Arbeiders (Kielland)/XII

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
XI Arbeiders van Alexander Lange Kielland

XII

XIII


[ 123 ]

XII.

In dichte scharen zaten aan den Nijl de vogels en blakerden zich in de heete zon. Zij poetsten en plukten hunne'veêren, vlogen een paar slagen om de vleugels te [ 124 ] beproeven, en hapten lui naar de vette wormen waarvan het in het slijk wemelde. Maar er was al te veel voedsel, al te veel warmte en al te veel windstilte; zij reikhalsden naar frisschen regen, grauwe lucht en stormweer.

Ontelbare troepen wilde ganzen en zwanen zwommen rond in de tamelijk groote waterplassen, tusschen de biezen die het uitgestrekte moeras vulden. Reigers en ooievaars staken hier en daar met den kop boven de andere vogels uit; dicht in één gedrongen stonden zij op één been en lieten den kop op zij hangen:—zij verveelden zich allerverschrikkelijkst. Alle mogelijke soorten van snippen, watervogels, kieviten, waterhoenders, wilde ganzen, kwartels, zwaluwen—ja, zelfs tot gemeene spreeuwen toe—allen verveelden zich zoo, dat hun de veeren bijna uitvielen.

De ibis maakte zich zeer kwaad op al dat grauw gevederde vreemde gespuis en vergat zijne waardigheid zoo zeer, dat hij zich bij den dommen flamingo, dien hij anders zoo diep verachtte, beklaagde.

De krokodillen knipoogden met hunne slijmachtige, lichtgroene oogen en snapten nu en dan naar eene vette gans; dan ontstond er een geschreeuw en gekrijsch, dat overal langs den stroom beantwoord werd, om eindelijk heel, heel in de verte weg te sterven, en—de doodsche stilte van de woestenij lag weer over het gloeiende landschap, terwijl de scharen van vogels met slaperig uitzicht, weder ter neder zaten en wachtten—ja zij wisten niet recht waarop.

Daar vloog een kleine grauwe vogel loodrecht de lucht in; een oogenblik bleef hij zweven, en klapwiekte met de vleugels, terwijl hij eenige tonen kweelde—dan vloog hij weer naar beneden en verschool zich tusschen het riet.

Alle vogels hadden de koppen in de hoogte gestoken [ 125 ] en geluisterd; nu ontstond er een gesnater en een getjilp en een gedrang in elken hoek.

Jonge, verwaande kieviten vlogen hoog in de lucht en draaiden in alle mogelijke bochten rond om aan de anderen te toonen, hoe goed zij vliegen konden. Maar de oudste witte zwanen, die heel naar IJsland zouden reizen, belegden eene groote vergadering om het voorgeslagen reisplan van den leeuwerik te bespreken. Allen hadden toch den leeuwerik dadelijk aan het geluid herkend, of schoon hij, want het gezang scheen nog niet goed uit de keel te willen, maar een paar tonen had laten hooren. Terwijl de zwanen nog aan het beraadslagen waren, werden zij door een hevig geplas in hunne debatten gestoord en de lucht werd geheel donker. Het waren de wilde ganzen, die dit leven maakten. In groote zwermen verdeelden zij zich, draaiden in de lucht heen en weer, schaarden zich dan in lange rijen en verdwenen in noordelijke richting, terwijl hun geschreeuw nog lang in de verte werd gehoord.

In zwarte massa's vlogen de spreeuwen weg, de kieviten volgden hun voorbeeld, de ooievaars stegen paarsgewijze loodrecht omhoog, tot zij bijna geheel uit het gezicht waren, en trokken dan Noordwaarts. In de algemeene verwarring en het leven dat er heerschte, konden de zwanen niet rustig meer zitten te overleggen en daarom werd de vergadering ontbonden; ieder wilde weg, tijd tot nadenken, gunde men zich niet meer. Alle bezinning was verloren, telkens vlogen nieuwe scharen over Noord-Afrika heen; en ieder begroette, naar dat hij gebekt was, de blauwe Middellandsche zee, die onder hem lag.

De mannetjes-nachtegalen vlogen in stille kleine gezelschappen des nachts weg; zij voelden zich getrokken tot de bekende plaatsjes in de rozenstruiken van Provence of wel tot de beukenwouden van Seeland; zij wilden hunne fraaiste melodieën instudeeren en ze kennen vóór de aankomst der wijfjes.

[ 126 ] De Noorsche leeuweriken wachtten het langst; toen de Deensche wegtrokken, sloten zij uit oude vriendschap zich bij hen aan. De reiskoorts maakte zich tot zulk eene hoogte van allen meester, dat zelfs de zwaluwen en de koekoeken langer rust noch duur hadden; zij wilden in allen gevalle toch over de Middellandsche zee,—daar kon men zien hoe verder te handelen.

De ibis herkreeg zijne kalmte van gemoed, en als een bisschop zoo deftig wandelde hij langs den oever; de rozeroode flamingo's maakten voor Zijn Hoog Eerwaarde eerbiedig plaats, terwijl zij met vroom vertoon den dommen kop met den krommen bek bogen.

Stiller en warmer werd het langs de oevers van den Nijl. De krokodillen moesten zich nu met negervleesch tevreden stellen of een enkele maal met dat van een taaien Engelschen toerist. Dag en nacht vlogen de trekvogels naar het Noorden en naarmate zij de bekende plaatsen naderden, verminderde het reisgezelschap; zij, die aan hun bekend te huis waren gekomen, groetten hen, die nog verder moesten trekken, en leven en vroolijkheid over het oude bevrorene Europa zouden verspreiden, in bosch en veld, dicht bij de woningen der menschen en ver weg in het riet van de groote stilstaande meren.

In Italië stonden de rozenstruiken in vollen knop; in 't Zuiden van Frankrijk deden de bloeiende appelboomen denken, dat het zooeven gesneeuwd had, en opde Boulevards in Parijs begonnen de bladeren der kastanjeboomen hunne glanzende taaie knoppen te verbreken. De eerzame burgers van Dresden stonden op het Brühlsche terras en warmden zich in de zon, terwijl zij naar de ijsschotsen keken, die met den stroom kwamen afdrijven, om zich tegen de bogen der brug bij torenhoog op te stapelen.

Maar verder op in het Noorden bleef het nog koud; een scherpe, snijdende wind woei over de Noordzee en hier en daar zag men sneeuw op den grond. Hoe [ 127 ] noordelijker men kwam, des te kleiner werd de schare der leeuweriken. Een groot gedeelte nestelde zich op de vlakten om Leipzig, en een ander op de Lüneburger heide; toen de overige in Sleeswijk waren aangekomen, vroegen de Deensche leeuweriken aan hen, die in het Noorden thuis behoorden, of zij geenen lust hadden een weinig te wachten om het weêr wat aan te zien.

De sneeuw lag nog op de velden en hekken in Jutland, en de Noordwestenwind schudde de oude Deensche berken, welker bruine knoppen nog voorzichtig de saamgehulde teere blaadjes omsloten. De vogels verscholen zich achter groote steenen en in het heidekruid; sommige waagden het zelfs heel dicht in de buurt der boerderijen te komen, waar de musschen een leven maakten alsof alles hun behoorde.

Allen waren het er over eens, dat men al te vroeg op reis was gegaan, en hadden zij hem, die hen van Egypte's vleeschpotten gelokt had, hier beet kunnen krijgen, zij zouden hem zeker de'veêren hebben uitgeplukt. Eindelijk woei er een Zuidenwind; de reizigers naar het Noorden namen afscheid, bedankten voor het aangename gezelschap en vlogen de zee over.

Daar in Noorwegen zag het er bij hunne tehuiskomst treurig uit. De sneeuw lag nog vele voeten diep in de dichte bosschen en zelfs in de dalen. Daar bracht de Zuidenwind den zoo gewenschten regen en,— nu niet trapsgewijze—neen, plotseling greep er eene omkeering plaats met geraas en gebulder en sneeuwstortingen en schuimend neervallend water en bruisende stroomen, zoodat het land veel op eenen reus geleek, die zich wascht en die er van houdt het ijskoude water over de krachtige leden te laten spatten. En een groen floers breidde zich over alles uit; over de jonge berken op de hoogten, over de stranden, waar de zee een inham maakt, over de vlakten in westelijke richting naar zee en over heide en moeras, over klippen [ 128 ] en bergkloven en over de nauwe dalen tusschen de bergen. Op de toppen bleven de sneeuw en de gletschers liggen, alsof de bergen geenen lust hadden den hoed voor zulk een vluchtigen bezoeker als de zomer, af te nemen. De zon scheen zoo heerlijk en warm, ook het koeltje voerde nog warmte van het Zuiden aan, en eindelijk kwam de koekoek,—als opperceremoniemeester, om te zien, of alles in orde was; hij vloog nu hier, dan daar, verschool zich eindelijk in het dichtste loof van eenen jongen berkeboom, en riep: "de Lente is daar!"

Het oude Noorwegen was eindelijk ontwaakt!

Daar lag het nu—zoo hoog en zoo verblindend schoon aan de blauwe zee;—zoo arm en zoo mager en toch ook zoo frisch, gezond en lachend als een flink gewasschen kind.

In de havens langs de kust heerschte nu groote bedrijvigheid; witte zeilen vertoonden zich tusschen de klippen en verdwenen in zee. De schaatsen werden aan den balk gehangen, de sledevellen, goed met kamfer bestrooid, werden weggeborgen, en even als de beer, wanneer hij uit zijn hol komt, zijne pels eens goed schudt, evenzoo schudden nu de menschen, de loome leden, grepen de spade aan en begonnen met vollen ijver den voorjaarsarbeid.

Groote houtvlotten dreven de stroomen af en plasten in het ijskoude sneeuwwater; op de breede vruchtbare akkers sneed de ploegschaar lange zwarte voren; hoog in het Noorden waren de lieden druk bezig kabeljauw op de naakte klippen te drogen te leggen; op de vlakten in westelijke richting naar het strand toe, zag men karren met wier beladen langs de akkers rijden, en op de heide stond een kleine man met leepoogen, peinzende over eene Isabella-merrie.

Hier was de lucht nog frisch en aangenaam, terwijl de lieden te Parijs op straat door een zonnesteek getroffen [ 129 ] werden en de bladeren der boomen op de boulevards vol stof en half verschroeid waren.

Op het Brühlsche terras zaten de eerzame burgers van Dresden het koeltje, dat de avond hun aanbracht, te genieten; zij dronken Meiwijn en disputeerden zoo over Wagner's muziek, dat zij elkaar bijna in het haar vlogen. Over iets anders mochten zij in het publiek niet disputeeren en—disputeeren moesten zij.

Zij, die eene goed gevulde beurs bezaten, begonnen in Baedeker te bladeren, en spoedig kwam er ook eene schare van krombeenige Duitschers en Engelsche dames met lange tanden opzetten, die frissche lucht wilden inademen, tusschen de bergen van Noorwegen, en later een weinig van die frissche lucht naar het vaderland wenschten mede te nemen, te gelijk met de goelijk gemeende karikaturen over het "Oude Noorwegen."

Terwijl die bonte menigte van reizigers zich in alle richtingen over Noorwegen verspreidde, ontmoette zij op hunnen weg eenen anderen stroom, die de kust trachtte te bereiken.

"Was sind das für Leute?" vroeg Raadsheer Schultze uit Berlijn.

Een beschaafde Noor antwoordde hem in het Duitsch "Emigranten."

Mannen en vrouwen met ernstig uiterlijk, gekleed in nieuw friesch baai, togen voorbij. Kinderen hielden zij bij de hand, op den arm, op den rug of wel aan de borst; eene schare van gezonde roodwangige kleinen, die met heldere oogen verwonderd naar alles staarden, wat op weg te zien was.

Aan al de spoorwegstations en op al de stoombooten, die de groote binnenmeren bevaren, stonden kisten opgestapeld, voorzien van duidelijk geschilderde adressen en namen in het Noorsch en in het Engelsch.

Op alles lag den stempel van een wel overwogen, [ 130 ] langzaam gerijpt besluit: knappe stevige bagage, nieuwe sterke kleederen, geene nuttelooze kleinigheid in handen,—alleen kinderen, maar die werden dan ook stevig vastgehouden; men kon zien, dat ze niet eerder zouden losgelaten worden, voor men goed en wel in de Nieuwe Wereld was aangekomen. Maar geene vreugde, zelfs niet dat wat men hoop kon noemen, stond op die aangezichten te lezen; alleen lag om den mond een vast besloten, zwaarmoedige trek en een zwaar verdriet sprak uit die oogen, die tranen stortten of niet schreien konden.

Raadsheer Schultze uit Berlijn was een en al verwondering. Dat men lust had uit Duitschland te emigreeren, kon hij zich begrijpen; daar had men dienstplicht en eene militaire regeering, het socialisme, Bismarck en alle mogelijke ellende meer. Maar hier—! in dit schoone vreedzame land, met zijne welbekende vrijzinnige constitutie,—wat kon hier den menschen ontbreken?

En het land zelf scheen te vragen: waarom gaat gij heen? De zon gaf zulk een vriendelijk lachend uiterlijk aan de lichtgroene heuvels; de stroom kabbelde zoo vreedzaam en uit het woud kwam van de pijnboomen met de nieuw ontsproten naalden zulk een heerlijke geur!

Op het perron stonden familie en bekenden en zij weenden, wijl zoovelen wegtrokken—allen weenden tot de arme daglooner toe, die schreide, omdat hij geen geld had om mede op reis te gaan.

Toen de trein door het dal stoomde, zagen zij allen uit de nauwe raampjes van den waggon en zij wisten, dat er geen schooner land op de aarde te vinden is; dat nergens de zon zoo schijnt, dat nergens de lucht met zulk een' geur, met zulk een gejubel vervuld is, dat nergens de koekoek zoo vroolijk roept als in hun vaderland.

En heete tranen welden in de oogen op, en luid werd in die waggons gesnikt; men vergat, waarom men zich [ 131 ] hier bevond, en ieders oog scheen dat des anderen de treurige vraag te doen: "waarom gaan we toch weg, waarom?"

Intusschen nam de lente weldra afscheid met haar welluidend gezang, met hare vechtpartijen en liefdesavonturen van de kleine kevers, die in het gras aan hunne schoonen het hof maakten, van de groote beren, die in de wouden vochten, tot er bloed stroomde. Natuurlijk waren zooals altijd de kleinen door de grooten verslonden, dat valt niet te ontkennen; doch het had nu meer als eene bijzaak plaats gehad: 't geschiedde min of meer gemoedelijk. Niemand behoefde veel voedsel; wanneer men verliefd is, heeft men aan andere dingen te denken. De strijd om het dagelijksch bestaan gaat, wanneer men verder in den zomer en in den herfst is gekomen, op eene geheel andere wijze toe: men moet dan voedsel zoeken voor het wijfje en eenen troep hongerige jongen.

Het voorjaar werpt een waas van ridderlijkheid over de materialistische jacht naar het stoffelijke; de mannetjes doen hun best, zoo lieftallig mogelijk te zijn, terwijl de wijfjes haren korten triomf genieten door zooveel zij maar kunnen en naar hartelust te coquetteeren.

In het woud en op het veld weerklinkt de lucht van smachtend verlangen, hopelooze klaagtonen en jubelend geluk, en vele kleine harten breken van stil verdriet; vele kleine ongeregeldheden hebben onder het dikke loof of op het eenzame veld plaats, en menig klein gevecht wordt er op leven en dood gevoerd, terwijl de schoone onverschillig ter neder zit en het spel aanziet.

Twee kwikstaartjes vochten zoo heftig met elkaar in de lucht tot zij van vermoeienis in de sloot bij den molen vielen; doornat en gehavend kwamen zij op het droge. Ondertusschen vloog zij, om welke het gevecht plaats had, met eenen derde, die daar toevallig voorbij [ 132 ] kwam vliegen, weg. Het water bij den molen lag zoo blank en stil, dat de twee mededingers er zich in konden spiegelen, toen zij bezig waren, hun toilet in orde te brengen. De jonge kikvorschen hadden zich van hunne toga puerilis met den hinderlijken staart ontdaan. Zij vertoonden zich nu in al den glans van jonge kikvorschen, terwijl zij met de achterpooten als geëxamineerde zwemmeesters krachtige slagen in het water maakten.

Langs de geheele kust liep de zee; voorzichtig als eene kat, sloop zij tusschen de talrijke klippen door. Daar, waar gedurende den winter bij stormweer het schuimende water kon koken, bruisen en razen, gleden nu de licht groene golfjes in en uit; de groote, blauwe, door de zon zoo vroolijk beschenen zee vlijde zich zoo warm en koesterend tegen het oude zoo barsch schijnende land aan; alsof zij nooit vijandig tegen elkander gestemd waren geweest. Langs de naakte klippen en steenen en in de kleine fjorden groeide het wier in roode, gele en lichtgroene schakeeringen; het glansde gelijk een zijden dek. Op den bodem der zee krioelde het van allerlei schaaldieren met lange armen en voelhorens en stevige huisjes op den rug—eene wonderlijke wereld van listige wapenen en sterke harnassen. Op de naakte, gladde klippen, die dicht bij den blauwachtig witten zandigen grond gelegen waren, zaten tusschen weelderig zeegras en andere zeegewassen, slijmdieren, stekelige zeeëgels en prachtige roode zeesterren. Twee of drie zeealen staken hunnen kop tusschen het in elkaar gegroeide wier in en beten aan het een of ander; daar kwam onverwachts een dikke kabeljauw aanzwemmen, door wiens komst zij zoo schrikten, dat zij ijlings trachtten weg te komen. Deze stak nu den neus in het wier om te zien, wat er te koop was. Vermoedelijk vond hij er niets, wat zijnen eetlust opwekte, want met eenen verachtelijken zwaai keerde hij [ 133 ] om, en zwom dood op zijn gemak verder langs de klip. De zonnestralen vielen met een blauwachtig en geheimzinnig schijnsel op dat vreemdsoortige leven op den bodem der zee; zoowel als op de licht grijs gekleurde zandplaten, die hier en daar onder het water te zien waren, totdat zij eindelijk geheel verdwenen en slechts de groote, diepe, oneindige, blauwe zee zich vertoonde.