werd. Bewezen is er intusschen niets, mogelijk dat later aan het licht zal komen wat nu nog achter de schermen verborgen is. Alleen dit zij opgemerkt, dat tengevolge van de werkstaking in Pariis meer troepen aanwezig waren dan anders, en dat er eenige overplaatsingen in het hooge officierskorps hebben plaats gehad.

De door Arton's onthullingen weder aan de orde gebrachte Panamazaak eindigde met vrijspraak der beschuldigden en misschien was dit het beste wat er onder de bestaande omstandigheden gedaan kon worden. De Dreyfus- en Panama-kwestie toonden met ontzettende klaarheid in welk een moeras Frankrijk bezig is te verzinken. Gelukkig is het te verwachten, dat de opgedane ervaring voor militaire en burgerlijke ambtenaren eene goede les zal zijn. In de Kamer sprak men reeds de hoop uit dat Parlementsleden voortaan niet meer deel zullen nemen aan groote finantieele ondernemingen, terwijl de Senaat een voorstel goedkeurde, voortaan ook bij de militaire rechtspraak de bepaling in te voeren dat de advocaat van den beschuldigde de instructie bijwoont. Ook is eene herziening van het militaire strafrecht in overweging genomen.

Wat Frankrijk betreft zij nog herinnerd aan het steeds voortdurend conflict tusschen de militaire overheid en de burgerlijke overheid in zake Picquart die eindelijk in Dec. van het Hof van Cassatie regeling van rechtsgebied verzocht en wiens geding door het Hof geschorst werd. Eerst later zullen zijn chefs dus kunnen uitmaken, welke straf hem voor het mededeelen van geheime stukken aan zijn advocaat Leblois toekomt. Ook zal dan moeten uitgemaakt worden of hij schuldig is aan vervalsching, zooals door enkelen beweerd wordt. De door Picquart aangenomen houding wettigt het vermoeden van zijn onschuld, doch daarmede is de zaak natuurlijk niet uit, al schijnen velen in en buiten Frankrijk dat te meenen.

Hier sta verder nog de herinnering aan het overlijden van Mevrouw Carnot in September, aan de ramp van de Bourgogne, waarbij een 200-tal passagiers omkwamen, en aan het 100-jarig gedenkfeest van Michelet.

*
  *   *  

Evenals in Engeland en bij alle groote mogendheden vormden ook in Duitschland de koloniën de drijfveer der groote politiek.

Het woord van Bismarck: „Engeland heeft kolonisten en kolonïen, Frankrijk koloniën zonder kolonisten en Duitschland kolonisten zonder koloniën” is thans voor Duitschland niet langer waar. Het handelscijfer met de koloniën dat in 1895 11 millioen frc. bedroeg was reeds in 1896 tot 13 gestegen, waarvan in 1897 3¾ mill. voor Togoland in West-Afrika kwamen.

Bedenkelijk blijft evenwel dat van de 1.250.000 menschen, die sedert Duitschland koloniaal gebied heeft, het land uitgingen, er slechts 1803 naar de Duitsche koloniën trokken, waarvan dan nog de helft ambtenaren en militairen waren. Gedeeltelijk is dat een gevolg van het ongezonde tropische klimaat der Duitsche koloniën, maar vooral van het feit, dat de kolonisten in de koloniën van andere mogendheden, wat de militaire verplichtingen betreft, in veel gunstiger conditie verkeeren. Hier zullen de Duitschers dus het eerst met de hervorming moeten beginnen.

Wat dan die koloniale staatkunde betreft, zij herinnerd aan het „pachtverdrag” met China waardoor Kiaotschou voor 90 jaar Duitsch werd. De „gepantserde vuist” kwam dus koopmanszaken regelen.

In dit verband dient dan ook genoemd de reis door den Duitschen Keizer in October naar Constantinopel en Syrië ondernomen. Dit uitstapje heeft den Sultan, „den edelen Monarch, die zooveel gedaan heeft voor de ontwikkeling en welvaart van zijn volk, die het onderwijs zoo goed geregeld heeft en het leger zoo uitmuntend ingericht, die een der grootste hervormers is, die ooit in Turkije geregeerd hebben”, een millioen of 3 gekost. Wat het Duitschland opleverde? Vooreerst verhoogd aanzien in de oogen der Oosterlingen, tot groot ongenoegen van Frankrijk, dat van ouds aanspraak maakt op het Beschermheerschap in het Oosten. Verder verkreeg de Keizer de in den Rijksdag vooral gewenschte steun der Katholieken, waartoe de schenking van het stuk grondgebied „Dormition de la Vierge” krachtig medewerkte. Voor den avontuurlijken geest des Keizers was deze moderne pelgrimstocht eene welkome gelegenheid zich in de oogen van Europa weder eens als Godsgezant te vertoonen. In hem leeft iets van den geest van Frederik Wilhelm IV, den ongelukkigen Pruisenkoning uit het jaar 1848.

Van zich doen spreken, imponeeren, dat was ook het doel van de plechtige intocht in Berlijn na de terugkomst. En toch is de algemeene indruk, dat het doel van de reis niet bereikt is. Er is veel en mooi getoast, maar van zaken doen werd niets vernomen. De reis is evenwel in zooverre van groote beteekenis, dat ook zij een voorbode is van eenen nieuwen tijd. Het nuchtere belang begint meer en meer de politiek te regeeren; overwegingen van godsdienstigen aard beginnen op den achtergrond te raken. Evenmin als Frederik II, de groote Hohenstauf, of als Frans I, de tegenstander van Karel V, laat men zich meer weerhouden tot bondgenootschappen en vriendschappelijk samenwerken met niet-Christelijke volkeren, wanneer groote belangen dat medebrengen. Een dergelijke breede politiek kan niet anders dan toegejuicht worden, al was het alleen maar in de stille hoop dat eene politiek van nuchtere praktische ideeën uitgaande, mogelijk brengen zal wat aan religie en humaniteit tot nu toe mislukte, namelijk de verbroedering der volkeren. In die overtuiging een eeresaluut aan den Keizer, die over persoonlijke antipathieën van geloof heenstapte!

Het is bekend hoe de reis van den Keizer in Engeland, Frankrijk en Rusland groote ontstemming verwekte, hoe deze drie mogendheden, met de bedoeling den indruk van 's Keizers optreden in de oogen der Oosterlingen te verkleinen, den Sultan juist tijdens het verblijf van Wilhelm te Constantinopel de belofte afpersten van de ontruiming van Creta. Maar het is misschien niet algemeen bekend, hoe tegenwoordig in Syrië en in het geheele Eufraat- en Tigrisgebied een hardnekkige strijd wordt gevoerd tusschen Duitschland, Engeland, Frankrijk en Rusland om den overheerschenden invloed in die streken. Het geldt den aanleg van spoorwegen. De Duitschers onderhandelen reeds 6 jaar met de Porte over verlenging van een der lijnen van de (Duitsche) Anatolische Spoorweg-Maatschappij van Angora naar Diarbekr, Bagdad en de Perzische golf. De Engelschen willen eene lijn Port-Said, Akaba—Perzische golf, verder eene karavaanweg en eene telegraaflijn van Akaba naar Mekka en Medina en het uitsluitend recht wegen en telegraaflijnen te leggen door Arabië, ten einde zoodoende te komen tot een soort van Britsch protectoraat over Arabië. De Franschen vroegen in het begin van dit jaar concessie tot het aanleggen van eene spoorweglijn van de golf van Alexandrette (in het N.O. van de Syrische kust) naar Mossoel, Bagdad en Basra aan de Perzische golf, met eene zijlijn naar de lijnen der Anatolische Maatschappij. Daar kwam, alle concessieaanvragers overtroevend, op het oogenblik van des Keizer's reis naar het Oósten, de Russische graaf Kaprivist met de aanvraag tal van spoorwegen te mogen aanleggen door en van Syrië naar Eufraat, Tigris en Perzische golf, met het aanbod de moerassen tusschen Eufraat en Tigris droog te maken, alle mijnen aan weerszijden van de aan te leggen lijnen te zullen exploiteeren, mits hij slechts zelf het personeel voor die groote werken mocht kiezen en vrijgesteld werd van inkomend recht voor zijn materiaal. De Sultan begreep, dat op die wijze Syrië onmiddellijk eene Russische provincie werd. Waarschijnlijk om voor de Duitsche onderhandelingen tijd te winnen, ging hij evenwel onmiddellijk schijnbaar op de concessie-aanvraag in. Wat onder die omstandigheden de Duitsche Keizer nog heeft kunnen bedingen, zal de tijd moeten leeren.

De koloniale politiek bracht intusschen ook een betere verstandhouding tot Engeland tot stand, zoodat zelfs het gerucht ging eener Engelsch-Duitsche alliantie, waarbij toestemming tot aankoop der Delagoabaai door Engeland eene voorname rol zou vervullen. Heel innig kan echter zoo'n verbond, gesteld dat het werkelijk gesloten is, niet zijn, daarvoor loopen beider belangen te veel uiteen, zooals ook weer de Oostersche reis van den Keizer aan het licht bracht. Ook Keizer's afzien van de reis naar Egypte bracht daarin geen verandering.

Intusschen wordt voor Duitschland met een zich vergrootend koloniaal gebied, vlootuitbreiding zeer noodzakelijk. Gelukkig dat de katholieken, reeds zoo tevreden over de zending van Prins Heinrich tot bescherming der hoofdzakelijk katholieke missie in China, door Keizer's Oostersche reis nieuwe reden tot tevredenheid kregen.

Aan de katholieken heeft de Keizer het dan ook te danken dat de marine-voordracht aangenomen werd. In plaats van 7 zouden de uitgaven over 6 jaar verdeeld worden. De bewering, dat de Paus zelf pogingen in het werk stelde om de voordracht te doen aannemen, werd indirect tegengesproken door de katholieken zelve, die op een Congres te Mainz gehouden, ronduit verklaarden „dat zij het gezag van den Paus in godsdienstzaken erkenden, maar in politieke zaken met het landsbelang te rade zouden gaan.” Alzoo ook hier het oude woord van O'Connell „our religion from Rome, our politic from home.”

Den 5den Mei werd de Rijksdag gesloten nadat nog even te voren het nieuwe Militaire Wetboek van Strafrecht was aangenomen. Te regelen bleef alleen de instelling van het Opperste Militaire Gerechtshof, wat met het oog op Beieren eene zeer kiesche aangelegenheid is. Intusschen wordt beweerd, dat de Keizer dit op de terugkeer van zijne Oostersche reis in orde gebracht heeft.

Een zeer onrustig oogenblik had de Rijksdag beleefd toen Bebel er de Maartbeweging herdacht en de heeren von Puttkammer en von Stumm van „Gesindel” spraken en de schuld van de Maartbeweging in Berlijn op opruiende Polen en Franschen schoven. Gelukkig dat von Benningsen de historische beteekenis dier dagen in het juiste licht stelde.

Merkwaardig was de toon, waarmede in de Hamburger Nachrichten Keizers verjaardag begroet werd. In het bekende Bismarck blad werd een terugblik geworpen op de 10 regeeringsjaren, die de Keizer achter zich heeft. Met voldoening werd geconstateerd, dat de Keizer thans op den rechten weg is. De ideeën van klasseverzoening, waarbij de lagere klassen in vertrouwen tot de hoogeren zouden opzien en de hoogere zich vol opofferingsgezindheid aan de lageren geven zouden, ideeën waarmede de Keizer bij zijn eerste optreden gedweept had, getuige het congres tot internationale regeling van den toestand der arbeiders, waren langzamerhand op zijde gezet. Het ideaal der zedelijke eenheid van alle deelen van het Rijk, waarvan de welwillendheid tegenover de Polen een uitvloeisel was geweest, werd opgegeven. Agrariërs, gesteund door machtige industrieelen als von Stumm, wilden niets van hunne privilegies ten algemeenen nutte prijs geven. Reactionnaire invloeden kregen bij den Keizer toegang. De liberale ideeën werden voorgesteld als gevaarlijke „Neuerungen”, totdat eindelijk de keizer zelf wanhoopte aan zijne idealen van klassen- en nationaliteiten verzoening en economische harmonie en met het ontslag van von Caprivi zijn „draai nam”. Het groote werk der sociale hervorming geraakte op den achtergrond, agrariërs en industrie baronnen kregen de leiding. Het protectionisme herleefde, het recht van vereeniging en vergadering werd beperkt, uitzonderingswetten ingediend en aangenomen. De drang om een volksweldoener te zijn had uigewoed bij den Keizer. Een echt Bismarckiaansche geest werd vaardig over hem en bleef het. Nuchter en praktisch zonder eenigen „Anflug” van idealisme wordt in de binnen- en buitenlandsche politiek gehandeld. Is het wonder, dat Bismarck zich daarin verheugde. Lang heeft hij zich in dat terugkeeren op eenen weg, dien hij den eenig waren achtte, niet mogen verblijden. Den 30en Juli is hij vrij onverwacht gestorven, in zijn te Stuttgart uitgegeven „Gedanken und Erinnerungen” nog een monumentaal werk van zijnen machtigen geest achterlatend.

Een eigenaardig licht op 's Keizers verhouding tot de kleine bonds vorsten wierp de Lippe-Detmold geschiedenis. Toen de regent van dit landje Ernst zu Lippe Biesterfeld meende, dat zijne kinderen door de officieren niet eerbiedig genoeg behandeld werden en hij zich daarover tot den Keizer wendde, kreeg hij van dezen het barsche antwoord „Den Regent wat den Regent toekomt” verder niets, een en ander met het verzoek voortaan een anderen toon te willen aanslaan. De regent wendde zich toen met eene klacht tot den Bondsraad. Het is bekend, dat de Keizer niet dan met wrevel zijn zwager Adolf zu Lippe Schaumburg voor Biesterfeld het veld liet ruimen, toen zulks doorden scheidsrechtelijken Koning van Saksen gelast werd.

Intusschen waren de verkiezingen voor den nieuwen Rijksdag gehouden en zooals bij de reactionnaire politiek van den Keizer te wachten was, vielen die zeer ten gunste van de sociaal-democraten uit. Toch bleef het Centrum den doorslag geven. Zoo werd met 279 van de 340 stemmen de Katholieke graaf Ballestrem tot voorzitter gekozen. Nadat de Rijksdag den 6den December met buitengewone praal door den Keizer, in tegenwoordigheid van de Keizerin, geopend was met eene troonrede waarin wel over veel zaken gesproken, maar het overlijden van den grooten kanselier niet aangeroerd werd, kwam alras aan de orde de aangekondigde leger versterking. Gevraagd worden 20,000 man en 70 millioen Mark meer dan het vorige jaar.

Scherpe kritiek werd door verscheidene Rijksdagleden uitgeoefend op het regeeringsbeleid. Vooral Eugen Richter veroordeelde buitengewoon scherp het voortdurend van hooger hand ingrijpen in de regeeringszaken. Er gebeurde, volgens hem, veel te veel dat niet verantwoord is. De ministerieele verantwoordelijkheid dient beter gehandhaafd te worden enz. Ook de socialist Bebel was over dat ingrijpen slecht te spreken. Trouwens de socialisten hebben reden over het bestuur van den Keizer ontevreden te zijn.

Ook de door Pruisen in de laatste maanden gevolgde uitzettingspolitiek en vooral de houding van Pruisen in Silezië en Noord-Sleeswijk wekte hevige ontstemming. Met Oostenrijk gaf dat reeds ernstige moeilijkheden, en met Denemarken kan dat niet uitblijven, waar b.v. voortdurend aan ouders gelast wordt hunne in Denemarkan schoolgaande kinderen terug te roepen op straffe van anders over de grenzen gezet te worden, enz. Terecht werd echter opgemerkt dat deze discussie in den Rijksdag niet op hare plaats is, daar dit eene zaak is, die alleen Pruisen aangaat.

Met de herinnering aan het aftreden van Von Köller, die 20 jaar president van den Pruisischen Landdag geweest is en thans wegens hoogen ouderdom aftrad en als zoodanig vervangen werd door Von Kröcher, stappen wij van Duitschland af, ofschoon over het deelnemen der sociaal-democraten aan de verkiezingen nog wel een en ander op te merken zou zijn.

(Wordt vervolgd).

Notes[bewerken]

  1. Zie Vragen v. d. Dag. 1898. pag. 182. Zola's Daad, door Cyriel Buysse.