Album der Natuur/1852/De Europeesche Meerval, Lubach

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
De Europeesche Meerval (1852) van Douwe Lubach
'De Europeesche Meerval' werd gepubliceerd in Album der Natuur (eerste jaargang (1852), pp. 209–213. Dit werk is in het publieke domein.


[ 231 ]
 

DE EUROPEESCHE MEERVAL.

 

 

Er bestaat eene soort van visch, die in ons vaderland bij uitsluiting in het Haarlemmermeer wordt aangetroffen, en die dus met de droogmaking van dat meer geheel uit de lijst onzer inlandsche visschen zal wegvallen, of denkelijk reeds weggevallen is. De beperkte grenzen, binnen welke hij hier te lande voorkomt, en de omstandigheid, dat hij ook binnen die grenzen nooit overvloedig aangetroffen werd, hebben veroorzaakt dat hij over het algemeen bij onze landgenooten zeer weinig bekend is. De meesten zelfs van hen, die in de nabijheid van het genoemde meer wonen, hebben misschien den naam van dat dier nimmer gehoord, en ik heb er onder hen gevonden, die het aanwezen van eenen zoo grooten zoetwatervisch in den in hunne nabuurschap gelegen waterplas naauwelijks konden gelooven. Om dit alles meende ik, dat eene korte beschouwing van denzelven in ons Album niet ongepast zoude zijn.

De visch, dien ik bedoel, is de Europeesche Meerval (Silurus glanis), bij de Duitschers Wels of Scheid, bij de Zwitsers Saluth, bij de Zweden Mål genaamd. Hij is, met den steur, de grootste zoetwatervisch van Europa, bereikende hij eene lengte van één tot meer dan vier Ned. Ellen, en een gewigt van 6 tot 50 ponden meer. Hij behoort tot de orde der Weekvinnige visschen (Malacopterygii, wier hoofdkenmerk bestaat in de weekheid der geleedde en naar de punt toe meestal gespletene vinstralen), en wel tot de afdeeling dier orde, welke gekenmerkt wordt door buikvinnen, die achter de borstvinnen gelegen zijn (Malacopterygii abdominales).[1]

[ 232 ] Het lijf van den Meerval is langwerpig van vorm, van voren breed, met een kleinen buik en een langen staart.

Albumdernatuur52-53 0234.png

De kop is groot, breed en plat; de oogen zijn zeer klein. Beide de kaken zijn gewapend met digt bijeenstaande borstelige tanden, en bovendien bespeurt men nog eene rij tanden in het gehemelte. Aan de bovenkaak bevinden zich twee zeer lange baarddraden; aan de onderkaak, die langer dan de bovenkaak is, vier kortere. De eerste straal van elke borstvin vormt eene soort van stekel, welken het dier oprigten, of tegen het lijf leggen kan; aan de bijzonder kleine, vóór op den rug geplaatste rugvin bespeurt men zulk eenen stekel niet, gelijk anders bij vele andere soorten van het geslacht Silurus het geval is. De aarsvin is zeer lang, en vereenigt zich aan het uiteinde van den staart met de staartvin, welke laatste eene afgeronde gedaante heeft. In onze afbeelding is dat inéénloopen van de aars- en staartvin niet genoeg uitgedrukt; het schijnt evenwel, alsof er exemplaren van den Meerval gevangen zijn, bij welke dat niet zoo duidelijk te bespeuren was. Men zou dit althans besluiten uit de afbeelding die bloch geleverd heeft,—uit de uitdrukking van lacépède, "dat de aarsvin van den Meerval somtijds met de staartvin schijnt ineen te loepen"—en uit die van cuvier, "dat de zeer lange aarsvin tot digt bij de staartvin loopt." Valenciennes en anderen geven echter het inéénloopen dier beide vinnen als een standvastig kenmerk op, en bij de exemplaren, die ik gezien heb, was het altijd duidelijk aanwezig. De huid van den Meerval is niet met schubben bedekt, maar geheel naakt, week en slijmig. De kleur der huid is op den rug olijfbruin of zwartgroen, op de zijden lichter, aan den buik geel of witachtig, en overal gemarmerd met donkere wolkachtige vlekken. De onderlip is rood. Op de basis der [ 233 ] vinnen bespeurt men eene breede bruine vlek, omgeven van een bleeken kring; de aarsvin is geheel bruin.

De beschrevene visch is de eenige in Europa levende soort van het geslacht, en zelfs van de geheele familie, waartoe hij behoort; alle de overige soorten behooren alleen in Azië te huis. Hij wordt echter geenszins overal in Europa aangetroffen, want aan de overzijde van den Rijn, in België, Frankrijk en Spanje, gelijk mede in Engeland en Italië is hij geheel onbekend. Hij leeft alleen in groote rivieren, maar vooral in meeren, hetgeen niet te verwonderen is, wanneer men zijne grootte in aanmerking neemt. In Zweden en Noorwegen, in westelijk Duitschland, in enkele meeren van Zwitserland, b.v. in dat van Morat en Neufchâtel, treft men hem, doch slechts in geringe hoeveelheid, aan. Meer oostwaarts, in de landen, die door den Donau, de Elbe, en den Weichsel bespoeld worden, komt hij menigvuldiger voor, en wel des te menigvuldiger, hoe verder men oostwaarts komt, wordende hij in de groote rivieren van Rusland, in de Kaspische zee en de daaromtrent gelegene kleinere meeren, gelijk ook in verschillende gedeelten van westelijk Azië in grooten overvloed gevonden. Daarentegen ontbreekt hij geheel in alle rivieren van Siberië, die zich in de IJszee uitstorten.

De bijzondere voorwaarden, waaraan het leven en de voortplanting van den Meerval onderworpen zijn, zijn ons niet genoegzaam bekend. Kenden wij ze, dan zouden wij kunnen verklaren, waarom hij niet gevonden wordt in de ten zuiden en ten westen van den Rijn, of ten zuiden van de Alpen gelegene landen; waarom hij in het westelijk gedeelte van Duitschland, waar hij toch ook blijkt te kunnen leven, zich niet zoo sterk vermenigvuldigt, als verder oostwaarts; waarom hij wél in het Haarlemmermeer gevonden werd, maar niet in de stroomen, die middelijk of onmiddelijk met dat meer gemeenschap oefenen; waarom men hem in sommige Zwitsersche meeren vangt, terwijl hij in andere niet schijnt te kunnen leven. In 1601 ving men een' kleinen Meerval in het meer der Vier kantons of der Vier woudsteden, en bragt hem naar Lucern, waar niemand hem kende; later heeft men daar nooit weer eenen bespeurd. Tegen het [ 234 ] einde der zeventiende eeuw werden er eenigen in het meer van Zurich geworpen; zij hebben zich er echter niet voortgeplant en waren spoedig verdwenen.

De Meerval leeft voornamelijk van andere visschen, waarvan hij eene menigte verslindt; ook watervogels zijn voor zijne vraatzucht niet zeker. Men vindt zelfs aangeteekend, dat den derden Julij 1700 een boer er eenen ving in den Weichsel bij Thorn, in wiens maag een klein kind gevonden werd, en in Hongarije spreekt men van kinderen en jonge meisjes, die bij het water halen door dezen roofzieken visch aangegrepen en verslonden zouden zijn; zelfs verhaalt men daar, dat een arme visscher aan de Turksche grenzen eens eenen Meerval ving, in welken door hem het lijk eener vrouw met eene beurs vol goud en eenen ring gevonden werd. Al nemen wij nu alle deze en dergelijke verhalen niet voor zuivere waarheid aan, zoo mogen wij er toch uit besluiten, dat de groote vraatzucht van den Meerval eene algemeen erkende daadzaak is in die streken, waar hij in de grootste hoeveelheid gevonden wordt, en dat hij op alles aanvalt, waartegen hij zich opgewassen gevoelt. Een geluk is het, dat hij vrij traag is, en slechts langzaam zwemt. Hij kan daarom zijne meestal veel vluggere prooi niet vervolgen, en moet het dus op eene andere wijze aanleggen om zijnen altijd sterken eetlust te voldoen. Hij houdt zich daarom meestal op aan den ingang van bogten, en aan den mond der wateren, die uitloopen in het meer of de rivier, waarin hij leeft, op welke plaatsen hij zeker is eene ruime vangst te zullen hebben. Daar ligt hij op den bodem, half in het slijk bedolven, op den loer, en wordt, zoo men gelooft, van de nabijheid eener prooi verwittigd door de beweging, die door deze aan het water, en door het water aan zijne baarddraden medegedeeld wordt. Men zegt ook wel, dat hij buitendien, door die draden zachtjes te bewegen, de visschen tot zich lokt, die deze draden voor wormen aanzien. Wat daarvan zij, durf ik niet beslissen; het komt mij voor, dat dergelijke verzekeringen meer berusten op veronderstellingen, dan op waarnemingen, welke laatste hier uit den aard der zaak moeijelijk te maken zijn. Minder waarde nog heeft men te hechten aan het beweren van gmelin [ 235 ] dat de Meerval op overstroomde landen met zijnen staart de vruchten van de boomen schudt en de jonge vogeltjes uit die boomen naar beneden doet tuimelen, om ze vervolgens te verslinden.

Houdt de Meerval zich doorgaans in de diepte op, bij stormweêr komt hij aan de oppervlakte, en wordt dan niet zelden door de golven, tegen wier geweld hij moeijelijk schijnt te kunnen kampen, op het strand geworpen.

In het oostelijk gedeelte van Europa vangt men den Meerval in menigte, en hij wordt daar veel tot spijs gebruikt. De smaak van het witte vleesch, door velen met dien van ossenvleesch, van kalfsvleesch, van aal vergeleken, moet de meeste overeenkomst hebben met dien van slechten zalm; de ouderdom van het dier zal hier wel verschil maken, daar ik vind, dat het vleesch van een kleinen jongen Meerval als smakelijk geroemd wordt, terwijl dat der ouden en grooten zeer grof en onsmakelijk is. In Hongarije en Rusland vooral maakt men er veel gebruik van, en in Hongarije droogen de Raitzen (een der oorspronkelijke volksstammen des lands) het als spek. Het vet wordt als olie voor lampen gebruikt, en uit de zwemblaas vervaardigt men eene zeer goede lijm. De Russische en Tartaarsche boeren gebruiken de gedroogde huid, die vrij doorschijnend is, in plaats van vensterglazen.

Zooveel wenschte ik over den Meerval mede te deelen, die nu welhaast in ons vaderland een vreemdeling zal zijn. In Frankrijk wil men hem, zoo als berigt wordt, benevens andere daar tot dusver niet levende visschen, uit Duitschland invoeren en trachten te naturaliseren. Of dit niet geheel mislukken zal, ten minste of hij zich in Frankrijk eenigzins zal vermenigvuldigen, meen ik op grond van het eigenaardige zijner natuurlijke verbreiding te mogen betwijfelen. En mogt hij er al blijven leven, dan weet ik niet, of het van tijd tot tijd vangen van eenen enkelen Meerval wel zal kunnen opwegen tegen het verlies van de aanzienlijke menigte visch, die hij ter bevrediging zijner vraatzucht noodig heeft.

D. Lubach.
 
 

  1. De beide andere afdeelingen dezer orde bevatten die weekvinnige visschen, die geheel geene buikvinnen bezitten (Malacopterygii apodes), en diegene, bij wie de buikvinnen onder of voor de buikvinnen gelegen zijn (Malacopterygii subbrachii).