Vragen van den dag/Jaargang 14/Overzicht der wereldgeschiedenis in het jaar 1898. Deel II

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Overzicht der wereldgeschiedenis in het jaar 1898. Deel II
Auteur(s) L. D. J. Reeser
Datum Januari 1899
Titel Overzicht der wereldgeschiedenis in het jaar 1898. Deel II
Tijdschrift Vragen van den dag
Brontaal Nederlands
Bron Koninklijke Bibliotheek - Tijdschriften 1850 - 1940
Auteursrecht Publiek domein
Overzicht der wereldgeschiedenis
in het jaar 1898.

door

L. D. J. Reeser.

(Vervolg van blz. 76).

_________

In Oostenrijk-Hongarije bleven de taalverordeningen en in verband daarmede de Ausgleich met Hongarije alles en allen in onrust houden.

Het vergelijk tusschen Oostenrijk en Hongarije, dat in 1867 tot stand kwam en waardoor, ondanks den tegenstand der Duitschers, het dualisme in de monarchie zijn beslag kreeg, gaf voortdurend voedsel aan de federatistische neigingen der Czechen. De Duitschers, die nog in 1807 gehoopt hadden het overwicht in de andere helft van de monarchie te kunnen handhaven zagen voortdurend hun ideaal „handhaving der eenheid” of althans van het dualisme meer in gevaar komen. Telkens als na 10 jaar het Vergelijk vernieuwd moest worden, werd de tegenkanting van Czechen en zelfs van Duitschers, die in het dualisme den oorsprong zagen van het federalisme, grooter. Toen nu in 1897 andermaal het Vergelijk vernieuwd moest worden en de Duitschers, onderling zeer verdeeld waren, daarentegen de Czechen eene krachtige oppositie vormden, besloot Badeni de hulp der Duitschers ditmaal niet te vragen, doch de Czechen er voor te winnen. Met dat doel werden toen de beruchte taalverordeningen gegeven, waardoor echter tot Badenis' groote ontsteltenis als met een tooverslag de eensgezindheid onder de twistende Duitschers hersteld was. De „coup” was mislukt. Zooals bekend is, moest Badeni voor den storm bukken. Natuurlijk koelden de Duitschers nu hun wrok niet alleen op de taalverordeningen, maar vooral op den Ausgleich, die van alles de schuld was.

Intusschen diende de regeering in Maart nieuwe taalverordeningen in, welke aan de eischen van beide partijen eenigszins tegemoet kwamen. Men schiep nl. eentalige en gemengdtalige districten. Waar minstens ¼ van de bevolking verklaarde eene andere taal te spreken dan de meerderheid, zou zulk een gemengd taaldistrict gevormd worden. Hopend daarmede den storm voor een oogenblik bezworen te hebben, trad het ministerie von Gautsch af en werd vervangen door een kabinet onder von Thun, een Duitsche Czechenvriend.

Echter bleken alras de Czechen evenmin verevensgezind als de Duitschers. In Moravië, dat tot nu toe goed Duitschgezind was, begonnen de Czechen het hoofd op te steken. In het Duitsche Brünn wilden zij eene Czechische Universiteit stichten. Met den rumoerigen burgemeester van Praag „den Deutschen fresser” aan het hoofd, trokken tal van demonstranten naar Brünn, waarbij natuurlijk vechtpartijen plaats hadden.

Toen stemming over het regeeringsvoorstel om eene talencommissie te benoemen, niets anders scheen te beloven dan rumoer en pogingen om Badeni voor de zooveelste maal in staat van beschuldiging te stellen, werd de Oostenrijksche Rijksraad vrij onverwachts gesloten.

Alras werd het duidelijk, wat de regeering in het schild voerde. Men wilde namelijk in de Hongaarsche grondwet een gelijk artikel doen opnemen als in de Oostenrijksche voorkomt, en waarbij de regeering de bevoegdheid verkrijgt in buitengewone gevallen wetten af te kondigen alleen bij Keizerlijk Besluit, zonder dat de goedkeuring der Kamers er op verkregen is. Nauwelijks werd deze toeleg in Hongarije bemerkt, of er ging een storm van verontwaardiging op. Wel had de regeering de toch al opgewonden Hongaren, die het dualisme door het niet bekrachtigen van het Vergelijk bedreigd achtten, getracht bij voorbaat gunstig te stemmen door bv. het Hental monument weg te nemen, maar alles bleek onvoldoende.

De president en de vice-president van het Hongaarsche Volkshuis legden bij wijze van protest hun ambt neer; Minister Banffy werd met scheldwoorden overladen. Deze begaf zich daarop naar den Keizer, die den schranderen staatsman de hand boven het hoofd hield. Het Volkshuis werd voor eene week verdaagd. Intusschen had de voorsteller van het gewraakte artikel, de oudminister Tisza het hard te verduren.

Aanmerkelijk kalmer kwam men echter den 17 Dec. weer bijeen. Slaagt Banffy er in het artikel te doen aannemen, dan kan de Ausgleich op buitengewone wijze tot stand komen en is het dualisme althans voorloopig gered.

Wat Oostenrijk-Hongarije betreft zij verder herinnerd aan het overlijden van Kalnocky, van 1881—'95 Rijkskanselier, die bij de invoering van het verplicht burgerlijk huwelijk moest aftreden. Hij stond bekend als een bekwaam en schrander man.

De moord op keizerin Elisabeth (10 Sept.) en het uitbreken van pest te Weenen, waarvan Dr. Muller en eene verpleegster het slachtoffer werden, liggen nog te goed in 't geheugen om er lang bij stil te staan.

Ook het 50-jarig regeeringsjubileum, dat de Keizer den 2den December onder zulke treurige omstandigheden vierde, zij slechts even aangestipt.

Frans Jozef, als vader, echtgenoot en vorst al even ongelukkig, bracht dien herinneringsdag met schoondochter en kleinkind bij zijne dochter op het slot Wallsee in stilte door. Moge de gulle lach van zijn kleindochtertje, het kind van den diepbetreurden Rudolf, een zonnestraaltje hebben geworpen in het hart van den veelbeproefden ouden man.

*
  *   *  

Van Rusland kan dit jaar niet anders dan met zeer gemengde gevoelens gesproken worden.

Men zou geneigd zijn om te jubelen en toch !

Nicolaas II, sedert 1 November 1893 Czar aller Russen, is een geheel ander man dan zijn vader. Fatalist tot in het diepst van zijne ziel, beweegt hij zich met zijne vrouw tamelijk ongedwongen en onbevreesd te midden van zijn volk. Zijne hofhouding is eenvoudig, hij zelf is een verwoed vijand van omkoopen, en geen soldatenvriend.

Het valt moeielijk zich van den zwijgenden in zichzelf gekeerden Keizer eene juiste voorstelling te maken.

Constitutioneele neigingen schijnt ook hij niet te bezitten, toch voelt hij zeer warm voor zijn volk.

Toen 28 Augustus de Keizer in „moedertje Moskou” een monument onthulde ter eere van Alexander II, sprak hij vooral langen breed over de boerenbevrijding. Ook bij andere gelegenheden toonde hij hart voor het volk te hebben.

De voornaamste raadslieden van den Keizer zijn de geleerde Bogoljepof, minister van onderwijs, Witte, minister van finantiën, Murawjew, kleinzoon van den gevreesden dictator van Wilna, sedert April 1898 definitief minister van Buitenlandsche Zaken en Kuropatkin, de hoog begaafde ex-gouverneur van Transkaspiën, een militair genie sedert Juli '98 minister van oorlog.

Over zeer grooten invloed beschikt de Keizerin-weduwe, eene zeer heerschzuchtige vrouw. Het naaste staat echter den Keizer, behalve zijne vrouw, zijn vriend en oud-reisgenoot in Oost-Azië vorst Uchtomski.

Aan dezen is het toe te schrijven, dat de Panslavistische partij tegenwoordig weinig heeft in te brengen. Niet alleen werd generaal Komarow, die in het afgeloopen jaar in Bohemen in Russische uniform ophitsende redevoeringen hield, vandaar terug geroepen, maar ook zijn blad „Swet” (Licht) beschikt niet meer over den vroegeren invloed.

Wat Rusland's politiek betreft zij opgemerkt, dat de Oostersche kwestie, die sedert 1774 de Russische politiek beheerschte, tegenwoordig meer op den achtergrond raakt en voor eene Oost-Aziatische plaats maakt. Natuurlijk blijft Rusland ook in Europa zijne belangen behoorlijk waarnemen. Met Boelgarije kwam eene verzoening tot stand door de herdooping van prins Boris tot de Grieksch orthodoxe kerk en door het bezoek van vorst Ferdinand bekrachtigd.

Met de Donau-monarchie kwam, naar men zegt, een verdrag tot stand, waarbij bepaald zou zijn, dat bij verdeeling van het Turksche Rijk Rusland Roemenië en Boelgarije zou krijgen.

In zake de candidatuur van prins George als gouverneur van Creta drong de Czar aan den Sultan zijn wil op.

Libau aan de Oostzee belooft een tweede Sebastopol te worden, het landleger wordt voortdurend verbeterd, voor vlootuitbreiding werden 90 millioen roebels beschikbaar gesteld. Een millioen soldaten kunnen op de been gebracht worden, kortom: Rusland is de grootste militaire staat van Europa, voor welks vloot ook Engeland voorzichtig moet zijn.

Juist daarom maakte het zulk eenen zonderlingen indruk, toen bij gelegenheid van het boven vermelde feest ter onthulling van het Alexander monument, een feest dat blijkens de deputaties der vreemde regimenten, waarvan Alexander II indertijd chef was geweest, een beslist militair karakter droeg, het bekende vredesmanifest van den Czar verscheen, waarin de oorlog aan den oorlog werd verklaard.

In dat manifest wordt, zooals genoeg bekend is, aangedrongen op een internationale conferentie, waarop besproken kan worden, hoe er een eind te maken is aan de voortdurend stijgende oorlogs-toerustingen, welke de volkeren ruineeren.

Al behoeft men zich omtrent de gevolgen van dit manifest geene groote illusies te scheppen, dat het gedaan werd door den machtigsten vorst van Europa, verdient toch sympathie. Al is wereldvrede vooralsnog onbereikbaar, er moeten en er kunnen toch stappen in die richting gedaan worden. Het blijft mogelijk dat de conferentie eenig practisch gevolg hebben zal.

Jammer dat de goede indruk van het manifest weer gedeeltelijk weggenomen werd door de steeds voortgaande wapening. Misschien ook was de voornaamste bedoeling Frankrijk duidelijk te toonen, dat men daar op hulp voor revanche-plannen niet rekenen moet, zooals bv. de terugroeping van den in Frankrijk halfvergoden baron von Mohrenheim reeds eene vingerwijzing in die richting was.

Een zonderlingen indruk maakte het ook, dat gelijktijdig met het verschijnen van het verlichte manifest, de streng orthodoxe Opperprocureur der Heilige Synode Pobedonoszew van den Keizer een zeer vleiend schrijven ontving, waarin deze eenig overgebleven medewerker van Alexander II eene hartelijke dankbetuiging ontving voor de tot nu toe bewezen diensten. Trouwens in Petersburg bestrijden elkaar 2 stroomingen, eene verlichte onder Uchtomski en eene bekrompen conservatieve onder Pobedonoszew. Aan tijdelijk overheerschen van deze laatste is toe te schrijven het steeds krachtiger wordend streven om Tolstoï uit Rusland te verbannen, en wat er verder voor reactionnairs geschiedt.

De goede verhouding tot Polen is dit jaar niet verstoord, vorst Imeretinski bleef gouverneur, met groote welwillendheid trad men op. Zoo werd ondanks het heftig verzet van Pobedonoszew tot invoering van het Poolsch op Poolsche gymnasia besloten, en krijgt Polen 1 Januari '99 stedelijk zelfbestuur.

Over Rusland's Aziatische politiek zal bij Oost-Azië gesproken worden.

*
  *   *  

Wat de Skandinavische rijken betreft, herinneren wij aan het streven van Denemarken, om gegarandeerde neutraliteit te verkrijgen zooals België bezit, aan de tot stand gekomen wet op verplichte verzekering tegen ongelukken, aan de staking onder de bakkers te Kopenhagen, die eenen arbeidsdag van 10 uur verlangden, en aan de overwinning, die het arbeidsscheidsgerecht behaalde in een geschil, dat zeer lang tusschen patroons en werklieden in het ijzervak gehangen had. Verder zij herinnerd aan het overlijden van koningin Louise (October), die als echte Deensche de Duitschers vurig haatte en door haar kinderen en kleinkinderen niet altijd even gunstig op de politiek van Europa gewerkt heeft.

Daar de radikalen na de verkiezingen over 78 van de 114 zetels beschikten, trad in Noorwegen het coalitie-ministerie Hagerup af en werd vervangen door een kabinet Steen. Ondanks zijn 75 jaar is de premier nog eene zeer krachtige persoonlijkheid.

Al ras werd nu tot invoering van algemeen stemrecht voor mannen boven 25 jaar besloten. Het vrouwenkiesrecht kon nog geene voldoende meerderheid verwerven.

Toen het voorstel van de meerderheid der Zweedsch-Noorsche Uniecommissie, ingesteld om de Unie tusschen beide rijken nader te regelen, in de oogen der Noren, die met eenen gemeenschappelijken minister van buitenlandsche zaken, hetzij Noor of Zweed, en een gemeenschappelijk consulaatswezen niet tevreden zijn, geen genade vond, was het reeds te vermoeden, dat de invoering van de „reine” Noorsche vlag, d. i. zonder het Unieteeken met Zweden, slechts eene kwestie van tijd zou zijn. Werkelijk werd daartoe het besluit genomen, doch de koning weigerde het tot nu toe te bekrachtigen.

Nog zij herinnerd aan de uitzending van de Swerdrup-expeditie naar N.-O. Groenland, en aan het 70jarig feest van Ibsen.

*
  *   *  

Treurige berichten kwamen er dit jaar weer uit Italië. Ook hier achteruitgang en ontaarding.

Hongersnood en ellende, nog verergerd door den Spaansch-Amerikaanschen oorlog, welke overal de graanprijzen deed stijgen, deden op verscheidene plaatsen oproeren ontstaan, het hevigst in Milaan, waar in de straten allerheftigst gevochten werd. Achter dit oproer stak echter meer; republikeinen en socialisten, die naar een bondsrepubliek streven volgens Zwitsersch model, zaten ook hier achter de schermen. Generaal Bava Beccaris wist echter den opstand te dempen. In Milaan werd de staat van beleg afgekondigd, eveneens in Florence, Genua en Napels. Het ministerie-Rudini had het naar aanleiding dier oproeren hard te verantwoorden. Reconstructie was noodig, en zoo kwam nu in 2 jaar het 5de ministerie-Rudini tot stand, nadat Rudini reeds 28 collega's heeft moeten opgeven. Hartelijk was de ontvangst van het nieuwe kabinet niet, de ontwikkeling van het program wekte slechts hilariteit. Zelfs de vrienden van Zanardelli, die bij zijn uittreden beloofd had het nieuwe kabinet te zullen steunen, lieten het ministerie in den steek. Er heerscht eene bijna hopelooze verwarring. Opvolgers kunnen zijn Zanardelli, doch deze staat bij het Hof niet in de gunst, of Sonnino, de leider der oppositie, die zich voor afschaffing van staatsmonopolies verklaarde, en de wijze van belastingheffing wilde verbeteren en verzachten. Over hoe weinig invloed Rudini beschikt, bleek, nog toen de Minister van oorlog verlof vroeg tot vervolging van 8 socialistische kamerafgevaardigden, die betrokken heetten te zijn m het oproer te Milaan. De Kamer antwoordde, dat zij den staat van beleg nog niet had goedgekeurd, en dat de aanvraag tot vervolging dus door den Minister van Justitie moest gedaan worden. Van de 67 socialisten, die Rudini had laten gevangen nemen, moest hij de meerderheid wegens gebrek aan bewijs weer ontslaan.

Te midden van de algemeene verwarring stierf de technisch hoogst bekwame minister van Marine Brin, door den koning, zijn ouden vriend, oprecht betreurd.

Nog zij herinnerd aan het gedenkfeest ter eere van de grondwet van 1848, aan het feest op 3 Maart ter eere van het 20jarig pausschap van Leo XIII, (daags te voren was de paus 88 jaar geworden), aan het gedenkfeest te Florence ter eere van Amengo Vespucci, aan dat van Toscanelli en aan de 400jarige herdenking van het martelaarschap van Savanarola, ook door Katholieken herdacht.

Verder viel in een duel, zijn 35ste, de oud-Garibaldiaan Cavalotti, een heftig tegenstander van Crispi, ook als dichter bekend. De socialisten dienden naar aanleiding van dit duel een ontwerp in, het tweegevecht betreffend.

Nog zij herinnerd aan de tijdelijke verlaging der graanrechten en aan het onderzoek naar het financieel beleid van Crispi ingesteld. Het resultaat was dat er geen termen zijn Crispi voor het Hooggerechtshof te dagen, maar dat zijn gedrag uit een staatkundig oogpunt afkeuring verdiende. Crispi legde daarop zijn mandaat als kamerlid neer, doch zag zich herkozen.

Wat de buitenlandsche politiek betreft, zij herinnerd aan het handelsverdrag tusschen Frankrijk en Italië, waardoor wanneer het werkelijk tot stand mocht komen, een betere verhouding tot Frankrijk ook in andere opzichten mogelijk wordt. Niet onmogelijk is het dat een politiek verbond tusschen Italië en Frankrijk er door tot stand komt. De triple alliantie is voor het arme Italië eene al te groote luxe.

*
  *   *  

Voor Spanje was 1898 een diep ongelukkig jaar; het verloor in eenen oorlog met Amerika bijna al zijn koloniën. Voortaan zal Spanje tot zijn gebied in Europa gereduceerd, de nog overgebleven energie kunnen en moeten aanwenden tot ontwikkeling van de natuurlijke hulpbronnen van Spanje zelf.

Doet het dat, en er zijn teekenen, die er op wijzen, dan kan uit het ongeluk van thans nog een groot geluk geboren worden.

Wij herinneren hier aan het aftreden van den Spaanschen gezant Dupuy, van wien een voor Mac Kinley beleedigenden brief onderschept en bekend gemaakt werd. Daarop volgde den 15den Februari de ramp van het Amerikaansche schip de Maine, waarbij 266 officieren en manschappen omkwamen, en een schip van eenige millioenen verloren ging. Nog altijd is niet uitgemaakt wat de oorzaak was van deze ramp. In de Unie werd de schuld aan Spanje geweten.

Tevergeefs drong Spanje op het vertrek der Amerikaansche oorlogschepen uit de Cubaanshe wateren aan. In de Unie werd intusschen eene inschrijving ten bate der Cubanen geopend. Spanje verklaarde deze financieele hulp te willen aanvaarden. Ook wilde het een wapenstilstand op Cuba invoeren, wanneer de rebellen er om vroegen.

Intusschen werden de Cubaansche Kamers bijeengeroepen, wie nog grieven had tegen de ingevoerde autonomie kon die mededeelen, zoo mogelijk zou men er dan aan tegemoet komen.

Ook werd bij de steeds grooter wordende spanning tusschen Spanje en de Unie de bemiddeling van den Paus ingeroepen. Deze ried onmiddellijke invoering van den wapenstilstand aan. Spanje was ook daartoe bereid. Intusschen opende men nationale inschrijvingen om de vloot uit te breiden en bereidde men zich tot tegenweer voor. Van de zijde der mogendheden werd te kennen gegeven, dat men neutraal zou blijven. Bondgenooten waren er voor het arme Spanje niet. „Het moest nu zelf het bier maar opslokken dat het gebrouwen had” zooals Jacobus van Schotland eenmaal van zijne moeder Maria Stuart, zeide.

Den 11den April volgde de Boodschap van Mac Kinley aan het Congres, waarbij de President „machtiging verzocht een zoodanig gebruik te mogen maken van de Amerikaansche gewapende macht, als de President noodig oordeelde om de vijandelijkheden op Cuba te doen ophouden en de vestiging van een krachtig bewind te verzekeren.”

„Gedenk de Maine” was het wachtwoord.

Senaat en Huis van Afgevaardigden werden het eens over het op de Boodschap te geven antwoord. De President verkreeg de gevraagde machtiging. Vrijmaking van Cuba, niet de souvereiniteit was doel.

20 April werden de resoluties van het Congres met het ultimatum Cuba vrij te laten aan Spanje verzonden. De Spaansche gezant verliet daarop Washington, en daags daarna, 21 April, toen de Spaansche regeering geweigerd had het ultimatum te ontvangen, verliet de Amerikaansche gezant Madrid. De oorlog was begonnen. Het zal niet noodig zijn dezen nog eens in het geheugen terug te roepen. Het is algemeen bekend, dat Spanje eerst bij de Philippijnen en later bij Cuba, na den meesterlijken overtocht van Cervera's eskader, een paar verpletterende nederlagen leed. Met waren heldenmoed werd door de Spanjaarden gestreden. Ook de Amerikanen, van welke men bij het begin van den krijg weinig verwachting had, vielen zeer mee. Vermeld zij nog, dat Noord-Amerika en Spanje, die beide het Parijsche zeevaart-verdrag van 1856 niet onderteekend hadden, zich in zooverre bij de bepalingen er van aansloten, dat koopwaar onder neutrale vlag en onzijdige koopwaar onder vijandelijke vlag geëerbiedigd werden; helaas de kaapvaart, een der schandelijkste gebruiken van den zeeoorlog, bleef gehandhaafd. Het ware te wenschen, dat ook op zee het eigendom van niet vechtenden geëerbiedigd werd, zooals dat bij een landoorlog het geval is, waarbij roof en plundering van vijanden ten strengste verboden is.

Na den val van Santiago was voor Spanje het oogenblik van vredesluiten gekomen. De voorloopige vrede bepaalde den afstand van Cuba en Porto-Rico en behield de kwestie der Philippijnen voor tot de definitieve regeling. (10 Aug.) Zooals bekend is kwam Amerika later met den eisch voor den dag tot geheelen afstand van de Philippijnen. Er werd 20 millioen dollars schadevergoeding geboden en of het wilde of niet, het reeds zoo diep vernederde Spanje moest ook dezen kaakslag van de Amerikaansche parvenus gewillig toelaten. Zoo kwam dan eindelijk 10 December de vrede te Parijs tot stand.

Eenige dagen later werd het stoffelijk overschot van Columbus naar de oude wereld teruggebracht, droevig, symbool van vroegere grootheid. Instinctmatig beseften de vrouwen in Granada, die Columbus standbeeld met steenen wierpen, dat deze man, zonder er zich ook maar in het minst van bewust te zijn, de eerste bewerker van Spanje's tegenwoordige ellende is geweest. Wat voor boden van grootheid en geluk schenen te zijn, was slechts oorzaak van ellende, niet alleen voor Spanje, maar ook voor hen; die door Columbus nieuwe meesters kregen.

Het is bekend, hoe tijdens den oorlog in Spanje zelf gevaarlijke woelingen ontstonden. Republikeinen, Carlisten, Separisten zooals de Catalanen, staken het hoofd op. Doch ten onrechte riep de republikein Nella in de Cortesvergadering uit: „Wee het land dat door vrouwen en kinderen geregeerd wordt,” want de koningin-regentes van Spanje munt uit door toewijding en plichtsbesef. Niet zij is verantwoordelijk voor de rampen die Spanje treffen. Laten de Spanjaarden de hand in eigen boezem steken, mogelijk dat Spanje dan nog eene schoone toekomst tegemoet gaat. Tot nu toe kwamen ons slechts teekenen van ontaarding ter oore, ontaarding ten minste in de hoogste kringen van Spanje. Het Spaansche volk zelf beschikt nog over eene goede dosis levenskracht en energie. Men zal echter moeten komen tot grooter decentralisatie, veel beter onderwijs en tot zeer strenge controle der ambtenaren, want de corruptie onder deze is voor Spanje een vloek.

*
  *   *  

Van Portugal valt ook dit jaar niet veel te melden, liet voornaamste is de herdenking van het vinden van den zeeweg naar Indië door Vasco da Gama. Natuurlijk liet ook ons land, dat van die ontdekking op zoo eigenaardige wijze geprofiteerd heeft, zich bij die feesten vertegenwoordigen. Een oorlogsschip werd er heen gezonden, welks commandant een zilveren lauwerkrans met bijbehoorend album in tegenwoordigheid van den Koning aan de Sociedade de Geographia aanbood.

Verder werd door den koning op 26 September te Lissabon een perscongres geopend, dat echter vrij onbeduidend schijnt geweest te zijn.

*
  *   *  

Boelgarije verzoende zich zooals boven reeds opgemerkt werd met Rusland, ook de officieren, die indertijd deelgenomen hadden aan de samenzwering tegen Alexander van Battenberg, kregen verlof naar Boelgarije terug te keeren. Zij werden echter niet met open armen ontvangen, zoodat sommige naar Rusland terugkeerden.

Oostenrijk, dat eerst wat ontstemd was over den herdoop van prins Boris gaf zich al spoedig weer gewonnen.

De verzoening met Rusland bracht ook eene betere verhouding tot Turkije tot stand. De bisschoppen van Monastir, Dibré en Stroumitza kunnen nu weer rustig met het boelgariseeren van Turksch Macedonië voortgaan. Opgemerkt zij nog hoe Boelgarije sedert 1894 bestendig vooruitgaat. Waar vroeger 6% voor een leening gegeven moest worden, kon men nu reeds tegen 5% geld krijgen.

*
  *   *  

Sterk vooruitgaande is ook Roemenië, dat sedert de laatste 10 jaar voor ruim ƒ23 millioen meer in- en voor ruim 59 milloen gulden meer uitvoerde. De invoer geschiedt hoofdzakelijk uit Duitschland, Oostenrijk, Hongarije en Engeland, terwijl de uitvoer vooral naar Engeland en België geschiedt en wel ieder voor ⅓.

*
  *   *  

Treurige toestanden gaf Servië te aanschouwen, waar Milan opperbevelhebber van het leger werd, en eene soort dictatuur invoerde. Liberalen en radikalen hebben het hard te verantwoorden. De begrooting werd eenvoudig afgekondigd, het recht van vereeniging en vergadering gedeeltelijk opgeheven. Pachitsch, leider der radikalen, werd gevangen gezet.

*
  *   *  

Griekenland, dat mede een treurig staaltje levert van ontaarding, zag den 27 Februari een aanslag plegen op den koning. Gelukkig dat de schoten den koning, die groote onverschrokkenheid toonde, niet troffen. Twee van de daders Karditzi en Kuriakos werden gevat en ter dood gebracht. De populariteit van den koning, die door den ongelukkigen oorlog zeer gedaald was, steeg door dezen aanslag aanmerkelijk, zoodat het plan om af te treden opgegeven werd.

Van groot belang was het door Frankrijk, Engeland en Rusland waarborgen der nieuwe leening van 120 millioen die tot afdoening der oorlogsschatting enz. noodig was. Daaraan is het te danken, dat het geld zonder veel moeite bijeenkwam. Een maand na de betaling der verschuldigde schatting, op 17 Juni werd toen Thessalië door de Turksche troepen ontruimd. Het vredesverdragvan TopHané is dus door de Porte merkwaardig eerlijk uitgevoerd. Het vervoer der troepen was buitengewoon geregeld en snel. De aanvoerder Edhem Pacha, die men uit vrees voor woelingen der Jong-Turksche partij liefst uit Constantinopel had gehouden, mocht in alle stilte den Sultan zijne opwachting komen maken. Den titel van Ghazi = overwinnaar, waarop de dappere Edhem recht heeft, kreeg hij echter niet uit vrees dat zijn aanzien bij het volk clan tot eene voor den Sultan zelf gevaarlijke hoogte, zou stijgen.

In December werd eindelijk na lange onderhandeling prins George gouverneur van Creta. Dit brengt ons tot het Turksche Rijk zelve.

*
  *   *  

Boven werd reeds opgemerkt hoe tijdens het verblijf van Keizer Wilhelm II te Constantinopel van den Sultan de ontruiming van Creta werd afgeperst, Engeland, dat toen juist bezig was wraak te nemen over het vermoorden van eenige Engelsche matrozen op Creta, liet zelfs op den dag van des keizer's intocht weten, dat het juist 6 van de belhamels had opgeknoopt en dat met de rest geleidelijk zou worden voortgegaan.

Zooals bekend is, moest de Sultan ten slotte zijn tegenstand tegen de candidatuur van prins George ook laten vallen.

Creta blijft, blijkens de Turksche vlag die nog op een enkel punt blijft waaien, officieel tot Turkije behooren.

Of prins George erin slagen zal de orde en rust op Creta, tusschen eene uit Christenen en Mohammedanen bestaande bevolking, te handhaven is eene vraag, die de toekomst zal moeten beantwoorden.

Aan Turkije zal het niet liggen, als hij er in slaagt.

*
  *   *  

Zwitserland, dat anders in Europa zoo weinig van zich hooren laat, werd een oogenblik in beroering gebracht door den te Genève gepleegden moord op keizerin Elisabeth, die ten gevolge had dat verscheidene anarchisten het land uitgezet werden. Wat dit optreden der anarchisten betreft, zij nog even herinnerd aan de internationale conferentie, die in December te Rome over het anarchisme gehouden werd en waarvan de resultaten nog niet bekend zijn.

In Zwitserland werd verder bij volksstemming tot naasting van de spoorwegen door den Staat besloten.

Verder wordt er een tabaksmonopolie voorgesteld, welks opbrengst dienen moet voor verzekering tegen ziekte en ongevallen, een idee dat navolging verdient.

Tot president der republiek van het jaar 1899 werd gekozen de heer Muller uit Bern.

*
  *   *  

Wat België betreft zij herinnerd aan de aanneming van de wet Coremans de Vriendt, waarbij het Vlaamsch officieel gelijk gesteld wordt met het Fransch, aan de oprichting van het „Algemeen Nederlandsch Verbond” dat handhaving en verspreiding van den Nederlandschen taalstam beoogt en ook in ons land vele afdeelingen telt, en aan het overlijden van Prof. Willems, den grooten voorstander der Vlaamsche beweging.

Verder zij opgemerkt dat op het arbeiderscongres te Verviers, na heftige oppositie besloten werd dat de socialistische afgevaardigden in de Kamer hunne 4000 francs presentiegeld mochten behouden, en niet langer 1000 frs. in de partijkas behoefden te storten. De discussie wierp geen schitterend licht op de opofferingsgezindheid dier afgevaardigden.

*
  *   *  

Wat Nederland betreft, herinneren wij aan de regeeringsaanvaarding van de Koningin op 31 Augustus, aan den intocht van de jonge Koningin in de hoofdstad, aan de Inhuldiging in de Nieuwe Kerk, kortom aan die reeks van schitterende feesten, welke ditmaal door ons volk in alle opzichten waardig werden medegevierd. Van de gevoelens omtrent het koningschap en Hare Majesteit de Koningin gaf dit tijdschrift door een extra-nummer in het afgeloopen jaar blijk.

Wij herinneren, wat het terrein van den arbeid aangaat, aan het omzetten van de firma W. J. v. d. Boor in eene naamlooze vennootschap, waarbij de arbeiders 15 % van de winst krijgen, aan het in werking treden van de wet op de kamers van arbeid, aan eene schenking van een lid der firma Lippmann Bosenthal & Comp., van ƒ100.000 voor het pensioenfonds van het personeel, aan het 25jarig feest van de stoomwasscherij der Gebrs. Palthe te Almeloo, bij welke gelegenheid het ziekenfonds uitgebreid werd tot weduwen, weezen en invaliede werklieden. Verder zij herinnerd aan het plan van de firma van Houten & Co. om te Weesp een groot park te stichten met 500 arbeiderswoningen, school, leeszaal, enz., enz. Ook zij in dit verband gewezen op het adres, dat het Hoofdbestuur van het Nut aan de regeering zond, betreffende de wijziging in de belegging der Postspaarbankgelden. Gevraagd wordt, dat die gelden voor een deel tegen matige rente en onder hypothecairen waarborg gegeven zullen worden aan vereenigingen, die zich het bouwen van goedkoope en gezonde arbeiderswoningen ten doel stellen. Door het bestuur van Liefdadigheid naar Vermogen werd aangedrongen op eene spoedige herziening der Armenwet; daarmede is een punt aangeroerd, dat vóór alles behandeling vraagt en van grooter en dringender belang is dan onze geheele nationale verdediging en nog wat.

Merkwaardig was het aftreden van Domela Nieuwenhuis als redacteur van „Recht voor Allen”. Twintig jaar heeft hij, zooals hij zelf zeide, „de klok geluid,” hij is de vader van het Nederlandsche socialisme. Als redacteur van een nieuw blad en eene nieuwe richting trad hij in den loop van het jaar op, doch slechts betrekkelijk weinigen hebben hem gevolgd.

Uit de wetgeving blijkt eenige tegemoetkoming aan den nieuwen tijdgeest. Ingediend werd een ontwerp tot betere regeling van de rechten der onwettige kinderen, tot beperking van de ouderlijke macht, tot nadere regeling van de arbeids- en rusttijd in fabrieken, ten behoeve van die werklieden, welke door de tegenwoordige wet nog niet voldoende beschermd worden. Aangenomen werd verder met 72 tegen 20 stemmen het ontwerp regelend de afschaffing der plaatsvervanging. Tegen stemden van de anti-revolutionairen alleen de heer van Dedem; van de katholieken, die vòòr hunne geestelijken vrijstelling kregen, alleen Dr. Schaepman voor.

Ingediend werd verder een ontwerp betreffend leerplicht, hetwelk, naar wij hopen, spoedig tot wet zal verheven worden.

Aangenomen werd verder nog eene rijwielbelasting, die 1 Januari in werking treedt.

De nieuwe zitting van de Staten-Generaal werd den 20 September door de jonge Koningin in persoon geopend, met een troonrede, waarin aangekondigd werden een ontwerp tot verbetering der woningtoestanden, tot het tegengaan van overmatigen arbeid in fabrieken (zie boven), tot herziening der drankwet, tot verbetering van de bestuursinrichting in N.-Indië enz. Een der eerste wetsontwerpen, die in behandeling kwamen, was de nieuwe Indische mijnwet, bij welker verdediging de Minister van Koloniën de Kamer door eenen deskundige, nl. Mr. Loudon, liet voorlichten. De motie van den heer van Kol, om de exploitatie door den Staat te doen geschieden, werd met 57 tegen 11 stemmen verworpen. Toen het aandeel van den Staat in de te behalen winsten aan de orde kwam, diende de heer van Kol een amendement in, hetwelk de Kamer van zoover strekkende gevolgen oordeelde, dat de mijnwet andermaal in de sectievergaderingen werd gebracht.

Het indienen van de begrooting leverde eene zeer onaangename verrassing op. De minister rekende op een tekort van 12 millioen, dat te dekken zou zijn o.a. door verhooging van den accijns op wijn met ƒ 5 en van dien op gedistilleerd met ƒ2. Velen zijn daar tegen, niet het minst de geheelonthouders, die het belang van de schatkist bij de drinkgewoonte niet gaarne nog inniger zien worden.

De vrouwenbeweging vierde in 1898 met de opening en het succes van de Tentoonstelling voor Vrouwenarbeid hoogtij. De gewichtigste vraagstukken van den dag werden in de Congreszaal door vrouwen besproken. Als het nog noodig was, dan is op deze tentoonstelling door vrouwen op touw gezet en tot stand gebracht, het goed recht van de vrouw bewezen.

Wij herinneren verder nog aan eenige congressen, die in het afgeloopen jaar gehouden werden, nl. dat over de openbare gezondheidsregeling, waarbij vooral schoolhygiène, volkshuisvesting en watervoorziening ter sprake kwamen, het kerkelijk congres, het Philologen congres (13 en 14 April), en het Katholieke congres tot bestrijding van het drankmisbruik. Wat dit laatste betreft, mag in dit verband niet vergeten worden, hoe verschillende drankbestrijdersvereenigingen, tezamen tot een bedrag van ƒ 10.000 subsidie kregen van de regeering. Het aantal drankbestrijders in ons land bedraagt thans, met inbegrip van de 4200 leden van den Volksbond, ruim 25000, bijna allen geheelonthouders.

Wij mogen van Nederland niet afstappen zonder herinnerd te hebben hoe de zaak Hoogerhuizen aan de orde bleef, ondanks het door den Officier van Justitie openbaar gemaakte stuk, en hoe de socialisten zich van deze zaak meester maakten. Mogelijk dat het door de heeren Harte c.s. ingediend ontwerp tot nadere regeling der revisie van strafvonnissen, eene herziening van het gevelde vonnis bespoedigen zal.

Wij besluiten ons overzicht van Nederland niet de herinnering aan de schoone daad van H. M. de Koningin-Weduwe, die niet alleen, haar buitenverblijf Oranje-Nassau, maar ook de door het volk als een huldeblijk voor haar bijeengebrachte ƒ300.000 afstond tot vorming van een asyl voor onvermogende teringlijders. Zulke daden versterken den band tusschen vorstenhuis en volk.

Nog een enkel woord over de werelddeelen.

*
  *   *  

Wat Amerika betreft staan wij eerst een oogenbhk stil bij de Vereenigde Staten. Bij Spanje werd reeds een en ander gezegd over den oorlog, daarover dus thans niet. Opgemerkt zij dat het verwerven der Philippijnen eigenlijk het meest karakteristieke van dien vrede is. Porto-Rico lag tenminste nog in de Amerikaansche wateren en dicht bij het groote Staten-complex. Met het verwerven dezer bezitting is de politiek voortgezet, welke met de annexatie der Hawai-eilanden was begonnen. Ook de Unie wil dicht bij Oost-Azië een steunpunt hebben, van waar het den gang van zaken van nabij kan gadeslaan. Ongetwijfeld is de verwerving der Philippijnen van verreikende strekking, de Unie verliest het onaantastbare van zijne positie, die het met Rusland gemeen had, zal diensvolgens eene groote vloot en een groot leger moeten hebben, (er werd reeds gesproken van 100.000 man) Het beheer over de tallooze, ten deele nog geheel onbekende eilanden, bewoond door menschen, die onder Aguinaldo naar eene zelfstandige republiek streven, zal de schuldenlast van Amerika aanmerkelijk doen toenemen. Doch dit alles weegt volgens de meening der machthebbenden klaarblijkelijk niet op tegen de voordeelen, en ten slotte gaf misschien ook wel de meening dat anders Engeland of Japan toch binnen kort beslag zouden leggen op de eilandengroep, den doorslag. De oorlog met zijne gevolgen is intusschen eene goede afleiding voor de zilverkwestie. Sommigen meenen, dat de republikeinen met een imperialistisch program willen optreden, en dat de bedoeling van de annexaties vooral zou geweest zijn het Amerikaansche handelsgebied, behoorlijk door eenen gordel van invoerrechten omsloten, uit te breiden zoover dat op aarde maar mogelijk is.

Wat de verkiezingen betreft zij opgemerkt, dat de republikeinen, door het bekend worden van knoeierijen bij den oorlog, eene minder groote overwinning behaalden dan verwacht werd.

Vermeld zij nog dat er in het afgeloopen jaar ook weer eene botsing ontstond met de Indianen, die na hardnekkigen strijd onderworpen werden. Steeds kleiner wordt het terrein, waarop zij samengedrongen worden. Ongelukkig de volkeren, die met de almachtige beschaving in strijd komen!

Ook zij er hier nog even op gewezen hoe door de annexatie der Philippijnen doorgraving van de Midden-Amerikaansche landengte dringender is geworden dan ooit. Reeds diende de President een voorstel in tot het graven van het Nicaragua-kanaal van gouvernementswege, op grond van eene vroeger verkregen concessie.

*
  *   *  

Van de Zuid-Amerikaansche Republieken valt weinig bijzonders mede te deelen. Alleen zij herinnerd aan het gelukkig afgewende oorlogsgevaar tusschen Chili en Argentinië. In Venezuela werd Andrade president, in Brazilië Campos Salles en in Uruguay Cuestas.

De grenskwestie tusschen Brazilië en Fransch Guyana die reeds van 1730 dagteekent werd aan een scheidsgerecht onderworpen.

*
  *   *  

Wat Zuid-Afrika betreft, zij herinnerd aan de herkiezing van Paul Krüger met 12765 stemmen tegen Schalk Burger 3716, en Joubert 1943, aan het ontslag van den opperrechter Kotzé en de daardoor verwekte beroering, aan de benoeming van Dr. Leyds tot vertegenwoordiger in Europa, aan de kwestie met Engeland over de suzereiniteit, en aan de moeielijkheden met de Swazies.

In de Kaap Kolonie behaalde de Afrikaander-bond bij de verkiezingen eene overwinning op de partij der Progressisten waarvan Rhodes het hoofd is. Ofschoon de meerderheid slechts 1 stem bedroeg, trad het ministerie Sprigg af en kwam er een kabinet Schreiner, dat vriendschappelijke samenwerking met de naburen wil. Wanneer de Kaffers, die de imperialisten steunden, niet mede gestemd hadden, zou de overwinning van den Afrikaander bond aanmerkelijk grooter geweest zijn.

Opgemerkt zij nog dat Rhodesia in 1898 eene afzonderlijke kolonie werd en de Chartered Company onder meerdere controle der Engelsche regeering kwam.

*
  *   *  

Wat Noord en Midden Afrika betreft, zij herinnerd aan het succes der Britten in Soedan, aan den slag bij Omdurman, de herovering van Khartoem, en aan de Fashoda kwestie. Deze had bijna een oorlog met Frankrijk tengevolge, en deed het streven der Franschen om hun gebied aan de Midden-Congo in verbinding te brengen met de Nijl en met Obok aan de Roode zee voorloopig mislukken.

Een Engelsch bondgenootschap met Abessynie zal nu wel niet uitblijven. Men meene niet dat de Britten, na hunne taak thans vervuld te hebben, Egypte zullen ontruimen, integendeel zij hebben thans eenen nieuwen „rechtsgrond” te meer aan te voeren.

*
  *   *  

Wat Azië betreft concentreert zich natuurlijk alle belangstelling op het Oosten, al blijven ook terreinen als Syrië (zie boven) en Perzië veel aandacht trekken. Zoo wist Engeland b. v. het bestuur der tolkantoren te Abuschir, invoerhaven van Perzië, in Engelsche handen te brengen.

In Oost-Azië pachtte (zie boven) Duitschland Kiaotschou, Rusland Port-Arthur, Engeland Wei-hai-Wei en Frankrijk een golf bij Tonkin.

Alles overheerschend is er de invloed van Rusland, dat in Mantschoerije 15000 man heeft, druk spoorwegen aanlegt, op Korea heer en meester is, doordat Russen er de troepen drillen, en een Rus adviseur voor financiën is, zonder wiens voorkennis geene enkele financieele daad ondernomen mag worden.

Eene poging van Engeland om met China eene leening te sluiten, tegen belofte van China spoorwegen te mogen aanleggen van Birma naar Junnan, 2en geen deel van de Jangtse-Kiang vallei te zullen vervreemden en 3en tegen openstelling van 3 nieuwe havens, mislukte, waarschijnlijk door Russische tegenwerking, geheel. De leening werd toen aangegaan met Engelsche en Duitsche Bankinstellingen.

Herinnerd zij verder aan het veld winnen van de Belgen op handelsgebied. In China gaat België een schoone toekomst te gemoet. Ook voor ons zou er een schoone toekomst zijn, als de oude ondernemingsgeest weer ontwaakte.

Van Japan, dat met geldgebrek te worstelen heeft, valt dit jaar weinig te vermelden. Opmerkelijk is de snelheid, waarmede dit land Europeesche gebruiken enz. overneemt, tot zelfs de arbeiders-organisatie begint er krachtig door te dringen.

Wat China betreft zij nog herinnerd aan de afzetting? van den Keizer, toen deze onder invloed van Prins Kang in zijne hervormingen wat al te snel en ondoordacht te werk ging. De Keizerin-tante eene zeer energieke vrouw nam het bestuur in handen, blijkens de opheffing van alle couranten, nu juist niet in vrijzinnigen geest.

*
  *   *  

Wat Nederlandsch-Indië betreft zij herinnerd aan het aftreden van kolonel G. P. van Vliet als gouverneur van Atjeh, en diens vervanging door kolonel van Heutz. De Pedir-expeditie die onder zijne leiding begonnen werd, had een schitterend verloop en zal ons gezag in Noord-Atjeh aanmerkelijk versterken.

Eene groote ontsteltenis veroorzaakte in begin Januari het bekend worden van de groote ramp op Ambon, waar door eene aardbeving de geheele stad vernield werd en velen omkwamen. Pijnlijk was ook het bekend worden, dat de 15 millioen gulden, die voor verbetering en irrigatie in de Solo-vallei waren uitgegeven, door gemaakte fouten waarschijnlijk te vergeefs waren uitgegeven. Intusschen is deze zaak nog in onderzoek.

Zeer trokken ook de aandacht de panislamitische woelingen in onze Oost, die van uit Constantinopel worden aangestookt. Men hoopt daar den Sultan in waarheid tot beheerscher aller geloovigen te maken, iets wat hij nu slechts in naam is. Met dat doel wordt de bevolking opgehitst en worden jonge Arabieren te Constantinopel opgevoed, om na eenen wilden haat tegen de Christenen te hebben ingezogen, naar Indië te worden teruggezonden. Onder deze omstandigheden was ook het bezoek van den Sultan van Siak, op zijne terugreis aan Constantinopel gebracht, niet zonder eenige bedenking. Intusschen de Indische regeering is gewaarschuwd en zij dus op haar hoede. (Zie Vragen v. d. Dag 1898 pag. 625).

Amsterdam, 21 Dec. '98