Arbeiders (Kielland)/XIII

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
XII Arbeiders van Alexander Lange Kielland

XIII

XIV


[ 133 ]

XIII.

Op den eersten Juli werd het huwelijk van den bode aan het Departement Anders Mo en Mejuffrouw Christine Vatuemo in de Drieëenigheidskerk gesloten.

Buiten degenen die uitgenoodigd waren de huwelijksplechtigheid in de kerk bij te wonen, waren nog een groot aantal menschen aanwezig, want de minister Bennecken bevond zich onder de bruiloftsgasten, en buitendien was het een interessant paar om naar te kijken: de oude man en het jonge meisje.

Eigenlijk geleek het niet zoo dwaas, als men gedacht had. Wanneer men het witte haar niet meerekende, was Oom Anders in zwarten rok, stijve witte das en gouden horlogeketting.... een huwelijksgeschenk van den minister, werkelijk nog een deftig bruidegom. Christine was zoo lang en forsch en zag er zoo boersch uit, dat het niet veel in het oog liep, dat zij nog zoo jong was; ook was zij van daag zeer bleek en zag er ernstig uit. De familie Bennecken woonde reeds buiten en mevrouw was zoo vriendelijk geweest de eetzaal en het daaraan grenzende vertrek aan de jonggetrouwden voor de bruiloft af te staan.

Toen de bruiloftsstoet uit de kerk kwam, dronk men eerst een glas wijn in de woning van den concierge en [ 134 ] de minister hield eene korte toespraak, waarnaar met groote belangstelling werd geluisterd; daarna verliet hij het gezelschap, dat nu naar boven ging waar de bruiloftstafel gedekt stond.

Het bruidspaar nam eerst plaats in het vertrek naast de eetzaal om de gelukwenschen der gasten, naar de volgorde waarin zij kwamen, te ontvangen, want buiten hen, die de plechtigheid in de kerk hadden bijgewoond, waren er nog vele anderen genoodigd.

De Redacteur Mortensen, die na het vertrek van den minister de voornaamste gast in het gezelschap was, voelde zich zeer op zijn gemak in het salon, praatte luid en maakte geestige aanmerkingen; de overigen zaten zwijgend en statig langs de wanden met de voeten zoo ver mogelijk onder hunnen stoel.

Christine was verbaasd, dat haar man zooveel bekenden had, en vooral dat zooveel deftige lui uit de stad de bruiloft met hunne tegenwoordigheid vereerden. Eindelijk waren al de zitplaatsen door de fraaie uitgedoste dames bezet, een paar jonge meisjes zaten zelfs op elkanders schoot. De heeren keerden dadelijk, wanneer zij in de kamer aan het bruidspaar hun compliment hadden gemaakt, naar de gang terug. Er heerschte eene stilte als bij eene begrafenis en geen ander geluid werd gehoord dan nu en dan een paar woorden van den Redacteur of eenig gerammel met borden in de keuken.

Onder de bruiloftsgasten bevonden zich een paar boden van een ander Departement, met hunne vrouwen en dochters, de politie-agenten Andersen en Knudsen,—de laatste was nog niet voor vast aangesteld, en stond onder Andersens toezicht; vervolgens was er de sergeant-majoor Knoff in uniform en handschoenen, de schoorsteenveger Lunde met zijne vrouw (eene zuster van den agent Andersen), de bode van het Gerechtshof, Paalsen genaamd, bekend door zijn talent om het gezelschap aangenaam [ 135 ] bezig te houden, en madame Grüner, die voor den koning, wanneer deze in de stad kwam, kookte. Voorts maakten nog deel van het gezelschap uit, eenige sergeanten, een havenmeester en spoorwegbeambten in uniform met hunne dames. De keukenmeid kwam telkens in de gang, en gaf den bruidegom een teeken, dat alles klaar was; hij schudde dan echter met het hoofd en keek op zijn horloge.

Eindelijk ontstond er eenige beweging onder de heeren, die bij de deur stonden, en twee dames kwamen binnen. De eerste was een mooi slank meisje met blond haar en groote glanzende oogen. Zij was in eene licht zijden japon gekleed; bellen van filigran en eene zilveren ketting, waaraan een groot medaillon was gehaakt, voltooiden haar toilet. De dame, die haar vergezelde, was tamelijk gezet en kon zoo ongeveer een veertig jaar oud zijn; zij had koolzwart en glanzig haar; aan den eenen kant van haar kapsel stak eene donker roode roos en aan den anderen eene kleine kolibrie half verscholen in een strikje van Schotsch band. Zij was stijf geregen, zoodat hare weelderige vormen zeer goed in het roodfluweelen lijf, dat van voren uitgesneden was, uitkwamen; op haar boezem droeg zij eene gouden broche in den vorm van een hoefijzer. De rok van de japon was van zwarte zijde, hier en daar door kleine bouquetten van rozen opgenomen. De Redacteur Mortensen slaakte een' kreet van bewondering, toen zij naar het bruidspaar gingen waardoor de oudste der twee dames hem schertsend met haren waaier sloeg.

"Lieve Christine," zeide nu de bruidegom op de hem eigenen deftigen toon, veroorloof mij u mejuffrouw Eveline Nielsen voor te stellen, die ons wel de eer wil aan doen...."

"O, beste mijnheer Mo! de eer en het genoegen zijn geheel aan mij," antwoordde de jonge dame en zij [ 136 ] glimlachte vriendelijk, waardoor hare mooie witte tanden zich lieten zien.

Christine voelde zich dadelijk tot haar aangetrokken, ofschoon zij wenschte, dat haar nieuwe kennis wat minder fraai gekleed was geweest.

Daarna presenteerde de bruidegom de andere dame: mijne veeljarige vriendin, "madam Gluncke."

De kleine gezette dame omhelsde Christine hartelijk en drukte haar een vochtigen kus op den mond, terwijl zij in een vloed van woorden vertelde, dat zij de liefste bruid was, die zij ooit had gezien, ja werkelijk zonder overdrijving, de allerliefste.

Nu zou men aan tafel gaan.

De Redacteur Mortensen maakte met den hoed in de hand eerbiedig eene diepe buiging, voor juffrouw Nielsen.

"Onze gastheer heeft mij de eervolle opdracht gegeven u naar tafel te geleiden, juffrouw Nielsen;" hij bood haar sierlijk den arm en ging achter het bruidspaar de eetzaal binnen.

Daarna kwamen de sergeant-majoor Knoff en madam Gluncke, dan de schoorsteenveger Lunde en madam Grüner benevens de bode van het gerechtshof Paalsen met madam Lunde; de overigen van het gezelschap gingen met hem of haar, van wie de naam op het kaartje geschreven stond, dat zij van den koetsier van den minister een poosje geleden in de gang hadden ontvangen.

De bruiloftstafel had den vorm van een hoefijzer. Aan de kortste zijde zaten in het midden de jong getrouwden, links van hen Knoff en madam Gluncke, rechts de redacteur en juffrouw Evelina. Midden in het hoefijzer zaten Lunde en Paalsen met hunne dames, en de overigen namen de andere plaatsen in.

De politieagent Andersen had het bijster druk, eer allen naar zijnen zin geplaatst waren; en telkens maakte hij verschikkingen,—eindelijk gelukte het hem Knudsen vlak [ 137 ] over zich geplaatst te krijgen. U moet weten, madam Grüner," fluisterde hij haar in het oor; dat hij nog maar op proef genomen is, ziet u, en dat het mijn plicht is een oogje in 't zeil te houden."

Zijne dame liet zich niets aan zijne woorden gelegen liggen: zij was ontevreden over hare plaats en over den cavalier, die men haar had gegeven. Zij had er zoo zeker op gerekend naast de jonggetrouwden geplaatst te zullen worden en door den sergeant-majoor naar tafel te worden geleid. Toen zij een paar schepjes soep gegeten had, legde zij den lepel neer en zeide half voor zich zelf op verachtelijken toon. "Liebigs extract!"

In het begin van den maaltijd ging het doodstil toe; het gerammel der lepels, die echter met groote voorzichtigheid werden gebruikt, alsmede het half luide gefluister en gelach van den redacteur en zijne dame, verbrak slechts de stilte.

"Mag ik de heeren verzoeken de glazen te vullen," zeide de bruidegom op eenen toon, die zeer aan den minister Bennecken deed denken. Mijne vrouw en ik nemen de vrijheid de dames en heeren welkom aan tafel te heeten!"

Het eerste glas rooden wijn werd met groote plechtigheid geledigd, terwijl allen met eene lichte buiging van het hoofd naar den kant, waar de jonggetrouwden zaten, groetten.

Christine liet haren blik langs de tafel en door de geheele zaal gaan—'t was een oogverblindende pracht.

Buiten weten van hare moeder had Hilda het vertrek met groen en bloemen versierd, en al het glas en zilver, dat niet mee naar buiten was genomen, ten gebruike gegeven. Naar Christine's begrippen zag de bruiloftstafel er bijzonder prachtig uit. Zoo haar vader haar nu maar te midden van al die heerlijkheid had kunnen zien, dan bleef er niets te wenschen over.

[ 138 ] Intusschen hield de politieagent Andersen Knudsen scherp in het oog en telkens wanneer deze eene beweging maakte om eene flesch of wel een glas in de hand te nemen, riep hij op gedempten toon waarschuwend: "Knudsen!"

"Present!" antwoordde Knudsen en nam dadelijk eene militaire houding aan.

Madam Knoff, die een van de spoorwegbeambten tot buurman had, zat zoo, dat zij volstrekt het oog niet kon houden op haren man, den sergeant-majoor—ja, zij kon het toch, maar dan zat zij niet behoorlijk. Deze houding was intusschen heel ongemakkelijk, zoowel voor haar zelf, als voor haren buurman, want zij was eene corpulente dame; hare gele gelaatskleur, gevoegd bij haar ongezond uiterlijk gaf den Redacteur aanleiding te beweren dat Knoffs vrouw zeker aan eene miltziekte leed. Daar bij het ronddienen van het eerste gerecht de doodelijke stilte bleef voortduren, fluisterde Mortensen achter Christine's rug om, den bruigom in: "Gij moet nu met de toasten aanvangen Mo!"

"Ik meende, dat zulks niet gebruikelijk was vóór het vleesch...."

"Juist het tegendeel; het is nu smaak met de toasten bij de soep te beginnen."

De Redacteur gaf een paar harde tikken tegen zijn glas en Mo stond van zijnen stoel op.

"Dames en heeren! In dit gewichtige oogenblik gevoel ik diepe behoefte uit te spreken, hoezeer ik het betreur aan deze tafel, waar zoovelen aanzitten, die mij dierbaar zijn—hem te moeten missen, wien ik inzonderheid van daag gewenscht had hier te zien. Ik meen den vader mijner vrouw, den heer Niels Vandmo."

Christine haalde haren zakdoek voor den dag.

"Gij weet genoeg Christine hoe innig ik aan mijnen eenigen broeder ben gehecht en welken prijs ik op [ 139 ] het kleinood stel, dat hij aan mijne hoede vertrouwt."

Hier kreeg madam Gluncke eene heftige hoestbui, wat hoogst ongepast was. De spreker wierp haar snel eenen blik toe, en vervolgde: "Daarom dames en heeren willen wij een glas ledigen op de gezondheid van den vader mijner vrouw, ofschoon hij afwezig is; wij willen hem toewenschen, dat God hem met Zijne vertroostingen nabij zij en hem niet al te zwaar het gemis zijner lieve dochter doe gevoelen. Christine, je vaders gezondheid!"

Toen de bruidegom weer ging zitten, fluisterde hij haastig madam Gluncke eenige woorden in 't oor.

"Ik kon het waarachtig niet helpen," lispelde zij terug, "je waart onbetaalbaar!"

Daarna verlangde de schoorsteenveger Lunde het woord. Hij was een lang, mager man met grijs haar en spitsen neus. Met zijn beroep hield hij zich, wat zijn eigen persoon betrof, niet veel meer bezig: hij gebruikte daar "zijn volk" voor; in de voornaamste deelen der stad bekleedde hij alleen nog officieel zijnen post als schoorsteenveger. Hij had geld en zijne dochter was met eenen telegrafist getrouwd.

"Als de oudste in dezen kring," zoo begon hij, is het mij zeker wel veroorloofd het gezelschap voor te slaan op de gezondheid van het bruidspaar te drinken. Wij weten allen, dat wij in onze jeugd geleerd hebben, dat de Heer heeft gezegd: het is niet goed dat de mensch alleen zij!"

De stilte, die nu aan tafel heerschte, was bijna benauwend. De dienstmeisjes, die juist de borden wilden verwisselen voor het rundvleesch, moesten staan wachten, terwijl de spreker de geschiedenis van het huwelijk aan zijne hoorders verklaarde. Hij ging van Adam en Eva, tot Abraham en Sara, en eindelijk tot Izaäk en Rebekka; behendig sprong hij Jakob met zijne twee vrouwen over, evenmin sprak hij over David en Salomo; [ 140 ] geleidelijk kwam hij nu in zijne rede op het huwelijk van den tegenwoordigen tijd en eindigde met 's Hemels zegen over het bruidspaar af te smeeken.

De meesten der dames schreiden, Christine vooral. Juffrouw Evelina boog wat naar voren en knikte haar vriendelijk toe. Die plechtige woorden met aanhalingen uit den brjbel, het prachtige feest, alles maakte zulk eenen indruk op Christine, dat zij een oogenblik bijna begon te gelooven, dat dit huwelijk wellicht nog tot haar geluk kon dienen.

Juffrouw Evelina fluisterde Mortensen in: "het gaat mij toch werkelijk aan mijn hart, dat arme kind!"

Eene lange pauze ontstond er na den toast van den schoorsteenveger, waarin de dienstmeisjes eindelijk van de gelegenheid gebruik maakten de borden te verwisselen.

Madam Knoff, die den geheelen tijd beweerde, dat haar man, die afschuwelijke "Malle Bimbam" het hof maakte, had het ongeluk haar bord van de tafel te stooten, juist toen zij door een onverwachten zwenk den sergeant-majoor wilde verschalken. Het geraas, dat het bord bij het vallen maakte, verschrikte Knudsen zoo; dat hij van zijnen stoel opsprong, waardoor Andersen dadelijk op vermanenden toon riep: "Knudsen!"

Madam Gluncke had veel pleizier; zij lachte zeer luid en stootte haren buurman aan. Haar lachen maakte een begin aan de vroolijkheid. Mortensen liet de karaffen met Sherry rondgaan en de gasten lieten zich dien wijn goed smaken.

Toen stond de Redacteur op. "Dames en heeren! terwijl ik mijnen blik over deze vergadering laat gaan, rijst onwillekeurig de gedachte bij mij op, wat—zoo ik mij zoo mag uitdrukken,—wat eigenlijk de vereenigingsband tusschen ons uitmaakt?"

Hij sprak op een pedanten toon en zijne zinnen waren [ 141 ] volkomen in courantenstijl geordend; daar hij voelde dat hij de voomaamste man was en allen met de grootste opmerkzaamheid naar de woorden luisterden, die van zijne lippen vloeiden, gebruikte hij eene menigte latijnsche volzinnen en vreemde bewoordingen; hij ontwikkelde de stelling, dat allen, die hier vergaderd waren, deel van de groote staatsmachine uitmaakten, schalmen in de keten der mannen, "tot wie de natie met vertrouwen en eerbied opziet."

Zijne rede nam eene nog hoogere vlucht, toen hij in 't kort de groote beteekenis van den ambtenaarsstand voor het land ontwikkelde; altijd meer en meer stijgende, kwam hij eindelijk aan de spits van het systeem en eindigde hij met een plechtig:

"Dames en heeren, ledig uwe glazen op de gezondheid van onzen geëerbiedigden koning!"

De toast werd met geestdrift gedronken. Juffrouw Evelina keek den redacteur van ter zijde even aan, maar zij kon er niet recht wijs uit worden, of hij zelf werkelijk plechtig gestemd was dan dat hij het gezelschap voor den gek hield.

Nu bracht de bode van het Hooge Gerechtshof een' toast uit op den minister Bennecken, dien de bruigom beantwoordde met eenen toast op het vaderland; een der spoorwegbeambten sloeg voor op 't welzijn van het broederrijk (Zweden) te drinken en eindelijk stelde de havenmeester voor op de gezondheid der dames een glas te ledigen.

Plotseling riep echter de sergeant-majoor met zijne commandostem: "Geef acht! Geen gepraat in de gelederen voor dat het rundvleesch van tafel is! Men kan door al die toasten waarachtig niet aan 't eten komen!"

Deze woorden brachten de vroolijkheid geheel aan den gang en hartelijk lachten allen over dezen uitval; Christine lachte ook. Toch keek zij half angstig achter den rug [ 142 ] van haren man om naar madam Gluncke, die achterover in haren stoel lag en zóó van lachen schaterde, dat de tranen langs den kleinen vetten neus rolden. Madam Grüner, die tot nu toe van alles weinig had gegeten, deed zich aan het gebraden vleesch duchtig te goed, wijl zij zag, dat niemand in het minst op haar gedrag acht gaf. Toch bleef zij even slecht geluimd, waardoor haar cavalier zich met onverdeelden ijver aan zijn toezicht op Knudsen kon wijden. Wanneer hij dronk, fluisterde hij haar echter altijd op geheimzinnigen toon in, wijl hij aan zijne dame zag, dat zij vond, dat hij nog al dikwijls zijn glas vulde:

"Met mij ziet gij, loopt het geen gevaar! maar Knudsen, daar over mij, hij is nog maar op proef, begrijpt gij.... en ik ben de persoon, die op hem passen moet; "Knudsen!" riep hij dan, en hoe langer men aan tafel zat, klonk het luider "Knudsen."

Bij het dessert heerschte algemeene vroolijkheid en het leven nam, hoe meer de wijn het bloed verhitte, iedere minuut in luidruchtigheid toe. Paalsen, die als humorist bekend stond, vergastte op verlangen het gezelschap op eenige zijner komieke toeren; hij kon bijvoorbeeld kraaien als een haan, zich op de wangen slaan, waardoor het scheen, dat men eene flesch leeg schonk, de ooren naar alle zijden bewegen, en meer van die zaken.

Het kwam Christine voor, alsof dit alles niet heel gepast was. Naar haren smaak, moest het op eene bruiloft meer ernstig toegaan.

Toen de gastheer Paalsen bedankte, betitelde hij hem uit scherts: Mijnheer de President van den Hoogen Raad. Van die aardigheid maakte de Redacteur dadelijk gebruik en hij riep luid: "Generaal Knoff! gun mij de eer met u te klinken."

Eerst waren de gasten er wat over verwonderd, maar spoedig vond dit voorbeeld navolging. De [ 143 ] schoorsteenveger Lunde werd als inspecteur aangesproken en de bruigom kreeg den titel van minister. Christine verheugde zich, dat het gezelschap zich zoo weinig met haar bemoeide; zij kon echter volstrekt niet begrijpen, waarom bijna alle gasten het van lachen uitproestten. toen Paalsen zich tot juffrouw Eveline Meisen wendende, zeide: "Mag mij de eer ten deel vallen, met de gade van den President te klinken?"

"Gaarne! mijnheer de President;" antwoordde Evelina, en bloosde even; kort daarna lachte zij echter weer en fluisterde met Mortensen.

De inspecteur Lunde wilde volstrekt, dat madam Gluncke met eenen titel zou aangesproken worden, maar zij hield de handen voor de ooren en riep, dat zij daar niets van wilde hooren. Generaal Knoff, wilde met den politieagent Andersen klinken, die steeds met glazige oogen naar Knudsen staarde. Toen de generaal er hem niet toe kon krijgen naar zijne zijde te zien, nam hij op militaire wijze zijn toevlucht tot een afdoend middel: hij wierp hem een stukje van een sinaasappel over de tafel toe.

Ongelukkigerwijze trof het madam Grüner juist in het aangezicht: "zuur bij zuur!" riep Paalsen uit. Madam Grüner wilde dadelijk—hetgeen niemand natuurlijk bevreemden kon—de zaal verlaten en hare buren, de politieagent en de spoorwegbeambte hadden heel wat werk haar op hare plaats te houden. Dit kleine onaangename tooneel vergat men echter spoedig, wijl juffrouw Evelina op den goeden inval was gekomen het roode papiertje, dat om eene pistache gewikkeld was geweest, in het knoopsgat van den Redacteur te hechten.

Alles wat er aan gekleurde papiertjes en lintjes op de tafel te vinden was, werd nu gebruikt om de heeren te decoreeren waardoor het gezelschap er bij het einde van den maaltijd zeer schitterend uitzag. Met algemeenen bijval nam men den voorslag van Mortensen aan om de koffie [ 144 ] rond te dienen, terwijl men aan tafel zat, en dan tevens eene sigaar aan te steken, "Juist zoo als zulks te Parijs mode is!"

Het ging nu zoo levendig aan tafel toe, dat hooren en zien verging en men bijna zijne eigene woorden niet kon verstaan. Wild schreeuwden allen over de tafel heen. De woorden "Generaal" "Minister" "Inspecteur" enz. werden slechts afgewisseld door het op brullenden toon uitgeroepen "Knudsen" van Andersen, die zijnen vriend, die den proeftijd nog niet door gemaakt had, tot orde wilde vermanen.

Christine gevoelde zich hoe langer hoe minder op haar gemak. Zij zag de beide zijden van de tafel langs en schaamde zich dat het er zoo slordig uitzag. Groote roode wijn- en bruine sausvlekken, verwelkte bloemen en komkommersalade, rozijnentakjes, tabaksasch, sinaasappelschillen, verkreukte servetten en kruimels van gebak en bitterkoekjes, alles lag door elkaar tusschen de glazen en flesschen in. Alle gezichten waren rood als pioenen, de dames lachten luidkeels en de heeren schreeuwden elkander bijna doof, terwijl zij over de tafel heenlagen; de dikke rook der sigaren vermengde zich met de etenslucht en den geur van den wijn en de koffie.

Meer dan eens zag zij haren man vragend aan, maar hij lachte haar geruststellend toe, en fluisterde haar iets in wat zij niet begreep—hij sprak weer zoo erg onduidelijk.

Toen de gasten eindelijk van tafel opstonden, bleek het spoedig te benauwd in het vertrek, voor de eetzaal. Madam Gluncke ging daarop heel familiaar door de keuken en het voorhuis en opende de deuren, die naar het andere gedeelte der woning geleidden.

Deze kamers waren, wijl de familie nu buiten woonde, maar half gemeubileerd. De spiegels en lichtkronen waren met wit linnen bedekt, en de ruiten had men [ 145 ] met krijt besmeerd, maar dit half donker en de aangename koelte, die er heerschte, vonden de gasten juist aangenaam en weldra hadden zij zich overal verspreid. De piano werd opengesloten en de jongste juffrouw Lunde speelde: "Zij ging naar het strand," enz.

Men kon duidelijk hooren, dat zij het zingen naar de nieuwste methode had geleerd, zooals hare moeder dan ook het gezelschap mededeelde, want zij zong:

Zij gi....ng na....a....r h....'t stra....nd" enz.

Maar nu ontstond er bij de piano een klein geschil, doordien madam Gluncke er eigenzinnig op aandrong, dat men zou zingen: "Daar stonden twee meisjes en zij plantten kool," terwijl de jongejuffrouw Lunde op beslisten toon weigerde zulk soort van liedjes te accompagneeren. Gelukkig dreef het onweer voorbij, doordien de President van den Hoogen Raad, de heer Paalsen, den arm om Malle Bimbam heensloeg en de polka met haar begon te dansen. Het bal nam nu een' aanvang, een buitengewoon vroolijk bal, dat tot laat in den nacht in de naakte halfdonkere vertrekken werd voortgezet.

Achter eene deur zat madam Grüner te luisteren naar de klaagliederen van madam Knoff, die heete tranen schreide over het gedrag van haren man. Beiden waren het eens, dat het volstrekt geen fatsoenlijke bruiloft was en dat "Malle Bimbam" nooit in 't gezelschap van fatsoenlijke lui moest toegelaten worden.

Christine liep van het eene vertrek naar het andere; zij voelde zich geheel verlaten en ongelukkig; maar toen zij laat in den nacht haren man in eenen donkeren hoek op' zeer vertrouwelijke wijze met madam Gluncke zag zitten, werd het haar benauwd om het hart—zij verliet de groote woning, ging naar beneden en draaide den sleutel van hare kamerdeur om.

Toen de laatste gasten afscheid hadden genomen, scheen het schemerachtige daglicht door de ondoorzichtig [ 146 ] gemaakte vensters. De redacteur had reeds een paar uur geleden juffrouw Eveline Nielsen naar huis gebracht; de politie-agent Andersen stond in eene zeer onbeholpen houding tegen de leuning der trap en fluisterde: "Knudsen!" hij kon niet meer spreken en evenmin kon hij alleen naar huis komen. De bruigom tuimelde de paar trapjes naar zijne woning af en toen hij Christines deur op slot vond, begon hij met geweld te kloppen en te roepen. Christine blies het licht uit en opende de deur.